Wikia



Versleuteld Banner door IJsdroom


Karperpoot negeerde het onderbuikgevoel dat hij had en trippelde verder. Het wemelde normaalgezien van de konijnen bij de grens. Zo’n groot dier zou vast goed voedsel zijn voor de oudsten, dus hij zakte door zijn poten en proefde de lucht. Geen konijn te ruiken, dacht hij teleurgesteld. De jachtpatrouille van Zonhoog moet ze allemaal hebben afgeschrikt. Opeens kraakte er iets achter hem. Het klonk als het doorbreken van een takje. Geschrokken draaide Karperpoot zich om, maar hij zag niks anders dan hoge grassprieten en enkele bomen in de verte. ‘Hallo?’ Voorzichtig verhief hij zijn stem. ‘Is daar iemand?’ Er klonk opnieuw geritsel en een flits rode vacht, sterk afstekend tegen al het groen, trok Karperpoots aandacht. ‘Hee! Je bent op RivierClangebied!’ Een rode vacht… bij de grens… vissenpoep, dit is de indringer!

Inleiding Edit

1577897949160

De kat op de cover is IJspoot. Gemaakt door Moonkitty1!

Hartelijk welkom op deze pagina! Wat leuk dat je hier een kijkje neemt. Je bent beland bij het eerste deel van mijn vijfde reeks, Storm op Komst. Als je nieuw bent met mijn boeken, kun je gerust hier beginnen.

Dit verhaal bevat natuurlijk spoilers voor mijn voorgaande reeksen en de supereditie Maanschaduwen. Als je die laatste nog wilt lezen, raad ik je aan om dat eerst te doen voor de optimale leeservaring.

Ik hoop dat jullie dit boek leuk vinden! En mocht dat het geval zijn, laat het me gerust weten. Je kunt in de comments terecht voor discussies, vragen en ook het uiten van je mening over Versleuteld is welkom. Tips zijn al helemaal fijn.

De oogpunten van deze nieuwe reeks zijn Dauwspoor, Karperpoot, Bergkit en IJspoot. Ze worden niet in een vaste volgorde afgewisseld, omdat ik hun verhalen niet kriskras door elkaar wil laten lopen.

Heel veel leesplezier en een pootje van Morgenpoot!

De Clans Edit

Morgenpoots fanfictions/Versleuteld/De Clans

Opdraging Edit

Dit boek is opgedragen aan IJsdroom Vogeltje, die zo ontzettend lief en getalenteerd is, en Donderslag, Zonnepoot en Moonkitty1, voor onze vriendschap die nu al bijna twee jaar standhoudt <3

Proloog Edit

Schemerstaart Icon

‘Moet je jezelf nou zien!’ klaagde Zwemvleugel. ‘Zo wil je toch niet verschijnen op de krijgersceremonie van je jongen?’ Krijgersceremonie. Het woord wekte een gevoel van opwinding op bij Schemerstaart, alsof hij niet kon geloven dat het vandaag echt zou gebeuren. De jonkies die zijn bloed hadden, de kittens die hij had opgevoed, zouden RivierClankrijgers worden. Sterke, volwassen katten met nieuwe rechten en daarmee ook een hele hoop plichten. ‘Je hele snuit zit onder het zand!’ ging Zwemvleugel verder. ‘Dauwpoot en Muispoot hebben zo hard hun best gedaan om dit te bereiken. Het minste wat je kunt doen is je even opfrissen, luie vachtbal.’ Hoewel haar toon geïrriteerd was, glinsterde er een sterke gloed van liefde in haar ogen. Schemerstaart wist dat zijn partner erg had uitgekeken naar deze dag. Ze wilde vast dat alles perfect was.

‘Is goed, ik ga al’, miauwde hij toen maar om Zwemvleugel gerust te stellen. De grijs gestreepte poes snorde goedkeurend. Schemerstaart wierp haar een tedere blik toe, voordat hij zich richting de kampbeek begaf. Het hele kamp bruiste van de activiteit. Dauwpoot en Muispoot waren nog op een laatste jachtpartij als leerlingen, maar iedereen maakte zich al klaar voor de ceremonie; Schemerstaart voelde zich zo trots als een pauw. Met een gevoel alsof de wereld aan zijn poten lag, trippelde hij verder naar de beek. Het was een klein stroompje, laag genoeg om doorheen te waden en toch hoog genoeg om roofdieren af te schrikken. Schemerstaart boog zich naar voren. Zijn spiegelbeeld glimlachte hem uitnodigend toe en zorgvuldig doopte hij een voorpoot in het water, waarna hij de aarde van zijn gezicht begon te wassen.

Plotseling vertroebelde het water. Even leek Schemerstaart sterrenglinsteringen erin te zien, fonkelend alsof de hemel in de beek gevangen zat. Toen nam de weerspiegeling een vertrouwde vorm aan. ‘Goedemiddag’, snorde de reflectie. Schemerstaart kon alleen maar met zijn ogen knipperen, niet in staat om te geloven wat hij in het water zag. Was dat… Morgenster? RivierClans vorige leider en tevens Schemerstaarts moeder, die nu met de SterrenClan jaagde? ‘Niet schrikken’, miauwde het beeld van Morgenster vriendelijk. ‘Ik ben hier gekomen om met je te praten.’

Schemerstaart fronste wantrouwend. ‘SterrenClankatten komen alleen in dromen.’ Morgenster knipperde met haar heldergroene ogen. ‘Zo simpel is het niet. Ik wilde je in levende lijve zien, mijn zoon. Kom dichterbij.’ Ze wenkte met haar kop. Als in een trance boog Schemerstaart zich dichter tot het oppervlak, totdat zijn neus het water raakte. ‘Waarom?’ fluisterde hij. ‘Waarom ben je niet eerder gekomen?’ Er leek even een schaduw over Morgensters gezicht te glijden. ‘Ik kan niet zomaar bezoekjes brengen wanneer ik dat wil, geloof me. Maar deze keer ben ik hier omdat ik een waarschuwing voor je heb.’ Schemerstaart voelde zijn hart in zijn keel bonzen. Een waarschuwing? ‘Is dat niet meer iets voor de medicijnkat?’ vroeg hij voorzichtig. Het ene deel van hem wilde blij zijn dat zijn moeder was teruggekeerd, maar het andere gedeelte zei dat dit foute boel was. Morgenster zou niet zomaar in het kamp opduiken om een kleinigheidje te bespreken.

‘Dit is niet iets wat de medicijnkat aangaat’, murmelde de oud-Clanleider. ‘Jij bent degene die ik zoek, Schemerstaart. Eindelijk krijg je de kans om je lotsbestemming te vervullen.’ Schemerstaart schuifelde ongemakkelijk met zijn poten. ‘Oh… oké. Maar waarom ik?’ Morgenster glimlachte hem vriendelijk toe, al was er iets van verdriet en medeleven in haar ogen te lezen. ‘Omdat dit over Dauwpoot gaat.’

Hoofdstuk 1 Edit

Dauwspoor Icon

Het rieten dak van het krijgershol filterde het zonlicht in dunne lichtbundels. Terwijl het gros van de krijgers nog lag te slapen, wat je hoorde aan het luide gesnurk, zat Dauwspoor recht overeind in haar nest. Ze bewoog zich nauwelijks. Elke korte verschuiving van je poten of zelfs maar je staart, deed het riet kraken en de andere krijgskatten wakker worden. De Grote Vergadering van gisteren heeft ze vast uitgeput, dacht Dauwspoor geamuseerd. Maar ik zal ervoor zorgen dat er een lekker maaltje op ze te wachten staat als ze wakker worden! Voorzichtig stond ze op en trippelde richting de uitgang. Als jonge krijger, zou ze eigenlijk een nest aan de rand moeten hebben. Gelukkig hadden de anderen een uitzondering gemaakt voor kortharige katten, zoals Dauwspoor, en mochten die in het warme midden liggen. Behoedzaam stapte ze over een wirwar van katten heen. Het was haar al vaak genoeg gebeurd dat ze op de staart van een oudere krijgskat was getrapt en dus werd ze met de dag handiger hierin. Geen wonder dat Schorspluim helemaal bij de ingang ligt, dacht ze met een blik op de bruine kater. Ze zeggen dat het komt omdat hij een dikke vacht heeft, maar ik denk dat hij gewoon te brede poten heeft voor deze hindernisbaan.

De heerlijke ochtendgeluiden kwamen Dauwspoor tegemoet toen ze het hol uitstapte. Verderop hoorde ze wat eenden snateren, met op de achtergrond natuurlijk het geruis van de rivier. Wat is Groenblad toch heerlijk, bedacht ze en rekte zich nog eens uit. ‘Zozo! Daar is onze vroege vogel weer’, miauwde een stem van achteren. Dauwspoor snorde luid. De opmerking kwam van Maanvonk, RivierClans befaamde commandant, die op de Natte Rots zat. Zijn witte vacht glinsterde in het zonlicht en zijn snorharen wiebelden olijk heen en weer.

‘Jij ook een goedemorgen’, lachte Dauwspoor. ‘En je kunt veel zeggen, maar volgens mij ben je allang blij dat ik er altijd ben om je patrouilles te vullen.’ Maanvonk zwiepte speels met zijn staart. ‘Je kent me duidelijk te goed.’ Naast haar commandant, was de witharige kater ook Dauwspoors mentor geweest. Ze had van hem geleerd hoe belangrijk het was om je vol in te zetten voor de Clan en zijn onregelmatige ritme had ervoor gezorgd dat ze eigenlijk nooit uitsliep. Tegen de tijd dat de anderen wakker worden, dacht Dauwspoor vrolijk, ben ik alweer terug in het kamp. Met een visje of twee, hopelijk. ‘Dus jij gaat weer op jacht?’ vroeg Maanvonk nieuwsgierig. ‘Ik zou de WindClangrens vermijden. De patrouilles daar moeten uit minstens drie katten bestaan.’

Dauwspoor grimaste. ‘Sinds wanneer?’ Maanvonk hield zijn kop schuin en mompelde: ‘Gisteren is één van onze grenspatrouilles daar opgehouden door wat WindClankatten. Ze beweerden dat we de grens overgestoken waren, maar volgens mij is dat niet waar.’ Dauwspoor trok met haar oor. ‘Dat is raar. Wat heeft de WindClan er nou weer aan om een ruzie met ons te starten?’ Ze wist dat de RivierClan en de WindClan niet altijd even goed bevriend waren geweest, maar de laatste tijd was het tamelijk rustig. Dauwspoor had eigenlijk alleen nog maar vriendelijke gesprekken gevoerd tijdens haar patrouilles, zeker met de WindClankatten. Dat lijken me echt geen types om zomaar beschuldigingen in het rond te strooien.

‘We nemen de dreiging voorlopig serieus’, verklaarde Maanvonk ernstig. ‘Zolang het bij woorden blijft, onderneemt Vlekster geen actie, maar ze mogen niet aan onze krijgers komen.’ Zijn gele ogen fonkelden zorgelijk en ook Dauwspoor voelde een gespannen tinteling in haar buik bij de gedachte aan een gevecht. Een aanval is toch echt anders dan de vechttrainingen die ik heb gehad. Hopelijk komt het niet zo ver…

Hoofdstuk 2 Edit

Karpersnor Icon

‘Ga toch weg’, mompelde Zandpoot slaperig. Karperpoot slaakte een zucht in zichzelf. Die krijg ik nog niet wakker als ik water over haar heen gooi. ‘Kom op! We moeten trainen!’ drong hij geïrriteerd aan. Zandpoot knipperde even haar ogen open, maar draaide zich daarna weer om. Grommend van frustratie, beukte Karperpoot tegen haar schouder aan. ‘Sta toch op!’ Eindelijk kwam er iets van beweging in Zandpoots poten. De zandkleurige vrouwtjeskat geeuwde, likte haar rossige poten en hees zich daarna overeind. ‘Ik was helemaal vergeten dat we training hadden’, gaapte ze schuldig. ‘Sorry. Waar moeten we heen?’ Karperpoot trok boos met zijn oor. ‘We zouden met Steenvuur meegaan op patrouille. Maar die is inmiddels al vertrokken!’

Een nieuwe gestalte kwam het hol binnen. Het was Stormpoot, die vrolijk met zijn staart zwaaide. ‘Hee! Vlekster zei dat jullie met onze training mee mogen doen, als jullie willen.’ Zandpoot vloog meteen overeind. ‘Vlekster?’ echode ze. ‘Vlekster gaat onze vaardigheden beoordelen? Yes!’ Karperpoot zag hoe zijn zusje het hol uit vloog. Stormpoot bleef haar overdonderd na staren. ‘Eh… nou ja, laten we gaan.’ Voor hem is dit natuurlijk niet bijzonder, bedacht Karperpoot zich. Vlekster is zijn mentor, SterrenClan-verdomme. Hij probeerde zichzelf iets enthousiaster te maken. Als de Clanleider onder de indruk was van hem en Zandpoot, kwam hun krijgersceremonie met snelle sprongen dichterbij. Ik heb gehoord dat Natneus en Taanlicht al krijgers werden op een leeftijd van vier manen. Wij zouden dus ook elk moment onze namen kunnen ontvangen! Iets opgevrolijkt, trippelde hij het hol uit.

Vlekster en Zandpoot stonden al klaar bij de kampuitgang. De leerlinge vuurde al haar vragen op de Clanleider af, die alles geduldig beantwoordde. Hij hief zijn kop op toen Stormpoot en Karperpoot aan kwamen lopen. ‘Ha! Goedemorgen, Karperpoot!’ Karperpoot boog kort zijn kop, niet wetend wat te zeggen als antwoord. Wat klinkt het meest volwassen? Uiteindelijk ontmoette hij Vleksters blik en miauwde vastberaden: ‘Goedemorgen! Heeft u een goede nacht gehad?’ De leider snorde verrast. ‘Zeker! En ik hoop dat jullie ook een beetje geslapen hebben, want jullie zullen alle energie nodig hebben vandaag. Ik wed dat jullie voortaan nooit meer een patrouille missen!’ Hij knipoogde erbij, maar Zandpoot liet beschaamd haar kop hangen. Vlekster streek met zijn staart over haar schouder. ‘Geen zorgen hoor. Het gebeurt iedereen wel een keer. Kom, Stormpoot, ga ons maar voor naar onze geheime trainingsplek!’

Karperpoots irritatie werd meteen opgewekt bij het zien van Stormpoot, die trots voorop ging lopen. Arrogante haarbal, spuugde hij in gedachten. Meteen daarna schrok hij van zichzelf. Stormpoot is mijn vriend! Hoe zou ik reageren als Vlekster mij de leiding gaf? Precies hetzelfde, toch? Dat probeerde hij zo goed mogelijk in zijn hoofd te prenten. Toch bleef er iets van wrok woelen in zijn buik. In de Clans werd zoveel bepaald door alleen je afkomst… Karperpoot was zelf geboren als zoon van twee zwerfkatten, maar had nooit ergens anders geleefd dan in de RivierClan. De anderen moeten eens inzien dat er geen verschil is tussen mijn zusje en ik, en die Clangeboren katten als Stormpoot. Karperpoot had al meerdere keren aan moeten horen dat hij twee keer zo hard zou moeten werken om een goede status te krijgen. Dat vond hij niet erg, integendeel: het maakte hem juist sterker. Maar zelfs al deed hij duizend meer patrouilles dan Stormpoot, de vooroordelen verdwenen niet. ‘Dus,’ miauwde Vlekster om de stilte te doorbreken, ‘hoe gaat het met jullie training?’ Karperpoot luisterde zwijgend hoe Zandpoot van alles begon te vertellen over haar mentor, haar opleiding en haar vooruitgang. Zij is altijd zo positief. Zijn al die vooroordelen gewoon verbeelding? Ligt het aan mij?

Hoofdstuk 3 Edit

Bergwind Icon

Bergkit klauwde met zijn poten in het mos van opwinding. ‘Nog drie nachten tot onze leerlingenceremonie!’ piepte hij enthousiast. ‘Nog drie nachten en we weten wie onze mentoren worden!’ Zijn broertje, Algenkit, trok nerveus met zijn oren. In zijn groene ogen glinsterde verwachting, maar vooral zenuwen bij de gedachte aan het aankomende ritueel. Heeft hij er dan geen zin in? dacht Bergkit verbaasd. Eindelijk gaan we die suffe kraamkamer uit! We kunnen gaan vechten en jagen voor de Clan, naar Vergaderingen, op patrouilles… Al manenlang droomde hij van deze dag en hij kon nauwelijks geloven dat het echt zo dichtbij kwam. ‘Ik ben zo benieuwd wie mijn mentor wordt!’ ging Bergkit verder. ‘Maanvonk heeft nog geen leerling. Oh, ik hoop zo erg dat het Maanvonk is!’

Woudecho knipperde met haar ogen. ‘Het maakt niet uit wie Vlekster kiest. Alle krijgers zijn goed en verdienen een leerling, houd dat in je achterhoofd.’ Bergkit snoof. ‘Ja, maar dan mag ik toch nog wel Maanvonk willen! Hij is de commandant! Ik hoop in ieder geval niet dat ik zo’n stomme krijger als Muisjager of Miervoet krijg.’ Het flapte eruit voordat hij er erg in had en meteen had hij spijt van die uitspraak. Nu krijg ik sowieso een preek. ‘Muisjager en Miervoet zijn allebei prima krijgers!’ snauwde Woudecho. ‘Het maakt niet uit dat ze een beetje in de schaduw staan. Je zou blij moeten zijn om één van hen als mentor te krijgen.’ Bergkit legde zijn oren plat tegen zijn kop bij haar strenge toon. ‘Ik wil wel graag Muisjager’, mompelde Algenkit voorzichtig. ‘Hij is heel aardig. Het maakt me niet uit dat hij een beetje klein is.’ Woudecho’s blik verzachtte. ‘Zo mag ik het horen.’

Bergkit keek zijn broertje onderzoekend aan. Meende hij wat hij zei, of wilde hij gewoon een wit voetje halen bij Woudecho? Maar Algenkits blik was doodernstig. Ik kan hem soms echt niet begrijpen, zuchtte Bergkit in gedachten. Geeft hij meer om hoe aardig een mentor is, dan hoe populair? Iedereen weet dat de leerlingen van goede krijgers een streepje voor hebben op de rest. Hij fronste, niet wetend wat te zeggen. ‘Ik snap je wel, Bergkit’, snorde Leliesneeuw uiteindelijk. De zwartharige moederkat had al seizoenen geen jongen meer gehad, maar verbleef toch in de kraamkamer. Bergkit had dat nooit echt begrepen, al respecteerde hij het wel. Leliesneeuw was superaardig en een goede opvoeder, tenslotte. ‘Ik wilde ook heel graag een geweldige mentor’, ging de poes vriendelijk verder. ‘Maar tot nu toe heb ik nog geen enkele RivierClankat ontmoet waarvan ik denk dat die niet goed les kan geven. Je hoeft je echt geen zorgen te maken, Bergkit.’

Leliesneeuws blik was oprecht en dus voelde Bergkit zich zekerder worden. ‘Dankjewel’, spinde hij. Even was hij stil, maar hij kon het niet laten om eraan toe te voegen: ‘En toch wil ik Maanvonk het liefst als mentor.’ De twee moederkatten wisselden geamuseerde blikken. ‘Iedereen heeft natuurlijk een voorkeur’, gaf Woudecho toe. ‘En Maanvonk is een goede kat. We zullen het wel zien.’ Ze was nog niet uitgesproken of er klonken pootstappen buiten. Bergkit snorde verrukt toen zijn zusje, Woekerkit, en Wilgenkit binnenkwamen, hun ogen stralend. Wilgenkit kwam niet uit hetzelfde nest, ze was een vondeling, maar voor Bergkit voelde ze wel als een tweede zusje. ‘Wij zijn in het leerlingenhol geweest!’ pochte Woekerkit. ‘Er is heel veel plek. Wij claimen alvast een nest naast Stormpoot!’ De twee giechelden. Geweldig. Die twee zijn al helemaal hoteldebotel van Stormpoot en nu gaan we ook nog met hem in een hol slapen! ‘Stomme poezen’, miauwde Bergkit halfhartig tegen Algenkit. Die schonk hem een glimlachje. ‘Stormpoot is ook wel aantrekkelijk.’ Meteen sprong Wilgenkit op. ‘Wel aantrekkelijk? Hij is zó knap! En ik heb gehoord dat hij de beste leerling is!’ Bergkit rolde met zijn ogen en liep het hol uit. Ik ga ook maar vast een plek uitzoeken. Want over drie dagen ben ik een leerling!

Hoofdstuk 4 Edit

IJsduiker Icon

Het dichte sparrenbos was duister. De warmte van Groenblad hing in de lucht, al was het hier veel beter uit te staan dan in de open moerassen. ‘Ik heb nog nooit zoveel prooi bij elkaar gezien’, merkte IJspoot op. ‘We zijn pas net vertrokken en hebben nu al zoveel gevangen!’ Haar mentor, Cedergrom, snorde instemmend. ‘Ja, Groenblad brengt altijd veel voedsel. Helaas wordt het met de dag warmer. Geloof me, over een tijdje wordt het ’s middags te heet om te jagen.’ IJspoot trok met haar oor. ‘Betekent dat vroeg opstaan?’ Cedergrom gaf haar een plagerig duwtje. ‘Ja, maar ook later naar je nest.’

Ze waren op patrouille met z’n vieren: IJspoot, Cedergrom, Vospoot en zijn mentor: Doornflint. IJspoot genoot intens van de schaduwen die de bomen wierpen. Met haar dikke vacht was de felle zon niet altijd een pretje, maar daar stond tegenover dat het haar beschutte tegen de kou van Bladkaal. Als Vospoot en ik kortharig waren, hadden we onze eerste levensdagen misschien niet overleefd, bedacht ze zich grimmig. Zij en haar broertje waren middenin een strenge Bladkaal geboren, die het leven had gekost van twee kittens en een oudste. IJspoot had nog vage herinneringen aan een ijskoud sneeuwlandschap en de uitbraak van Groenhoest. Hoewel ze zich niet meer voor de geest kon halen hoe dat had gevoeld, wist ze zeker dat Groenblad een fijner seizoen was. Een tijdperk zonder dood en prooigebrek.

‘Ik ken een mop!’ snorde Vospoot en verbrak daarmee het ijzige zwijgen. Een grote grijns tekende zich af op zijn spitse snuit en zijn dikke, platte staart zwiepte op en neer. ‘Vlekster en Sintelster komen aan bij een beekje. Dan zegt Vlekster tegen Sintelster: help je even met wassen? Ik krijg die vlekken er niet af!’ IJspoot glimlachte breed. Doornflint probeerde duidelijk zijn lachen in te houden en trok een statig gezicht, maar er kwam een soort verstikt geluid uit zijn keel. ‘Dit is een serieuze jachtpatrouille’, miauwde Cedergrom streng. ‘Het is niet de bedoeling dat we hier grappen maken, Vospoot. Concentreer je liever op het vangen van prooi voor de Clan.’ Doornflint gaf zichzelf een paar beschaamde likken over zijn schouder en sprak zijn leerling toe: ‘Cedergrom heeft gelijk. Als je ooit een SchaduwClankrijger wilt worden, moet je je ook als één van hun gedragen.’

Vospoot keek beteuterd naar zijn poten. ‘Ja, Doornflint’, mokte hij. ‘Ik wilde alleen een beetje lol maken.’ De goudbruine kater knipperde vriendelijk met zijn ogen. ‘Maakt niet uit. Als we genoeg prooi vangen, kun je in het kamp de rest van de dag keten.’ IJspoot zag opgelucht hoe haar broertje een wat serieuzer gezicht opzette. ‘Oké. Je kunt op me rekenen.’ Doornflint gaf hem een goedkeurend knikje en trippelde toen verder, zijn kin hoog opgeheven. ‘Hij is een beetje verwaand, hè?’ siste Cedergrom geamuseerd in IJspoots oor. Ze keek verrast op. Ik wist niet dat hij er hetzelfde over dacht als ik. De magere, bruine kater gaf haar goedgehumeurd een knipoog en nam plaats aan Doornflints zijde. IJspoot versnelde meteen haar tempo; ze wilde niet achterlopen.

‘Dus, waar gaan we heen?’ vroeg ze zakelijk aan de twee krijgers. ‘Bij de Gezonken Sparren zijn veel kikkers’, verklaarde Doornflint als antwoord. ‘En met een beetje geluk, vangen we ook nog een vogel. Samen met onze prooien van net, is dat genoeg om mee thuis te komen.’ Vospoot maakte een triomfantelijke luchtsprong. ‘Geweldig! We zijn nog nooit zo snel klaar geweest!’ Doornflint grimaste. ‘Eerst zien, dan geloven, jonkie. Misschien hebben we pech bij de Gezonken Sparren en moeten we nog wat langer door.’ Vospoot leek het niet te deren, want hij spurtte opgewonden vooruit. IJspoot onderdrukte een zucht. Zo jaagt hij alle prooi weg. Ze zag aan Cedergroms geïrriteerde gezicht dat hij daar ook bang voor was. Na een maan van training zou Vospoot ook beter moeten weten, zo concludeerde IJspoot boos. Waarom was het geheugen van haar broertje net kippengaas?

Hoofdstuk 5 Edit

Dauwspoor Icon

Het was al een stuk levendiger in het kamp toen Dauwspoor terugkwam van haar vispartij. Ze had succes gehad; de rivier stond laag door het verdampende water, maar er zat nog genoeg vis in. Als ik nog wat langer was gebleven, had ik veel meer gevangen dan twee forellen, bedacht ze zich een beetje schuldig. Maar ja, ik moest toch op tijd terug zijn voor de ochtendpatrouilles. ‘Goede vangst!’ hoorde ze Strosnor, één van de oudere krijgers, miauwen. Dauwspoors borst zwol op van trots en ze gaf hem een dankbaar knikje. ‘Wilt u er misschien één?’ vroeg ze uiteindelijk. Strosnor sprong vrolijk op met de souplesse van een veel jongere kat. ‘Graag! Dat is erg aardig van je.’ De grijze kater nam de forel aan en begon die genietend op te eten. Het is geweldig om anderen blij te maken.

‘Dauwspoor!’ riep Maanvonk vanaf de Natte Rots. ‘Jij sluit je aan bij Klaverstaps patrouille. Maak je borst maar alvast nat, want jullie gaan naar de WindClangrens vandaag.’ Dauwspoor liet haar overgebleven vis op de hoop verse prooi vallen. Dat wordt een moeilijke patrouille. Haar ogen gleden even snel over de andere katten die Maanvonk had uitgekozen: Klaverstap zelf, Kalmschijn en Natneus. Drie van de meest rustige krijgers, besefte ze. Hij wil duidelijk geen schermutseling met de WindClan, dus stuurt hij ons. Dauwspoor boog even haar kop en sloot zich achteraan de patrouille aan, die in een kalm tempo vertrok.

‘Dus het was jouw patrouille die in de hinderlaag liep?’ vroeg Klaverstap aan Kalmschijn. De roodbruine kater trok met zijn snorharen. ‘Het was geen hinderlaag’, protesteerde hij. ‘Ze wachtten ons gewoon op bij de grens en maakten ons uit voor indringers. Roofsprint zei dat ze RivierClanmarkeringen hadden geroken in hun territorium.’ Dauwspoor spitste geïnteresseerd haar oren bij dit nieuwe detail. ‘Dat is toch geen bewijs?’ miauwde ze tegen de andere leden van de patrouille. ‘Ik bedoel, geurmarkeringen zeggen niks over dat wij er echt geweest zijn. Bovendien zou geen kat zo stom zijn om te sproeien tijdens een stiekeme operatie.’ Klaverstap hield haar kop vragend schuin. ‘Dus wat wil je daarmee zeggen?’

Dauwspoor voelde de vacht achter haar oren warm worden. Ja, ze vertrouwde haar Clangenoten door en door, maar ze kon niet honderd procent erop vertrouwen dat niemand zo brutaal was geweest om markeringen achter te laten. Toch was ze bereid om de gok te wagen. ‘Nou…’ begon ze voorzichtig. ‘Iemand kan in onze grensgeur zijn gerold en vervolgens het Windterritorium in zijn gegaan.’ Die optie werd met een geschokte stilte ontvangen. ‘Iemand die oorlog wil tussen onze Clans’, vulde Natneus haar nadenkend aan. ‘Dat klinkt best logisch. Alleen kan ik niemand bedenken die daar baat bij zou hebben.’ Dauwspoor haalde haar schouders op. ‘Het kan ook gewoon een echte indringer zijn die de schuld in onze poten wil schuiven. Ik denk in ieder geval dat de WindClan niet zomaar dingen verzint.’ Klaverstap gebaarde met haar kop dat ze door moesten lopen. Ondertussen nam Natneus een plaats in naast Dauwspoor, zijn ogen bewolkt met zorgen. ‘Ik hoop maar dat de WindClan gewoon uit is op problemen’, zuchtte de zwart-witte kater. ‘Anders is er een bijzonder slimme indringer bezig. Eentje die precies in de gaten heeft hoe het Clanleven werkt.’

‘Ach, houd toch op met speculeren!’ riep Klaverstap geïrriteerd uit. ‘Het is te vroeg om zomaar dingen aan te nemen. En als er werkelijk een indringer is, dan is dat een probleem van de WindClan, niet van ons.’ Dauwspoor wisselde een berouwvolle blik met Natneus. ‘Sorry, Klaverstap’, mompelde ze. ‘We zullen hopelijk meer te weten komen bij de WindClangrens.’ De grijs gestreepte poes knikte stijfjes en begon door te lopen. De angst in haar ogen was Dauwspoor echter niet ontgaan: Klaverstap was minstens zo bang als Natneus. Dit grensconflict kon nog weleens een vervelend staartje krijgen.

Hoofdstuk 6 Edit

Karpersnor Icon

De training met Vlekster was best interessant geweest, zo vond Karperpoot. De Clanleider had een aparte vechtstijl die meer gefocust was op kracht en minder op manoeuvres, terwijl dat juist hetgeen was wat RivierClankatten veel gebruikten in gevechten. Karperpoot zou zeker onthouden wat hij vandaag had geleerd. Tenslotte was hij zelf ook best sterk en kon deze techniek in zijn voordeel werken. En Stormpoot stal natuurlijk weer de show… De vacht van de zwartwit gevlekte leerling was aan het einde helemaal vies en in de klit geweest, zo erg had hij zich uitgesloofd tijdens de training. Hoewel Vlekster duidelijk had geprobeerd om alle drie de leerlingen evenveel aandacht te schenken, was Stormpoot opvallend vaak gecomplimenteerd. Hij was dan ook de beste, moest Karperpoot toegeven. Het is duidelijk dat vechten echt zijn talent is. Ik ben beter in jagen. Dat was dan ook de reden dat hij op een solo-jacht was gegaan, terwijl de anderen allang teruggekeerd waren.

Toen hij terugkwam in het kamp, wachtte hem een onaangename verrassing. Een grote, grijze kater zat voor de ingang, zijn ogen boos tot spleetjes geknepen. Oh nee, Tortelpels… ‘Zo!’ verklaarde Tortelpels op hoge toon. ‘Waarom kwam jij niet opdagen voor je patrouille? Steenvuur zei dat hij zonder je was vertrokken!’ Karperpoot legde zijn oren plat tegen zijn kop. Hij haatte het om de schuld op anderen af te schuiven, maar dit was echt te oneerlijk! ‘Zandpoot werd niet wakker’, gromde hij en staarde zijn mentor indringend aan. Tortelpels gaf geen krimp. ‘Dat is mijn probleem niet’, snauwde de grijze kater uiteindelijk. ‘Zandpoot is Schemerstaarts leerling, niet de mijne. Je had zonder haar moeten gaan. Steenvuur is een toegewijde krijger, hij heeft het de hele dag druk en nu moest hij tijd verspillen om op een leerling te wachten die nooit kwam opdagen!’ Hulpeloos keek Karperpoot om zich heen, maar iedereen die het gesprek hoorde, keek gewoon geïnteresseerd hoe het af ging lopen. Ik moet ook altijd alles alleen doen!

‘Het spijt me’, knarsetandde hij. Tortelpels grauwde. ‘Ik heb nog nooit een “spijt” op patrouille zien gaan! Je moet het maar goedmaken, Karperpoot.’ Karperpoot schuifelde met zijn poten. ‘Ik ga wel voor de oudsten zorgen’, mompelde hij bedroefd. Wedden dat Zandpoot niet zo’n straf krijgt? Schemerstaart is veel vriendelijker dan die stomme Tortelpels. Verslagen slenterde hij richting het oudstenhol. ‘Doe niet zo zielig en gedraag je als een krijger!’ hoorde hij Tortelpels nog roepen. Waarom zou ik? Ik heb niet de rechten van een krijger, dus waarom moet ik me wel zo gedragen?

‘Aha. Karperpoot’, murmelde Bruinwilg als begroeting. Zijn stem werd met de dag heser, zo merkte Karperpoot, alsof de bejaarde kater moeite kreeg met praten. Hij is dan ook héél oud. Nog ouder dan Morgenster, onze vorige Clanleider. ‘Goedemiddag’, zei hij terug op vlakke toon. ‘Ik moest jullie komen verzorgen. Is er iets wat ik kan doen?’ IJzelklauw, een wat jongere oudste, rekte zich uit. ‘Heb je je in de nesten gewerkt?’ Zijn stem klonk aardig, dus Karperpoot ging behoedzaam zitten. ‘Tortelpels is kwaad op me. Ik kwam niet opdagen voor Steenvuurs patrouille.’ IJzelklauw keek hem geïnteresseerd aan. ‘Oh ja, zoiets had ik meegekregen… Steenvuur was best boos. Niet dat dat bijzonder is, die kater heeft altijd wel wat te klagen.’ Karperpoot voelde zich enigszins gesterkt door de opmerking van de oudste. ‘Je moet het Tortelpels ook niet kwalijk nemen’, ging IJzelklauw verder. ‘Niemand wil een verklaring afleggen bij Steenvuur. En Tortelpels is je mentor, dus hij is verantwoordelijk voor je. Als jij iets goeds doet, wordt hij erom geprezen, maar als jij een fout maakt, is dat ook gedeeltelijk zijn schuld.’ Karperpoot knikte langzaam. ‘Dank u wel. Zo had ik het nog niet bekeken.’ IJzelklauw geeuwde en schonk hem een glimlach. ‘Geen dank hoor. Als hij in een goed humeur is, moet je het maar weer goed maken. Blaffende honden bijten niet.’ Tortelpels heeft zijn redenen… maar waarom trek ik het me dan zo persoonlijk aan?

Hoofdstuk 7 Edit

Bergwind Icon

Eindelijk is deze dag voorbij, dacht Bergkit opgelucht. Nu zijn leerlingenceremonie dichterbij kwam, leek elke tel wel manen te duren. Eindelijk was de avond ingevallen en hij verheugde zich erop om te gaan slapen. Want als ik morgen wakker word, hoef ik nog maar twee nachten tot ik mijn leerlingennaam krijg! Hij zag dat de opwinding ook van Woekerkit en Wilgenkit afkwam. De twee poezen wasten elkaars vacht, terwijl ze met gedempte stemmen kletsten. Bergkit had de vriendschap tussen de twee altijd bewonderd. Wilgenkit werd ongeveer een maan ouder geschat dan hemzelf en zijn nestgenoten, maar het lichtrode poesje had erop gestaan dat ze tegelijkertijd een leerling werd met Woekerkit. Bergkit had ook een sterke band met zijn broer en zus en toch wist hij dat hij nooit langer voor hen zou wachten. Ik zou graag zoals Wilgenkit zijn, bedacht hij zich, maar ik ben gewoon anders.

Hij sloeg zijn staart over zijn neus, vastberaden om snel in slaap te vallen. Net toen hij een beetje begon te dommelen, kwam Dasneus de kraamkamer binnen, zijn ogen wijd open van schok. Dasneus was de enige vaderkat van de RivierClan: eigenlijk hetzelfde als een moederkat, maar dan was hij een kater. En hij is Wilgenkits pleegvader. Bij die gedachte gleed Bergkits blik richting Wilgenkit. De lichtrode kitten wiebelde nerveus met haar oren, kennelijk geschrokken door Dasneus’ binnenkomst. ‘Er is iets mis’, hoorde Bergkit haar angstig fluisteren. ‘Dasneus doet anders nooit zo.’

De zwartwit gevlekte kater boog zich richting Woudecho en murmelde een paar woordjes. De ogen van de moederkat werden groot. Grote SterrenClan, wat is er aan de hand? Bergkit sprong overeind en wendde zich tot zijn moeder. ‘Mam, wat is er?’ Woudecho wisselde een blik met Dasneus, waarna ze een lange zucht slaakte. ‘Er is iets heel ergs gebeurd. De WindClan heeft één van onze avondpatrouilles aangevallen.’ Wat?! Hoe durven ze! dacht Bergkit ongelovig. ‘Wie waren er in de patrouille? Zijn er gewonden?’ vroeg Leliesneeuw dringend. Dasneus liet zijn kop hangen. ‘Vissenschub leidde hem. Hij is gewond, al denk ik niet dat het ernstig is. Ik weet niet precies wie er nog meer mee waren, maar niemand is zonder een paar krassen thuis gekomen.’

Bergkit keek Woudecho opgewonden aan. ‘Wat gaan we nu doen? Gaan we vechten?’ Zijn moeder fronste. ‘Dat is aan Vlekster om te beslissen. Maar als ik eerlijk mag zijn, denk ik niet dat hij dit zomaar gaat negeren.’ Wauw! We gaan de WindClan terugpakken! Enthousiast sprong hij op. ‘Een oorlog! Vet gaaf!’ Hij zag Woekerkit nieuwsgierig omhoog komen. ‘Zijn wij vroeg genoeg leerlingen om mee te doen met het gevecht?’ vroeg het wit-bruin gevlekte poesje. Woudecho keek haar jongen kopschuddend aan. ‘Geen sprake van. En oorlog is niet leuk. We vechten alleen als het niet anders kan en daarbij zetten we zeker niet de levens van ongetrainde katten op het spel.’ Bergkit had niet anders verwacht. Toch voelde hij een zweem van teleurstelling, alsof iemand een sappig stukje prooi net voor zijn neus weg had gegrist. Nu komt er eindelijk een gevecht en dan ben ik te jong! Waarom kan dit niet wachten totdat ik een leerling ben?

‘Ik ga Heemstveer helpen’, verklaarde Dasneus kordaat. ‘Hij heeft me vast nodig.’ Wilgenkit stapte meteen op haar pleegvader af. ‘Mag ik mee?’ Even leek Dasneus nog te twijfelen, maar toch schudde hij zijn kop. ‘Nee, dat lijkt me niet zo handig. Ik heb medicijntraining gehad, dus ik loop daar niet in de weg. Ik denk niet dat Heemstveer kittens in het medicijnhol wil hebben.’ Wilgenkit keek even beteuterd. Dasneus snorde opbeurend en gaf haar een neusje. ‘Weet je wat, ga maar een stuk prooi halen voor de gewonden’, stelde hij voor. ‘Daar zullen ze vast blij mee zijn.’ Bergkit voelde nog steeds de opwinding toen Dasneus en Wilgenkit de kraamkamer verlieten, maar de ernstige blik van Woudecho deed hem al snel beseffen dat de WindClanaanval een voorteken van rampspoed was.

Hoofdstuk 8 Edit

IJsduiker Icon

Een lichtgevende deken van sterren had zich over de hemel uitgevouwen. De lichtpuntjes fonkelden uitnodigend, alsof ze katten vroegen om naar hun te kijken en alle gestorven katten te eren. IJspoot kende eigenlijk niet veel dierbaren die overleden waren. Ze wist dat twee van Melissevachts kittens Bladkaal niet overleefd hadden, maar zij waren zo klein geweest dat er geen band tussen hen en IJspoot kon ontstaan. Rust in vrede, bedacht ze zich dan maar. Waak over jullie nestgenootjes. Ze zag dat om haar heen meer katten de doden herdachten. Edelpoot, de oudste leerling, had een sombere blik terwijl hij naar de sterren keek. Hij moet denken aan Leeuwenstap, dacht IJspoot, zijn vroegere mentor. Ik zou Cedergrom nooit kunnen verruilen voor iemand anders. Maar Edelpoot en Schaapbont zijn nu best hecht.

‘Kom je naar binnen?’ murmelde Vospoot. ‘Morgen moeten we weer vroeg op. Doornflint en Cedergrom willen gevechtstraining doen.’ IJspoot rukte haar blik los van de rouwende Edelpoot en trippelde het leerlingenhol binnen. Ze ontwaarde een grote, donker gekleurde gestalte aan de rand: Schaduwpoot. Die kater was een geval apart. Hij was een goede leerling, met veel kracht in zijn spieren en een prima techniek. Schaduwpoot vond de vecht- en jachttrainingen leuk, super zelfs, maar hij had IJspoot al meerdere keren toevertrouwd dat hij net zo lief naar verhalen van de oudsten luisterde of zich nuttig maakte in het kamp, bijvoorbeeld door het bouwen van holen.

‘Goedenavond!’ snorde Schaduwpoot opgewekt. ‘Hoe gaat het met jullie?’ Vospoot zocht een comfortabele houding, waarbij hij zijn platte staart over zijn poten sloeg. ‘Goed!’ miauwde de roodbruine kater. ‘We hebben vandaag een jachtpatrouille gedaan. Ik had nog nooit zoveel prooi gevangen!’ IJspoot voelde een vlaag van trots voor haar broer, maar ze kon het feit niet ontkennen dat Vospoot verreweg het minste had buitgemaakt van de vier patrouilleleden. Zelfs zij had twee kikkers meer weten te vangen. Ach, het is alsnog best goed voor een leerling, bedacht ze zich overtuigd. En we hoeven ook niet met een overvloed aan prooi aan te komen. Er is nu precies genoeg voor elke kat. ‘Ja, ik vond het ook erg leuk’, voegde ze er snel aan toe, toen ze merkte dat Schaduwpoot naar haar keek. ‘We hebben weer heel veel nieuwe technieken geleerd.’ De donkergrijze kater spinde luid en begon één van zijn brede poten te wassen. Zijn lange haren in zijn nek golfden daarbij op en neer als een rivier. ‘Dat klinkt inderdaad als een mooie dag.’ Hij was even stil. ‘En, Vospoot, heb jij nog poezen op het oog?’

Vospoot krabbelde geschrokken achteruit en vouwde zijn kleine oren naar achteren. ‘Eh, nee? Wat was dat nou weer voor vraag’, klaagde hij. IJspoot glimlachte toen ze zag hoe aangevallen haar broer zich duidelijk voelde. Hij heeft dus wel een stiekeme liefde. ‘Nou, vertel ons, wie is het?’ drong Schaduwpoot aan. Vospoot keek schichtig om zich heen, alsof hij wilde controleren of niemand mee keek. ‘Nou ja… Tijgerzwam is best knap’, gaf hij voorzichtig toe. Tijgerzwam! Mijn broer neemt duidelijk alleen genoegen met de knapste katten van de Clan… ‘Haha, ze heeft nog geen partner, dus ga ervoor zou ik zeggen’, grapte Schaduwpoot. Vospoot schuifelde oncomfortabel met zijn lange poten. ‘Eerst wil ik een krijger zijn. Leerlingen beginnen geen relaties.’ Opeens voelde IJspoot Schaduwpoots blik branden in haar pels. ‘Oh nee?’ vroeg de oudere leerling verbaasd. Zijn gele ogen hadden een diep geïnteresseerde blik toen hij elke muislengte van IJspoots gestreepte vacht afspeurde. Oh grote SterrenClan, bedacht ze zich ongemakkelijk. Vindt Schaduwpoot me leuk?

Hoofdstuk 9 Edit

Dauwspoor Icon

‘Laat alle katten van de RivierClan zich onderaan de Natte Rots verzamelen voor een Clanvergadering!’ Dauwspoor keek op van haar maaltijd en zag Vlekster op het rotsblok staan, zijn brede, puntige schouders afstekend tegen de schemering. De Clanleider keek kalm neer op het kamp. De andere katten waren wel bezorgd; Dauwspoor zag dat aan hun behoedzame blikken en plotselinge bewegingen van hun oren en staart. Niet gek, want dit was de eerste aanval in manen en de RivierClankatten leken allemaal een beetje onwennig. Alles ging net zo soepel in de Clans, dacht ze benauwd. De WindClan zal toch niet zoveel levens op het spel zetten door ons vaker aan te vallen?

Dauwspoor haastte zich richting de Natte Rots. Haar ouders, Zwemvleugel en Schemerstaart, zaten op de voorste rij. Ze maakte zich zo dun mogelijk en wurmde zich door de menigte heen, waarna ze bij de twee krijgers ging zitten. ‘Hoe is het met Muisjager?’ vroeg Dauwspoor bezorgd. Muisjager was één van de katten geweest die zich in de fatale patrouille had bevonden. Dauwspoor was graag bij haar broer langs gegaan, maar ze had teveel patrouilles vandaag en bovendien was het stampvol in het medicijnhol. ‘Het gaat goed met hem’, snorde Zwemvleugel opgelucht. ‘Hij heeft een lelijke kras op zijn flank, maar Heemstveer denkt dat hij morgen weer lichte krijgerstaken kan gaan doen.’ Dauwspoors hart leek meteen een dassengewicht minder zwaar te worden. Gelukkig niks ernstigs!

‘Clangenoten’, begon Vlekster de Vergadering. ‘Gisteravond zijn sommige van onze katten in een vuile list van de WindClan getrapt. Vissenschub, wil jij vertellen wat er gisteren met jou en je patrouille gebeurde?’ Vissenschub hees zichzelf moeizaam overeind. Dauwspoor zag een flits van pijn door zijn ogen schieten, maar de stem van de oudere krijgskat klonk vast toen hij begon te spreken. ‘Bij de WindClangrens stonden een paar katten al op ons te wachten.’ Vissenschub pauzeerde even, alsof de herinnering hem teveel pijn deed. ‘Hun leider, Haasjager, zei dat ze opnieuw onze geur in hun gebied hadden geroken. Ik-ik zei dat ik niet wist hoe dat kwam en dat ze ons niet vals moesten beschuldigen. Toen hoorden we geluid en bleek dat er een tweede groep krijgers in de struiken achter ons verstopt zat.’ Hij liet zijn kop hangen. ‘Het was een ongelijke strijd. We hebben geluk gehad dat we konden wegkomen en nog meer geluk dat er geen leerlingen mee waren.’

Vleksters ogen fonkelden van woede. ‘Jullie snappen natuurlijk dat ik zo’n laffe aanval niet kan tolereren’, grauwde de Clanleider. ‘Wij zijn geen indringers. Ik vertrouw jullie allemaal door en door en hoop niet dat iemand van jullie zo stom is om markeringen aan te leggen in hun territorium.’ Hij liet zijn doordringende blik door de menigte glijden. Er werden wat wantrouwende blikken gewisseld in de groep, alsof de krijgers elkaar onderling beschuldigden. Dauwspoor zag hoe enkele katten behoedzaam naar haar vriendin, Taanlicht, keken. De rood-wit gevlekte poes had een reputatie dat ze het niet zo nauw nam met de regels, maar zo’n brutale overtreding van de krijgscode? Dauwspoor zag haar er echt niet voor aan.

‘Ik heb besloten om vanmiddag een tegenaanval te doen’, ging Vlekster zelfverzekerd verder. ‘Zie het niet als een wraakactie, maar als een waarschuwing. We laten ze zien dat ze ons dit niet kunnen flikken!’ Hij zwiepte met zijn dik geworden staart. ‘Ik leid de aanval en ik neem Steenvuur, Schorspluim, Bosbesvlek, Taanlicht en Dauwspoor mee. Voor de rest kies ik Zandpoot uit.’ Er klonk ongelovig gemurmel. ‘Een leerling bij zo’n operatie?’ kraakte Bruinwilgs stem. Vlekster maande de menigte tot stilte. ‘Ze gaat alleen meekijken. Als de aanval mislukt, haalt zij versterking. Maanvonk zal haar inlichten waar ze de dichtstbijzijnde patrouilles kan vinden.’ Dauwspoors maag draaide zich om. We gaan dus toch vechten... en ik ga mee. Maar wat als de WindClan echt wanhopig is? Wat als er een echte indringer aan het werk is?

Hoofdstuk 10 Edit

Karpersnor Icon

Karperpoot keek machteloos toe hoe de laatste, schemerige tinten roze verdwenen. De middag kwam onverbiddelijk dichterbij en even wenste hij dat hij de zon kon laten stoppen met rijzen. Dat gaat niet, dacht hij boos. Dan zou ik mijn poten branden. Hij keek hoe de gevechtspatrouille zich verzamelde. Karperpoot wist niet de exacte details over het aanvalsplan, maar de gedachte dat zijn zusje niet de strijd in ging, stelde hem enigszins gerust. Zandpoot was een snelle renner. Ze zou binnen een mum van tijd versterkingen kunnen oproepen en zo de anderen redden. Ik hoop ergens wel dat ze de kans daarvoor krijgt, dacht Karperpoot met iets van schuld. Dan ziet Vlekster in dat ze klaar is om een krijger te worden. En wie weet verdienen Stormpoot en ik ook onze namen.

Hij besefte dat dit zijn laatste kans was om met Zandpoot te spreken. De bleekgekleurde poes likte over haar vacht, zenuwen en opwinding fonkelend in haar ogen. Nerveus liep Karperpoot op haar af. ‘Hee,’ begroette hij haar ongemakkelijk, ‘doe je wel voorzichtig?’ Zandpoot snorde hoog. ‘Tuurlijk! Ik hoef niet eens te vechten, joh. Je hoeft je geen zorgen te maken.’ Karperpoot haalde zijn schouders op. ‘Je weet het nooit met die andere Clans. Wie weet met hoeveel ze zijn.’ Zijn zus’ blik verzachtte. ‘Ik ben terug voordat je “muis” kunt zeggen’, murmelde ze troostend. Karperpoot fronste. ‘Muis.’ Zandpoot lachte breed en gaf hem een tikje met haar staart, voordat ze op Stormpoot af sprintte.

‘Katten, we vertrekken!’ riep Vlekster uit en beende richting de kampuitgang. Karperpoot gaf Zandpoot nog een knikje als afscheid en voelde een kleine steek in zijn hart toen de zandkleurige poes uit het zicht verdween. Hoe kan iedereen zo relaxed hierover zijn? vroeg hij zich onwillekeurig af. Zandpoot gaat niet eens vechten, maar die krijgers wel. En iedereen lijkt gewoon vrolijk? Hij richtte zich tot Stormpoot. ‘Vind jij het geen gekke gedachte dat ze niet meer terug kunnen keren?’ Stormpoot grimaste. ‘Vertel mij wat. Mijn ouders waren van de ene op de andere dag weg.’ Hoewel hij er nonchalant over sprak, glinsterde er een spoor van oud verdriet in zijn ogen. Stormpoots ouders waren niet dood; ze waren vertrokken naar een ver weg levende groep. Karperpoot wist er het fijne niet van, al herinnerde hij zich dat commandant Ringstaart, Stormpoots vader, uitverkoren was om de nieuwe leider van die groep te worden. Zandpoot en ik zijn opgegroeid zonder vader, bedacht hij zich bedroefd, maar wij hadden Kolibrie nog. En zij is de beste moeder die we ons kunnen wensen.

Kolibrie leek niet zo in te zitten over Zandpoot. Haar ogen glommen van vertrouwen toen ze zich aansloot bij een jachtpatrouille, druk kletsend met Vuurceder. Karperpoot zette zijn eigen bezorgdheid van zich af en keek Stormpoot aan. ‘Zullen wij ook maar vragen of we iets kunnen doen?’ De zwartwit gevlekte kater gaf hem een kameraadschappelijk duwtje. ‘Goed idee. Maanvonk kan ons vast wel gebruiken.’ Terwijl de leerling vooruit spurtte, zocht Karperpoot het kamp af. Waar is Tortelpels nou weer? Het gebeurde wel vaker dat zijn mentor zomaar weg was. Nou ja zeg. Als ik verdwijn, krijg ik op mijn donder, maar als Tortelpels weg is, zegt iedereen dat het komt door zijn “impulsiviteit”. Geïrriteerd trippelde hij Stormpoot achterna.

‘Kijk, dat is nou een goede houding’, hoorde Karperpoot Maanvonk miauwen. ‘Jij bent een toegewijde Clankat, Stormpoot. Het wordt tijd dat je wat meer verantwoordelijkheid krijgt.’ Karperpoots vacht rees overeind van ergernis. Stormpoot krijgt altijd alle lof! ‘Bedankt,’ snorde de zwartwit gevlekte leerling beleefd, ‘maar eigenlijk was het Karperpoot die bedacht dat we iets moesten gaan doen.’ Karperpoot voelde zich heet worden van woede toen hij een flits van verrassing door Maanvonks ogen zag schieten. ‘Ik ga jagen’, snauwde hij tegen de commandant en rende weg, Stormpoots bezorgde uitroepen negerend.

Hoofdstuk 11 Edit

Dauwspoor Icon

Stekelige bladeren prikten in Dauwspoors korte vacht. Ze had het gevoel dat ze bij elke beweging, elk trekje van haar snorharen, de verstopte patrouille zou verraden en hield daarom haar adem haast in. Boven haar hoofd bevond zich Zandpoot. De leerlinge was in een hoge boom geklommen en zat nu verscholen achter het bladerdek, zodat de WindClan haar niet zou zien. Dauwspoor slikte hoorbaar. Mij zullen ze straks wel zien. En dan moet ik vechten. Het zou haar eerste keer worden. Ze was pas net klaar met haar training, dus alle vechtbewegingen lagen nog goed in haar geheugen, maar ze wist niet of ze zich nog iets daarvan zou herinneren in het heetst van de strijd. Nerveus wachtte ze af in de struik, de warme pelzen van Taanlicht en Steenvuur naast haar.

Opeens klonken er pootstappen dichtbij. Dauwspoor maakte zich nog iets kleiner en probeerde niet te kokhalzen bij de stank van eendenpoep. We moesten onze geur toch ergens mee camoufleren, bedacht ze zich een beetje gegeneerd. Toen focuste ze zich weer op de aankomende WindClankatten. Het waren er ook vijf, twee meer dan Vlekster verwacht had, dus het zou een eerlijke strijd worden. Dauwspoor voelde brandend maagzuur opkomen in haar keel. Ze wilde niet vechten. Ze wilde deze katten geen pijn doen, zeker niet als ze echt de waarheid spraken. Orders zijn orders. Die drie woorden galmden door haar heen. Wilde ze een trouwe RivierClankrijger zijn? Ja. Elke loyale kat volgde de bevelen van zijn leider op, dat was gewoon hoe het werkte.

‘Het stinkt hier!’ bracht een kleine, grijsgekleurde leerling uit. Een al wat oudere, grijze poes, vermoedelijk zijn mentor, verstijfde middenin een looppas. Dauwspoors hart leek uit haar lichaam te racen van schrik. Ze heeft het door! De WindClan is de snelste Clan van het woud; ze zullen wegrennen als we nu niet… ‘Aanvallen!’ brulde Vlekster en maakte daarmee haar gedachte perfect af. De Clanleider stormde uit de bosjes, die nu door elkaar schudden alsof de aarde beefde. Naast haar voelde Dauwspoor hoe ook Taanlicht en Steenvuur het gevecht in renden. Nu was het haar beurt. Een instinctieve strijdkreet slakend, verliet ze het veilige struikgewas.

De WindClankatten keken paniekerig om zich heen, maar er was geen beschutting. De schok verlamde hun poten en toen ze eindelijk in staat waren om weg te rennen, waren ze al omsingeld. Dauwspoors eergevoel verdween als ijs in Nieuwblad. Dit is zo’n laffe aanval! Vlekster grauwde en sprong op een kleine lapjespoes af, die ze herkende als Lappenvacht. Ook haar Clangenoten hadden inmiddels tegenstanders gevonden en vlogen op de WindClankrijgers af, hun tanden fonkelend in de middagzon. De jonge leerling zat middenin het geweld. Hij probeerde duidelijk weg te komen en zijn smalle, wollige gezicht straalde doodsangst uit. Zijn plompe poten roffelden over de heidegrond toen hij weg sprintte – recht in de klauwen van Steenvuur. De oudere RivierClankrijger drukte zijn slachtoffer tegen de aarde, maar zijn blik verzachtte vrijwel meteen. ‘Wegwezen’, gromde de bruin gestreepte kater halfhartig. ‘Dit is niet jouw gevecht – nog niet.’

Dauwspoor wilde zien of de leerling zichzelf in veiligheid had gebracht. Ze had nu echter andere dingen aan haar hoofd; een magere, grijs gevlekte kater spurtte op haar af. Dauwspoor krijste uitdagend en zette zich schrap om hem te bespringen. Ze hief een voorpoot op, klaar om de kater aan te vallen, maar toen gebeurde er iets vreemds. Haar poot blokkeerde. Haar spieren weigerden dienst, alsof ze op haar voorpoot had geslapen en er nu geen gevoel meer in had. Dauwspoor voelde paniek door zich heen stromen. Wat gebeurt er? Ik moet mezelf verdedigen! Toen ze naar haar tegenstander uithaalde, gleden haar klauwen vanzelf weer in. Ze gaf de kater een slag met haar ruwe zoolkussentje. Hij lachte schamper. ‘Wauw! Dat kietelt, vissenvreter!’ Nee! Nee, wat is er aan de hand?!

Hoofdstuk 12 Edit

IJsduiker Icon

‘Je moet slimmer zijn’, instrueerde Cedergrom IJspoot zachtjes. ‘Vospoot is onwijs snel, dus de enige manier om hem te raken is door dingen te doen die hij niet verwacht.’ IJspoot knikte kort en nam haar broer in zich op. Vechttraining was altijd uitdagender geweest voor haar dan jachttraining, vooral omdat Vospoot hier wél in het voordeel was. Ze drukte zich tegen de grond als een slang en begon naar voren te sluipen. Hoe kon ze Vospoot het best aanvallen? Hij was niet de slimste vechter, dus een afleidingsmanoeuvre zou voldoende moeten zijn. IJspoot zwiepte kort met haar staart. Ik weet iets. Ze bleef haar lange, donzige staart op en neer bewegen, van links naar rechts, van rechts naar links, steeds opnieuw. Vospoot staarde haar indringend aan met zijn groene ogen. Kom op, kom op, dacht IJspoot zenuwachtig. Kijk nou. Kijk nou naar mijn práchtige staart, Vospootje!

Op dat moment gleed Vospoots blik een hartslag lang naar haar zwiepende beweging. Dit was waar IJspoot op gewacht had. Triomfantelijk sprong ze naar voren en sloeg de lange poten van haar broer omver, zodat hij hulpeloos op zijn buik landde. ‘Whelp!’ riep de roodbruine kater uit. ‘Dat was gemeen!’ IJspoot schudde het zand uit haar vacht en kruiste de half-trotse, half-geamuseerde gezichtsuitdrukking van Cedergrom. ‘Heel goed gedaan, IJspoot’, prees Doornflint haar, al lag er een zweem van teleurstelling in zijn stem. Hij was duidelijk niet blij met de vooruitgang van zijn eigen leerling. Vospoot stak zijn staart omhoog. ‘Dat vond ik echt vals!’ klaagde hij. ‘Welke krijger gebruikt nou zo’n tactiek in een gevecht?’ Doornflint gromde. ‘Ken jij de vechters van de andere Clans? Nee hè? Dus houd je mond en probeer iets op te steken van de les, anders blijf je een hopeloos geval!’ De echo van die woorden bestond uit een lange stilte. Cedergrom keek zijn mede-mentor boos aan en Vospoot liet zijn kop teleurgesteld hangen. Doornflint is zo gemeen! dacht IJspoot woedend.

‘Sorry’, mompelde Doornflint uiteindelijk. ‘Dat kwam er iets botter uit dan bedoeld.’ Vospoot schudde langzaam met zijn kop. ‘Nee, je hebt gelijk’, stelde de leerling met gebroken stem. ‘Ik ben een belabberde leerling.’ Doornflint staarde het katertje geschokt aan. ‘Nee, wacht!’ Maar Vospoot trippelde weg. Zijn dikke, platte staart die door de met dennennaalden bezaaide grond sleepte, was het laatste wat IJspoot van hem zag voordat de struiken hem opslokten. Nee… arme Vospoot… ‘Verdorie’, siste Doornflint tussen opeengeklemde tanden door. ‘Ik ben echt de slechtste mentor ooit! Wat moet ik nu tegen Sintelster zeggen?’

Cedergrom bromde troostend. ‘Ik denk dat je je daar even geen zorgen over hoeft te maken. Wacht gewoon bij de kampingang tot Vospoot terug komt en bied je excuses aan. Hij zal het heus wel begrijpen.’ Doornflint haalde zijn schouders op. ‘Hij begrijpt mij, ja, maar ik ben te egoïstisch om me in hem in te leven.’ IJspoot wisselde een verbaasde blik met Cedergrom; beiden hadden ze niet verwacht dat de goudbruine kater dat ooit zou toegeven. Hij heeft in ieder geval spijt. IJspoots boosheid was nog lang niet verdwenen, maar ze kon niet ontkennen dat er iets van waarheid in Doornflints sneer had gezeten. Vospoot lette nooit op, deed nooit zijn best en kon gewoon niks. Waren dat de krijgers die de Clan nodig had? ‘Ga jij maar terug naar het kamp’, miauwde Cedergrom zachtjes. ‘Ik en Doornflint moeten even een woordje wisselen.’ De magere, bruine kater gebaarde met zijn spitste oren dat IJspoot weg moest wezen. Ze gehoorzaamde dankbaar en begon haar weg naar het kamp, de spanning die in de lucht knetterde ontvluchtend.

Hoofdstuk 13 Edit

Dauwspoor Icon

Dauwspoor sloeg panikerend met haar poten. De WindClankat bewerkte haar buik nu met zijn scherpe klauwen en ze schreeuwde het uit van de pijn. Alsjeblieft, SterrenClan! riep ze in gedachten toen de tranen in haar ogen sprongen. Waarom gebeurt dit? Wat is dit? Ze kon haar klauwen niet meer uitslaan en al haar pootspieren leken net dode stukken prooi. Ik heb geen gevoel meer in mijn poten, realiseerde ze zich bijna jankend. Dit kan niet normaal zijn! Al haar vechtbewegingen lagen op het puntje van haar tenen, klaar om uitgevoerd te worden, maar het lukte haar gewoon niet. Ze wilde deze grijs gevlekte kater aanvallen. Ze wilde hem pijn doen, om haar broer te wreken! Muisjager heeft hier gisteren ook gelegen, dacht ze vol angst. Hij heeft dezelfde pijn gevoeld… die WindClankrijger moet daarvoor boeten!

‘Miezersnor, terugtrekken!’ hoorde ze opeens een schrille stem krijsen. Het was de grijze poes, blijkbaar de patrouilleleider, die met een bebloede vacht wegrende. Miezersnor gaf nog één felle beet. Daarna sprintte hij weg, zijn gewonde Clangenoten achterna. Dauwspoors hart sloeg op hol van schrik toen ze zag hoe haar eigen bloed in het heidegras sijpelde, rode sporen achterlatend. ‘Dauwspoor!’ gilde Taanlicht angstig. De rood-witte poes spurtte op haar af en begon haastig haar verwondingen te bekijken. ‘Het is oké’, siste Dauwspoor moeizaam. ‘Ik red het wel.’ Taanlichts ogen waren nog steeds rond van shock. ‘Nee, je redt het niet als er geen medicijnkat bij komt! Vlekster, we moeten terug naar het kamp.’ Dauwspoor keek haar vriendin grimmig aan. ‘Het gaat wel, zeg ik toch! Jullie hoeven me niet…’ Op dat moment schoot er weer een flits van pijn door haar heen en ze kermde. Gewond zijn is het ergste wat er bestaat.

Vlekster kwam naast haar zitten, zijn blik rustig. ‘Het valt echt wel mee’, verzekerde hij Taanlicht. ‘De wonden zijn pijnlijk, maar niet diep. Heemstveer kan haar wel opknappen.’ Dauwspoor schonk de rood-wit gevlekte poes een glimlachje. Zie je wel, seinde ze in gedachten. ‘De aanval is geslaagd’, verklaarde Vlekster toen. ‘De thuisblijvers zullen vast blij zijn om dat te horen. Steenvuur, Taanlicht, jullie ondersteunen Dauwspoor. Zandpoot, ga maar alvast vooruit om het goede nieuws te brengen.’ Dauwspoor zag grijnzen verschijnen op de gezichten van haar Clangenoten. Zelf kon ze zich er niet toe brengen om vrolijk te zijn; ze snapte nog steeds niet wat haar in het gevecht was overkomen. Wat het ook was, ik moet het uitzoeken, bedacht ze zich en klemde haar kiezen op elkaar toen Taanlicht en Steenvuur haar hielpen opstaan.

De weg naar het kamp leek nog nooit zo lang te duren. Elke stap deed pijn aan Dauwspoors poten, die pijnlijk geschaafd waren door het voortdurende in- en uittrekken van haar klauwen. Het was alsof ik een gevecht met mezelf voerde, dacht ze bang. Ik wilde hem aanvallen, maar mijn spieren weigerden dat. Wie heeft de macht om dat te doen? Toch enkel de SterrenClan? Ze voelde een huivering over haar ruggengraat glijden. Had ze iets gedaan om haar voorouders boos te maken? Snel probeerde ze zich te herinneren of ze de laatste tijd de krijgscode had gebroken. Volgens mij niet… maar ze kunnen me dit toch niet aandoen zonder reden? Even had Dauwspoor medelijden met zichzelf. Toen bedacht ze zich hoe Muisjager en al die anderen ook gewond waren geraakt door de WindClan en zij waren allemaal trots geweest op hun moed. Je bent een gevecht ingegaan, zei ze tegen zichzelf. Een strijd om je Clan te verdedigen. Elke willekeurige krijger had je plaats willen innemen, dus je moet stoppen met dat zelfmedelijden! Vastberaden stapte ze door en negeerde de pijn. Ze ging herstellen, samen met Muisjager. En dan zou ze uitvogelen wat haar precies overkomen was.

Hoofdstuk 14 Edit

Karpersnor Icon

‘We hebben gewonnen!’ Zandpoot stormde enthousiast het kamp binnen, haar rossige staart in de lucht gestoken van pret. ‘De WindClan is weggevlucht met hun staarten tussen de poten!’ Karperpoot keek zijn zusje trots aan. Gelukkig is haar niks overkomen. Waar maakte ik me ook druk om? Hij was nog steeds chagrijnig vanwege Maanvonk, maar dit nieuws vrolijkte hem op. Misschien zou de vrede nu wederkeren. Wie weet had de WindClan geleerd van haar fouten en zouden beide Clans niet meer hoeven te vechten. ‘Zijn er gewonden?’ vroeg Heemstveer, RivierClans medicijnkat, op dringende toon. Zijn goudbruine vacht deed denken aan de zon in hoogsteigen persoon, doordat het middaglicht er fel op scheen. ‘Dauwspoor is gewond’, rapporteerde Zandpoot. ‘Maar niks ernstigs. De WindClan is er wat minder goed vanaf gekomen!’

Terwijl Zandpoot met luide stem begon te vertellen hoe de aanval was verlopen, zag Karperpoot een bekende gestalte aan komen lopen. Tortelpels! Eindelijk, waar zat die kater? Geïrriteerd trippelde hij op zijn mentor af. ‘Waarom al die oproer?’ vroeg Tortelpels verbaasd. ‘Is er iets ergs gebeurd?’ Karperpoot keek zijn mentor boos aan. ‘Je hebt echt alles gemist!’ riep hij uit. ‘Vanochtend was er een Vergadering en vanmiddag een gevecht en…’ De grijze kater onderbrak hem ruw. ‘Gevecht? Tegen wie?’ Oh grote SterrenClan, een mentor hoort toch zijn leerling te onderwijzen? Niet andersom! ‘Tegen de WindClan’, gromde Karperpoot. ‘We hebben gewonnen. Maar in SterrenClans naam, je Clangenoten hadden kunnen sterven in de strijd, zonder dat jij het ook maar geweten had!’ Tortelpels staarde hem aan alsof iemand hem zojuist had betrapt op vijandig territorium. ‘Ik was op jacht!’ snauwde de grijze krijgskat. ‘En zet voortaan niet meer zo'n grote bek tegen me op, wil je?’

Karperpoot keek zijn mentor een paar hartslagen lang aan. De haat en adrenaline hingen in de lucht en tekenden een onzichtbare wand tussen de twee af, eentje die zelfs door de aardigste opmerking niet doorbroken kon worden. Er lagen inderdaad twee woelmuisjes bij Tortelpels' poten, maar dat was een ongewoon slechte vangst voor Groenblad. Is hij wel echt gaan jagen? vroeg Karperpoot zich onwillekeurig af. Kan ik mijn mentor nog wel vertrouwen? Helaas leek Tortelpels niet van plan om de waarheid te zeggen, want hij stapte weg met zijn armzalige stukjes prooi tussen zijn kaken. Voor de zoveelste keer wenste Karperpoot dat hij een ander leven had, met een vriendelijke mentor, Clangeboren ouders en wat meer vrienden dan alleen Stormpoot. Helaas kan ik dat niet veranderen, dacht hij vol ergernis. Ik moet er maar het beste van zien te maken. Dat zou al heel wat makkelijker zijn als mijn omgeving me wat meer begon te accepteren.

Slechtgehumeurd trippelde hij op Zandpoot af. De zandkleurige poes was inmiddels klaar met haar verhaal en keek verrast op bij het zien van haar broer. ‘Karperpoot! Het was zo jammer dat jij er niet bij was. Geloof me, het was zo gaaf!’ Zandpoot dook ineen en sloop een paar staartlengtes naar voren, zich klaarblijkelijk inbeeldend dat ze zich in de strijd bevond. ‘Vlekster vloog Lappenvacht in de haren! En toen kwam Duifveder die Bosbesvlek aanviel en Steenvuur toonde genade tegenover een leerling en…’ Haar stem veranderde in een gehijg, wat verraadde dat ze een groot stuk had gerend. ‘De volgende keer ben ik erbij’, beloofde Karperpoot, al was het meer een belofte tegenover zichzelf. ‘De volgende keer ben ik een krijger.’

Hoofdstuk 15 Edit

Karpersnor Icon

Het was nog donker toen Karperpoot opstond uit zijn nest. Hij had niet kunnen slapen en wist niet precies waarom. Misschien helpt het als ik mijn poten strek, bedacht hij zich. Als ik er een intensieve dag van maak, slaap ik volgende nacht veel beter. Behoedzaam trippelde hij richting de uitgang van het leerlingenhol, erop lettend dat hij Zandpoot en Stormpoot niet wakker maakte. De twee lagen snorrend in een halve omhelzing; Karperpoot keek hen even vol genegenheid aan, voordat hij het hol uit stapte. In de verte kraaiden de raven, die een spookachtige sfeer gaven aan het verlaten kamp. Is er dan echt niemand? Ik moet toch aan een kat vertellen waar ik heenga, anders zijn ze straks ongerust. Tot zijn opluchting zag hij dat Natneus op wacht stond. De zwart-witte kater keek strak naar voren, zijn staart om zijn poten geslagen, en schrok op toen hij Karperpoot aan zag komen lopen.

‘Ik ga een wandeling maken’, verklaarde Karperpoot. ‘Misschien breng ik wat prooi terug.’ Natneus knikte zwijgend, zijn gele ogen fonkelend als het schijnsel van de maan. Tevreden wandelde Karperpoot het kamp uit. Zijn vermoeidheid verdween als sterren bij de dageraad. Hij was alleen met zijn gedachten en zijn frustraties: iets wat eigenlijk heerlijk voelde. Wat heeft Tortelpels gisteren uitgespookt? vroeg hij zich af. Elke normale krijgskat zou zo’n gevecht niet missen…

Opeens hoorde hij een klaaglijk gemiauw. ‘Kom op, laten we weggaan! We zitten hier al sinds zonsondergang.’ Een andere stem bromde: ‘Ze denken dat het niet meer nodig is om hun grenzen te bewaken. Pfah! Alleen maar omdat wij één gevechtje hebben verloren. Geen wonder dat de SchaduwClan ze ooit heeft verdreven, de naïevelingen.’ Karperpoot trok met zijn oren en sloop met bonzend hart op het geluid af. ‘Ik geef het op!’ gromde de eerste stem. ‘Mijn poten zijn zowat aan de grond vast gegroeid. Die stommelingen doen vast niet aan vroege patrouilles. Vogelster moet het nieuws zelf maar overbrengen.’ Aha! Ze hebben een boodschap. Gerustgesteld verliet Karperpoot zijn schuilplaats. ‘Goedemorgen’, begroette hij de twee geschokte katten. ‘Waarmee kan ik jullie van dienst zijn?’

De kat die als eerste had gesproken, een rood gestreepte kater, herstelde zich snel. ‘Wie ben jij?’ grauwde hij trots. Karperpoot liet zijn blik over de twee glijden. Het waren overduidelijk WindClankatten, maar ze waren gespierder dan hun tengere Clangenoten. ‘Ik ben Karperpoot van de RivierClan’, stelde hij zichzelf koeltjes voor. ‘Hebben jullie een boodschap die ik door moet geven?’ De katers wisselden snelle blikken. ‘Mijn naam is Grondvacht’, miauwde de tweede kater, die een bruin cyperse vacht had. ‘Dat is mijn Clangenoot, Daasstreep. We zijn hier gekomen als afgezanten van de WindClan.’ Karperpoot knikte de twee toe, zich half afvragend waarom ze zo beleefd deden. Dat was niet de houding van katten wiens Clan net was aangevallen. ‘We komen in vrede’, vulde Daasstreep zijn vriend vlug aan. ‘Vogelster wilde dat we met één van jullie spraken.’ Karperpoot was even stil. ‘Oké. Waarover?’

Grondvacht schraapte met zijn klauwen over de grond. Hij miste een nagel aan zijn linkervoorpoot, wat vrij opvallend was. ‘Vogelster wil zich verontschuldigen voor de aanval. Wij weten nu dat het niet jullie Clan was die ons binnenviel.’ Karperpoot fronste verbaasd. ‘Wacht, wat? Hoe weten jullie dat?’ Daasstreep keek schichtig om zich heen. ‘Eén van onze avondpatrouilles heeft een kat betrapt die in jullie markeringen rolde. Hij rende zo ons gebied binnen!’ Er was verontwaardiging, maar vooral verbijstering in zijn stem. ‘Helaas hebben onze medekrijgers hem niet kunnen stoppen’, verklaarde Grondvacht teleurgesteld. ‘Maar we hebben een signalement. Een grote, langharige, rode kater.’ Karperpoot voelde zich eindelijk belangrijk nu hij deze info had verkregen, al wist hij dat de boodschap verontrustend was. Probeerde iemand de twee Clans tegen elkaar op te stoken?

Hoofdstuk 16 Edit

IJsduiker Icon

IJspoots hart werd overspoeld van opluchting bij het voelen van een vertrouwde vacht naast haar. Vospoot! Dolblij keek ze haar slapende broertje aan. Hij had zo te zien niet de moeite genomen om zichzelf te wassen, want er zaten dennennaalden en zanderige vegen in zijn vacht. IJspoot vroeg zich heel erg af waar hij geweest was. Bij bedtijd was Vospoot nog steeds niet op komen dagen en daarom was ze zonder hem gaan slapen, al hielden de zorgen haar wakker. Nu kon ze eindelijk opgelucht ademhalen. Gerustgesteld verliet ze het leerlingenhol, Vospoot een tedere blik toe werpend. Het maakte haar niet eens meer uit wat hij gedaan had gisteren; hij was nu veilig thuis en daar ging het om.

Bijna de hele SchaduwClan zat te ontbijten. Ze merkte Edelpoot en Schaduwpoot op, die verderop een muis deelden. Vrolijk trippelde IJspoot op hen af. ‘…als je haar echt leuk vindt, moet je ervoor gaan’, hoorde ze Edelpoot zeggen tegen Schaduwpoot. IJspoot verstijfde meteen. Hebben ze het over mij? bedacht ze zich ongemakkelijk. Zonder twijfels maakte ze rechtsomkeert, hopend dat haar vrienden niet hadden gezien dat ze meeluisterde. Met wie moest ze nu mee-eten? De jongere krijgers zaten op een kluitje bij elkaar, eetwedstrijden houdend. Blauwregen en Bliksemleeuw maakten in een snel tempo kikker na kikker soldaat en werden door hun Clangenoten enthousiast aangemoedigd.

IJspoot keek het tafereel even aan. Ze wist dat ze daar niet welkom was; de jonge krijgers zaten heus niet op een leerling te wachten, om van de oudere krijgskatten nog maar niet te spreken. Haar oog gleed over haar ouders. De twee waren aan het kletsen, maar SchaduwClans commandant zat er ook bij. Geen verstandige leerling zou zomaar bij de twee hoogstgeplaatste katten van de Clan aanschuiven… Op dat moment ving Schaapbont haar blik op. ‘Hee, IJspoot! Kom erbij zitten!’ Met iets van trots, draafde IJspoot op de drie af. Ze zag hoe de jongere krijgers een paar jaloerse blikken wierpen. Ik praat gewoon met mijn ouders, hield ze zichzelf voor. Daar is niks raars aan. ‘IJspoot’, begroette Sintelster haar hartelijk. ‘Hoe staat het met je training?’ Zijn grijs gestreepte vacht glansde zilver in het langzaam opklimmende morgenzonnetje. IJspoot gaf haar vader een kopje. ‘Goed! Cedergrom leert me heel veel.’

Haar ouders glimlachten. IJspoot wist dat Cedergrom positief was over haar vaardigheden en aangezien Sintelster de Clanleider was, ontving hij vast rapporten van de bruine krijgskat. ‘Ik heb van je mentor gehoord dat je een goede jager bent’, snorde Donderdreun. Zijn ambergele ogen fonkelden geïnteresseerd. Op de één of andere manier had IJspoot het idee dat er nog veel meer emoties in zijn blik lagen, diepere gevoelens die zij niet kon lezen. ‘Cedergrom leidt de dageraadpatrouille’, ging de commandant verder. ‘Heb je misschien zin om met mij te gaan jagen? Zo kan ik je vaardigheden ook bekijken.’ IJspoot keek Sintelster aan, vragend voor goedkeuring. Hij en Schaapbont wisselden blikken vol genegenheid. ‘Tuurlijk mag dat’, verklaarde de Clanleider warm. Opgewonden rende IJspoot richting de kampuitgang, met Donderdreun op haar hielen. De zwarte kater leek zin te hebben in de jacht; ze hoopte maar dat hij onder de indruk zou zijn van haar kunnen.

‘Hee, IJspoot’, miauwde Schaduwpoot plots. IJspoot gleed onhandig tot stilstand en keek haar vriend aan. Schaduwpoot wierp Edelpoot vlug een blik toe en ging iets rechterop staan, zijn grote staart nerveus heen en weer zwiepend. ‘Nou… eh… ik vroeg me af of je met me wilde gaan jagen.’ De woorden kwamen er onzeker uit. Voor IJspoot voelde het alsof haar hart getroffen werd door een scherpe doorn. ‘Het spijt me’, bracht ze uit. ‘Ik… ik ging al jagen met Donderdreun.’ De zwarte kater wachtte ongeduldig bij de kampuitgang. ‘Oh’, was Schaduwpoots reactie. ‘Eh, veel plezier, denk ik.’ Daarna liep hij weg, zijn staart half door de aarde slepend. Oh Grote SterrenClan, dacht IJspoot. Heb ik hem nou ongelukkig gemaakt?

Hoofdstuk 17 Edit

Bergwind Icon

Vandaag was het de dag. Het moment waarnaar Bergkit al zijn hele, korte leven naar had uitgekeken. Mijn leerlingenceremonie. Zijn hart begon vanzelf sneller te kloppen. Straks ben ik geen kitten meer, maar een leerling! En dan ga ik vechten en jagen en iedereen laten zien dat ik de allerbeste krijger word! Hij stak trots zijn borst uit en streek die glad met zijn voorpoot. De haren waren zacht als wolken en Bergkit voelde zijn eigen spieren eronder rimpelen. Ik ben de sterkste. Dus ik kan de beste van iedereen worden, als ik me vol inzet. ‘Laat alle katten van de RivierClan zich verzamelen voor een naamceremonie!’ galmde Vleksters stem door het drukke kamp. Bergkit wilde op de Natte Rots aflopen, maar Woudecho hield hem tegen. ‘Jullie lopen pas als hij jullie aankondigt’, fluisterde ze liefdevol. Bergkit gaf haar even een dankbaar knikje. Straks was ik gewoon daarnaartoe gelopen en had ik alles verpest!

Naast hem zaten, keurig op een rijtje, Woekerkit, Wilgenkit en Algenkit. Woekerkit straalde helemaal in het ochtendlicht, maar de gloed in haar ogen was nog helderder. Bergkit wist dat zijn zusje altijd zijn vriendin, maar ook zijn rivaal zou zijn. Ze was een veelbelovende kitten. Net als ik, dacht hij trots. Dat heeft iedereen altijd tegen ons gezegd en dus zullen wij de besten worden! Maar ik wil wel hogere scores halen dan haar! Algenkit wiebelde zenuwachtig heen en weer. Zijn snorharen trilden van opwinding of angst; welke van de twee was niet te zeggen. Tenslotte had je Wilgenkit, die ontspannen met Dasneus kletste alsof het vandaag niet de belangrijkste dag van haar leven was. De zwart-witte vaderkat had een trotse uitdrukking. Toen Bergkit naar zijn moeder keek, lag er diezelfde glans in haar blik.

‘Vandaag zijn we bijeen gekomen voor een speciaal moment’, opende Vlekster de ceremonie. ‘Er zijn lastige tijden aangebroken. De WindClan heeft vrede gesloten, maar de indringer waar Karperpoot gisterochtend over is ingelicht, kan ons allemaal in het verderf storten.’ Zijn toon was kalm, maar doodernstig. ‘Het is dan ook van belang dat we de RivierClan sterk en jeugdig houden. Daarom zullen vandaag onze vier kittens de kraamkamer verlaten en hun leerlingentijd beginnen. Ik heb het natuurlijk over de jongen van Tortelpels en Woudecho, en de pleegdochter van Dasneus!’ Bergkit voelde een klein duwtje in zijn rug en hij begon naar voren te lopen, zijn holgenoten aan zijn rechterzijde. De zon verwarmde zijn zorgvuldig gewassen vacht en deed het opvlammen als een donker vuur. Bergkit hoorde het gejuich van zijn Clangenoten, kruiste de trotse blik van Tortelpels en keek uiteindelijk omhoog naar de massieve gestalte van Vlekster, die op de gigantische Natte Rots stond. Het hele plaatje was vrij overweldigend en hij voelde zich opeens het middelpunt van de Clan.

Toen hij en zijn holgenoten plaats hadden genomen, ging Vlekster verder. ‘SterrenClan, ik vraag jullie om op deze jongelingen neer te kijken. Zij zijn klaar om hun leerlingennaam in ontvangst te nemen en daarbij hun opleiding ceremonieel te beginnen.’ Er viel even een stilte. Het was tenslotte een plechtig moment, waarbij de voorouders werden aangesproken. Toch wilde Bergkit vooral door met de ceremonie. ‘Bergkit’, sprak Vlekster uiteindelijk. Yes! Ik ben als eerste, dat moet wel iets betekenen! Zelfverzekerd zette hij een stap naar voren, zodat hij voor de Natte Rots kwam te staan. ‘Totdat jij je krijgersnaam verdient,’ miauwde de Clanleider luid, ‘zal jij bekend staan als Bergpoot.’ Bergpoot liet zijn nieuwe naam even bezinken. Bergpoot. Ik ben nu Bergpoot, Bergkit is verleden tijd. Hij wierp even een blik op Maanvonk, maar de witte kater had geen zichtbare verwachting in zijn ogen. De kans was groot dat Vlekster een andere mentor in gedachten had voor Bergpoot. ‘Voor een veelbelovende kitten,’ verklaarde de zwart-witte kater, ‘moest ik natuurlijk een ervaren krijger uitkiezen. Steenvuur, jij zal Bergpoot de krijgscode bijbrengen.’

Hoofdstuk 18 Edit

Bergwind Icon

Steenvuur! Bergpoots hart leek rond te dartelen als een vlinder. Steenvuur was niet alleen Maanvonks tweelingbroer, maar ook een gerespecteerde krijgskat. De grote, bruin gestreepte kater beende naar de Natte Rots toe. Toen hij dichterbij kwam, zag Bergpoot de trots en verrassing glinsteren in zijn ogen. ‘Ik ga een grootse krijger van je maken’, beloofde Steenvuur zacht en drukte zijn ruwe neus tegen de zijne aan. Bergpoot wachtte een tel en hief toen fier zijn kop op. ‘En ik ga hard werken!’ Steenvuur knikte goedkeurend en leidde hem voor naar een plek voorin de menigte. Bergpoot zag hoe Tortelpels dolgelukkig naar hem en zijn mentor keek en Woudecho wisselde een vriendelijke blik met Steenvuur. Zij zijn ook blij met de keuze! Ik wist wel dat deze dag geweldig ging worden!

‘Wilgenkit’, was de volgende naam die Vlekster noemde. Het lichtrode poesje veerde enthousiast op. ‘Vanaf deze dag, totdat ik jou je krijgersnaam geef, zal je bekend staan als Wilgenpoot. Leliesneeuw heeft besloten om haar volledige krijgerstaken weer op zich te nemen en zal daarmee Wilgenpoots mentor worden.’ Bergpoot hoorde verrast, maar blij gemurmel in de groep krijgers. Leliesneeuw trippelde lichtvoetig op haar nieuwe leerling af, die ondertussen al stond te stuiteren van blijdschap. Ook Dasneus snorde zo luid dat Bergpoot het meende te horen. Vleksters keuzes zijn wel geslaagd, volgens mij.

‘Algenkit,’ verklaarde Vlekster, ‘vanaf vandaag zullen we jou kennen als Algenpoot. Vlekkenloof, jij bent een relatief jonge krijgskat, maar je verantwoordelijkheidsgevoel maakt dat ik je zonder twijfel een leerling kan toevertrouwen.’ Bergpoot voelde de zachte adem van Steenvuur in zijn oorvacht: ‘Ik heb Vlekkenloof nog opgeleid.’ Wauw! Mijn mentor is sowieso de meest ervaren leraar van allemaal! Bergpoot kruiste Algenpoots nerveuze blik en gaf hem een bemoedigend knikje. Het bruin gestreepte katertje haalde even diep adem en gaf Vlekkenloof toen een neusbegroeting. De poes ging hem trots voor naar een plek dichtbij Bergpoot. ‘Goed gedaan’, fluisterde die tegen Algenpoot. Zijn broer schuifelde verlegen met zijn poten, maar concentreerde zich gauw weer op de ceremonie. Bergpoot volgde zijn voorbeeld.

‘Dan als laatste: Woekerkit.’ Het witbruin gevlekte poesje kwam rustig naar voren, duidelijk proberend om er zo volwassen mogelijk uit te zien. Dat probeert ze ook altijd, dacht Bergpoot met een stille zucht. ‘Woekerkit, jou zullen we noemen onder de naam Woekerpoot. Vuurceder, jij hebt al meerdere malen bewezen om klaar te zijn voor jouw eerste leerling. Train haar goed.’ Vuurceder, een donzige, roodharige poes, liep in een snel tempo op haar leerlinge af. ‘Ik ga heel hard trainen’, beloofde Woekerpoot. Vuurceder gaf haar een lik van genegenheid en voegde zich met opgeheven kin weer bij de rest. ‘Vuurceder had al veel eerder een leerling moeten krijgen’, fluisterde Steenvuur. ‘Ze is maar net iets jonger dan ik.’ Bergpoot keek hem verbaasd aan. ‘Echt? Maar Vlekster is haar partner! Je zou toch denken dat hij haar juist eerder benoemt.’ Steenvuur haalde zijn schouders op als teken dat hij het ook niet wist. Vlekster sloot ondertussen het ritueel af: ‘Wij heten jullie vieren welkom als volwaardige RivierClanleerlingen. Doe je best, train hard en dan zijn jullie over een paar manen klaar om de Clan te verdedigen.’ Meteen ging het spreekkoor van start. ‘Bergpoot! Wilgenpoot! Algenpoot! Woekerpoot!’ De namen werden herhaald en nog eens herhaald en Bergpoot liet de stemmen over zich heen spoelen. Hij was nu een RivierClanleerling. En over een tijdje zou hij hier weer staan – als krijgskat.

Hoofdstuk 19 Edit

Dauwspoor Icon

‘Bergpoot! Wilgenpoot! Algenpoot! Woekerpoot!’ Dauwspoor schreeuwde enthousiast de namen van de nieuwe leerlingen. Dit was precies de oppepper geweest die de RivierClan nodig had. Er hing nog steeds een angstige sfeer in de lucht, zelfs al had de WindClan vrede gesloten, want iedereen was bang voor de indringer. Het moest wel iets anders dan een normale zwerfkat zijn. Anders had hij gewoon een andere geur gebruikt om zich te maskeren (als een zwerver dat überhaupt zou doen) en zou hij niet meerdere keren terug zijn gekomen. Voor Dauwspoor was de indringer echter haar minste zorg. Haar spieren deden weer normaal, er woedde geen storm meer binnenin haar en toch voelde ze dat er iets niet goed zat. Mijn reactie tijdens het gevecht was niet een eenmalig iets, bedacht ze zich grimmig. Het zal opnieuw gebeuren. Ik weet het gewoon.

Ze bivakkeerde nog steeds in het medicijnhol. Nadat ze de leerlingen even kort had gefeliciteerd, ging ze weer terug naar haar tijdelijke nest. Haar zoolkussentjes waren weer redelijk hersteld en ook haar wond begon te dichten, maar Heemstveer had gezegd dat ze nog een paar dagen moest wachten met haar krijgerstaken. Dauwspoor had daar weinig zin in, al wist ze dat de medicijnkat gelijk had. Zuchtend betrad ze het medicijnhol. ‘Hee, Dauwspoor’, begroette Heemstveer haar. Hij had een patiënt naast zich zitten: Muisjager. De kleine, grijze kater wiebelde ongeduldig heen en weer. ‘Het gaat prima met me! Echt, je hoeft me niet te onderzoeken.’

Heemstveer wisselde een geamuseerde blik met Dauwspoor. ‘Dit is nou eenmaal de procedure, Muisjager. Ik wil zeker weten of je krijgerstaken van gisteren je wonden niet weer open hebben doen gaan.’ Muisjager snoof. ‘Oké. Zijn ze dicht?’ Er viel een korte stilte. ‘Nou,’ miauwde Heemstveer toen aarzelend, ‘het valt mee, maar ik ben toch bang dat de kans op infectie buiten te groot is. Ik zou je graag nog twee dagen hier houden. Een infectie kan al snel fataal zijn voor… eh… een wat kleinere kat.’ Dauwspoor wist dat die woorden verkeerd gingen vallen, maar het leed was al geschied. Muisjager staarde de medicijnkat woedend aan. ‘Ik ben klein, ja! Dat zegt toch niet dat ik zwak ben?’ Dauwspoor gaf haar broer een meelevende lik. ‘Kom op’, snorde ze zacht. ‘Je wilt toch zo snel mogelijk weer jagen en vechten? Dan moet je herstellen en dat weet je best.’ Muisjager kneep zijn helderblauwe ogen tot spleetjes. Uiteindelijk zuchtte hij geïrriteerd en keerde terug naar zijn oude nest. ‘Het mos is nat geworden’, klaagde hij. ‘Kan ik niet in het krijgershol slapen, zoals gisteren?’

‘Oké dan’, gaf Heemstveer toe. ‘Jij en Dauwspoor kunnen weer in het krijgershol intrekken. Maar doe voorzichtig en neem een goede nacht slaap!’ Dauwspoor keek Heemstveer onderzoekend aan. ‘Heb je geen hulp nodig? Ik bedoel, er zijn nog wat gewonden over van de aanval van een paar dagen geleden.’ De goudbruine kater fronste. ‘Vissenschub herstelt wel prima en Zonnesnors en Klaverstaps verwondingen zien er steeds beter uit.’ Dauwspoor schuifelde met haar poten. ‘Eh, ja, tuurlijk’, stotterde ze. ‘Ik dacht alleen dat ik misschien kon helpen. Aangezien ik me toch niet nuttig kan maken nu.’ Heemstveers groene ogen kregen een belangstellende glans. ‘Ja, dat zou fantastisch zijn’, mompelde de medicijnkat in zichzelf. Hij zwiepte met zijn dikke, goudkleurige staart. ‘Je kunt hier blijven slapen dan, als je wilt.’ Dauwspoor knikte en ging weer in haar tijdelijke nest liggen, onder de verbaasde blik van Muisjager. ‘Veel succes dan’, hakkelde de kleine kater haastig en trippelde op het krijgershol af. Misschien moet ik Heemstveer in vertrouwen nemen, bedacht Dauwspoor zich. Hij weet vast wel wat er aan de poot is met me.

Hoofdstuk 20 Edit

Karpersnor Icon

Ondanks de hete Groenblad, was er een frisse bries in de lucht. De wind deed het hoge gras bij de WindClangrens op en neer wiegen, alsof de natuur een ritmische dans aan het houden was. Karperpoot wist dat hij hier niet mocht komen. De manier waarop de indringer werd beschouwd, stond hem echter niet aan. Het leek wel alsof Vlekster vond dat de buitenstaander een probleem van de WindClan was, terwijl Karperpoot dacht dat ze deze vreemde kat niet mochten onderschatten. Daarom was de grens zijn favoriete jachtplek geworden. Het was de zwoele middag na de leerlingenceremonie en het leek er niet op dat iemand Karperpoot verdacht van deze praktijken. Toch voelde de jonge kater ogen in zijn rug prikken. Word ik gevolgd?

Karperpoot negeerde het onderbuikgevoel dat hij had en trippelde verder. Het wemelde normaalgezien van de konijnen bij de grens. Zo’n groot dier zou vast goed voedsel zijn voor de oudsten, dus hij zakte door zijn poten en proefde de lucht. Geen konijn te ruiken, dacht hij teleurgesteld. De jachtpatrouille van Zonhoog moet ze allemaal hebben afgeschrikt. Opeens kraakte er iets achter hem. Het klonk als het doorbreken van een takje. Geschrokken draaide Karperpoot zich om, maar hij zag niks anders dan hoge grassprieten en enkele bomen in de verte. ‘Hallo?’ Voorzichtig verhief hij zijn stem. ‘Is daar iemand?’ Er klonk opnieuw geritsel en een flits rode vacht, sterk afstekend tegen al het groen, trok Karperpoots aandacht. ‘Hee! Je bent op RivierClangebied!’ Een rode vacht… bij de grens… vissenpoep, dit is de indringer!

De vreemdeling kwam langzaam omhoog. Er hingen stukjes gras en klompen aarde vast in zijn lange, goudrode vacht. ‘Daar blijven!’ siste Karperpoot. ‘Ik houd je staande als…’ De indringer legde zijn kop plat in zijn nek, schudde de viezigheid uit zijn vacht en keek Karperpoot rustig aan. ‘Als leerling? Je weet best dat het een ongelijke strijd zou zijn… Karperpoot, is het toch?’ Hoe weet hij mijn naam?! Verward en geschokt keek Karperpoot de rode kater aan. Het zou inderdaad niet handig zijn om die aan te vallen; de buitenstaander was ongewoon groot, gespierd en had intelligentie fonkelend in zijn ogen.

‘Hoe weet je wie ik ben?’ wist Karperpoot uiteindelijk de woorden te vinden. De rode kater kneep zijn oranje ogen inschattend tot spleetjes. ‘Ik weet heel veel over jullie Clan. Misschien wel meer dan jij zelf weet, Karper.’ Karperpoot gromde gefrustreerd. ‘Noem me geen “Karper”! Het is Karperpoot voor jou, schurftpels.’ De goudrode kat haalde zijn schouders op. ‘Wat jij wilt, Karperpoot. Mijn naam is Pyro, trouwens. Leuk je te ontmoeten.’ Gek genoeg klonk het welgemeend. Er glom geen vijandigheid in Pyro’s ogen, enkel een diepgaande interesse en zelfs iets van pret. ‘Ik vind het wat minder leuk’, grauwde Karperpoot geïrriteerd. ‘Je bevindt je op ons territorium. Als ik wat sterker was, had ik je meegenomen naar ons kamp.’ Pyro knipperde verbluft met zijn ogen. ‘Nou nou. Zo’n vaart hoeft het ook niet te lopen. Ik snap dat je me niet vertrouwt, maar ik wil je graag beter leren kennen.’ Karperpoot zette zijn vacht op, te verward om te spreken. Wat wil hij van me? Ik kan hem in mijn eentje niks maken, maar tegen de tijd dat ik versterkingen haal, is hij allang weg!

Pyro likte even over zijn poot. ‘Kijk, Karperpoot, ik heb veel over je gehoord. Je problemen met Stormpoot, je drang om jezelf te bewijzen… dingen die niemand echt begrijpt, hè?’ Karperpoot fronste. Hij praatte daar haast nooit over, dus hoe kon deze eenling dat weten? ‘Ik snap dat je in de war bent’, ging Pyro kalm verder. ‘We kunnen opnieuw praten. Kom over twee dagen hierheen en dan kan ik alles goed uitleggen.’

Hoofdstuk 21 Edit

IJsduiker Icon

‘Dus Cedergrom is een goede mentor?’ vroeg Donderdreun terwijl hij soepel over een boomstam heen sprong. IJspoot knikte ijverig. ‘Ja! Ik leer superveel nieuwe dingen van hem.’ De commandant kneep zijn ogen vol genegenheid tot spleetjes. ‘Je hebt inderdaad geluk met Cedergrom. Hij is één van onze meest ervaren krijgers. Sterker nog, dat was hij al toen ik geboren werd.’ IJspoot fronste verbaasd. ‘Hoe jong bent u dan?’ Die vraag deed Donderdreun snorren. ‘Ik ben nog maar zo’n twaalf manen een krijger. Een paar manen na mijn ceremonie, werd ik al benoemd tot commandant.’ Wauw! Hoe getalenteerd moet je dan wel niet zijn? ‘Wie was de commandant voor jou?’ waagde IJspoot te vragen. Ze zag een schaduw over Donderdreuns fijn gevormde gezicht glijden. ‘Mijn vader, Moerasdamp’, murmelde de zwarte kater. ‘Hij was een geweldige kat. Toen hij vermoord werd, vroeg Sintelster of ik Moerasdamps plaats wilde innemen. Ik heb ja gezegd.’

IJspoot knipperde verbaasd met haar ogen. ‘Wordt een commandant dan gevraagd? Ik dacht dat die beslissingen altijd onverwachts kwamen!’ Donderdreun schonk haar een glimlach. ‘Dat klopt,’ miauwde hij, ‘maar het was nogal een gevoelige kwestie. Ik was erg verdrietig door de dood van mijn ouders – mijn moeder overleed tegelijkertijd – en Sintelster wilde weten of ik er klaar voor was. Uiteindelijk hebben mijn nieuwe verantwoordelijkheden me geholpen om mijn verlies te verwerken.’ IJspoot bleef nog steeds met veel vragen zitten. ‘Was niemand jaloers, dan? Aangezien je nog zo jong was?’ Donderdreun knikte kort. ‘Helaas wel’, verzuchtte hij. ‘Scherpsteek was nog het ergste. Al zal dat je niet erg verrassen, denk ik.’ IJspoot grimaste. Scherpsteek is de grootste rotkat van de Clan. Hij is aardig tegen zijn zoon, Edelpoot, maar daar houdt het dan ook wel op.

‘Hoe is het met Vospoot?’ bracht Donderdreun het gesprek op een ander onderwerp. IJspoot haalde haar schouders op. ‘Goed, denk ik.’ Ze was zo gefocust op de commandant, dat ze over een overhangende dennentak struikelde. Vloekend krabbelde ze overeind, de sparrennaalden uit haar vacht schuddend. ‘Gaat het?’ vroeg Donderdreun bezorgd. IJspoot hief haar kin op. ‘Ja, het gaat prima’, miauwde ze, al schoot er een flits van pijn door haar poot. ‘Hou me niet voor de gek, het gaat niet’, snorde de zwarte kater geamuseerd. ‘Kom zitten, dan nemen we even een pauze. De prooi wacht heus wel.’

IJspoot nam naast hem plaats. ‘Ik weet niet of het zo goed is met Vospoot’, gaf ze uiteindelijk toe. ‘Hij concentreert zich helemaal niet op zijn training. Ik betwijfel of hij ooit een krijger wordt.’ Donderdreun hield zijn kop schuin. ‘Jullie zijn nog jong. Geloof me, jullie hebben nog manen van opleiding voor de boeg. Vospoot heeft genoeg tijd om het te leren.’ IJspoot tekende wat rondjes in de aarde met haar klauw. ‘Misschien.’ Donderdreun trok eventjes met een snorhaar. ‘Ik ga wel met Doornflint praten’, besloot hij. ‘Het is belangrijk dat Vospoot gemotiveerd blijft, zelfs al zijn z’n resultaten niet erg goed.’ Hij weet het dus ook, dacht IJspoot met een stille zucht. De hele Clan weet dat hij achterloopt. En dan weet iedereen vast ook dat ik wel op het juiste niveau zit. Wat als ze mij anders gaan behandelen dan mijn broer? Ze wilde de gedachten hardop uitspreken, maar er kwamen geen woorden uit haar keel. Donderdreun kon hier niks aan veranderen; hij had er niks mee te maken, tenslotte. ‘Ik denk dat het wel goed komt’, miauwde ze met een steek van schuld. ‘Vospoot wordt vast een prima SchaduwClankrijger.’

Hoofdstuk 22 Edit

Bergwind Icon

De zon werd langzaam de hemel in getrokken. De duisternis van de nacht veranderde in een paarsige schemering, die Bergpoot opgewonden gadesloeg. Straks, als de zon helemaal op is, begint het, dacht hij enthousiast. Straks is mijn eerste training. En ik ga Steenvuur helemaal verbazen met mijn vechttechnieken! Gistermiddag had Bergpoot een rondleiding door het territorium gehad. Erg interessant was dat niet geweest, want Steenvuur meed opzettelijk de WindClangrens en dat was nou juist het spannendste stuk. Helaas had Vlekster besloten dat enkel krijgers het gevaarlijke gebied van de indringer mochten bezoeken – en dus geen ongetrainde leerlingen.

Vuurceder kwam op het leerlingenhol af gelopen, haar dikke, rode staart heen en weer zwiepend. ‘Woekerpoot! Tijd om te trainen!’ Woekerpoot liep slaperig naar buiten. ‘Veel plezier’, miauwde Bergpoot zijn zus na. Die hoorde het al niet meer; met grote sprongen ging ze Vuurceder achterna. Bergpoot kon een gevoel van jaloezie niet onderdrukken. Ik wil ook beginnen, mokte hij in gedachten. Waar blijft die slaapkop van een Steenvuur? Nu arriveerde ook Vlekkenloof. De jonge, bruin gestreepte poes nam Algenpoot mee naar de kampuitgang, vrolijk kletsend over alles wat ze hem zou leren vandaag. Steenvuur was nog steeds nergens te bekennen. Toen ook Leliesneeuw en Wilgenpoot op weg gingen naar de trainingsplek, besloot Bergpoot niet langer te wachten. Als Steenvuur niet naar hem toe kwam, dan ging hij zelf naar Steenvuur.

Het krijgershol was vele malen groter dan dat van de leerlingen. Bergpoot onderscheidde een paar forse krijgskatten die binnen lagen: Schorspluim, Vissenschub en Tortelpels. Die laatste hief zijn kop op. ‘Bergpoot? Wat in SterrenClans naam doe jij hier?’ Bergpoot schuifelde nerveus met zijn voorpoten, want zijn vader klonk niet bepaald blij om hem te zien. ‘Eh… ik zoek Steenvuur. Hij is me niet komen halen.’ Tortelpels krabbelde overeind. Zijn grijze vacht zat helemaal in de war en piekte alle kanten uit, waardoor hij er nogal versuft uit zag. ‘Huh? Steenvuur is niet hier.’

‘Tortelpels? Wat doet je zoon hier?’ geeuwde Vissenschub geïrriteerd. Tortelpels trok gegeneerd met een oor. ‘Steenvuur is niet op komen dagen. Het is Bergpoots eerste training, verdomme. Dat kan die haarbal niet maken!’ Bergpoot voelde zich ook elke hartslag bozer worden. Hij had zich zo verheugd op deze dag en nu ging het gewoon niet door? ‘Kom maar mee’, grauwde Tortelpels. ‘Ik geef je wel les vandaag. En daarna ga ik een hartig woordje spreken met die mentor van jou.’ Bergpoot glimlachte, al was hij niet echt blij. Zijn vader zou vast prima in kunnen vallen voor Steenvuur, maar toch zou het niet hetzelfde worden. ‘Moet jij Karperpoot niet trainen?’ vroeg Vissenschub behoedzaam. Karperpoot, dat ook nog… samen trainen met Stormpoot had ik niet erg gevonden, maar Karperpoot is zo stil en gereserveerd. ‘Karperpoot kan naar de maan lopen’, antwoordde Tortelpels simpelweg en sloeg zijn staart om Bergpoots schouders. ‘Kom mee, dan gaan we trainen.’

Terwijl ze naar de kampuitgang liepen, passeerden ze Maanvonk. De commandant zat op de Natte Rots. ‘Als je Steenvuur ziet,’ snauwde Tortelpels, ‘zeg hem dan maar dat ik heel boos op hem ga worden. Een leerling zo afdanken is niet normaal.’ Maanvonk sloeg zijn staart even heen en weer. ‘En dat zeg jij… Ik neem Bergpoots training vandaag wel over, zodat jij je eens kunt richten op Karperpoot.’ De twee katers staarden elkaar aan. ‘Wat wil je daarmee zeggen?’ gromde Tortelpels uitdagend. ‘Dat je wat meer geduld moet hebben met Karperpoot’, miauwde Maanvonk vlak. Bergpoot voelde zich gevangen tussen zijn vader en de commandant; Tortelpels zette furieus zijn vacht hoog op, terwijl Maanvonk de grijze kater kalm aankeek. Bergpoot kon het niet laten om zich schuldig te voelen tegenover Tortelpels, toen hij Maanvonk volgde naar de kampuitgang.

Hoofdstuk 23 Edit

Karpersnor Icon

Karperpoot had een slechte nacht achter de rug. Steeds opnieuw weergalmde Pyro’s uitnodiging door zijn dromen: “Kom over twee dagen hierheen en dan kan ik alles uitleggen.” Morgen zou de ontmoeting plaatsvinden, maar Karperpoot was er nog niet over uit of hij wel zou gaan. Wat als het een valstrik is? dacht hij op zijn hoede. Pyro heeft een conflict tussen de Rivier- en WindClan veroorzaakt, dus mij vermoorden zal een eitje voor hem zijn… Huiveringen gleden over zijn ruggengraat en hij schudde zich uit, alsof hij daarmee de zorgen van zich af kon werpen. Gepijnigd trippelde hij naar buiten.

De open plek was bruisend van de activiteit. Vlekster zat op de Natte Rots, de patrouilles organiserend, terwijl dat normaalgezien Maanvonks taak was. Karperpoot trok met zijn oor. ‘Heb jij Tortelpels gezien?’ vroeg hij aan Schemerstaart, die toevallig passeerde. De grijs-witte kater keek verbaasd op. ‘Tortelpels? Die is volgens mij in het krijgershol.’ Karperpoot onderdrukte een zucht en liep het krijgershol binnen, waar Tortelpels zich had opgerold. De grijze krijgskat leek gekwetst. Zijn ogen waren gesloten in een frons en zijn staart zwiepte kort heen en weer. ‘Eh…’ Karperpoot tikte voorzichtig met zijn poot tegen Tortelpels’ schouder aan. ‘Heb ik vandaag training?’ Tortelpels schrok op, zo te zien nog geïrriteerder dan eerst, en gromde. ‘Kun je dat niet zelf uitzoeken? Je bent bijna een krijger, verdomme, ik blijf je pootje niet vasthouden.’ Daarna dook de krijger weer terug in zijn nest.

Karperpoot bleef verstijfd staan. Waar had hij die aanval nou weer aan te danken? Boos, maar vooral verdrietig, slofte hij weer naar buiten. Opeens wist hij het zeker. Ik ga Pyro morgen opzoeken. Hij lijkt de enige te zijn die ook maar iets van interesse toonde in me! Misschien wil hij me gewoon helpen! Karperpoot was zich bewust van de risico’s die hij nam, maar die wogen niet op tegen zijn groeiende ongelukkigheid. Tortelpels was alleen maar aan het snauwen, Zandpoot en Stormpoot werden closer en closer en de nieuwe leerlingen waren… nou ja, Wilgenpoot en Algenpoot waren oké, maar ze waren zo jong en naïef. Karperpoot vond het moeilijk om ze serieus te nemen.

‘Tortelpels zei dat ik het zelf uit moest zoeken vandaag’, mompelde Karperpoot kort tegen Vlekster. ‘Ik ga jagen.’ De leider keek hem verstoord aan. ‘Zelf uitzoeken? Hoezo dat nou weer?’ Vraag het niet aan mij. Karperpoot zag hoe Vissenschub zich richting Vlekster boog en iets mompelde. De blik van de Clanleider versomberde. ‘Aha. Karperpoot, trek het je niet aan, Tortelpels heeft een confrontatie gehad vanochtend. Hij is gewoon in een slecht humeur.’ Karperpoot haalde zijn schouders op. Het kan me echt niks schelen wat Tortelpels nou weer overkomen is. Iedereen heeft problemen en die zouden niet in de weg moeten staan van je verantwoordelijkheden. Meteen voelde Karperpoot een steek van schuld. Morgen zou hij tenslotte ook iets tegen de krijgscode gaan doen, dus was hij wel een haar beter dan Tortelpels?

‘Je kunt je aansluiten bij Vissenschubs patrouille’, bood Vlekster royaal aan. ‘Als jij tenminste denkt dat je weer taken kunt gaan doen, Vissenschub. Gewonden houd ik liever in het kamp.’ De lichtbruine kater grijnsde goedgehumeurd. ‘Mijn wonden zijn min of meer weg. Heemstveer en Dauwspoor hebben me er weer bovenop gekregen.’ Vleksters blik gleed naar het medicijnhol. ‘Dauwspoor?’ echode de leider in zichzelf. Vissenschub hoorde het blijkbaar al niet meer, want hij trippelde richting de kampuitgang. Karperpoot volgde hem. Hij wilde zich liever dan alles concentreren op zijn opleiding, maar zijn gedachten lagen nog steeds bij Pyro – en bij morgen, de dag die alles zou kunnen veranderen…

Hoofdstuk 24 Edit

IJsduiker Icon

‘Val me aan.’ Cedergrom keek IJspoot kalm aan. ‘Neem de tips mee die ik je net heb gegeven. Op die manier word je beter – en kun je me wie weet wel verslaan.’ IJspoot wiegde heen en weer op haar tenen, terwijl een golf van opwinding door haar maag raasde. Cedergrom verslaan! Wat zou de Clan daarvan denken? Wat zou Donderdreun daarvan denken? corrigeerde een klein stemmetje in haar hoofd. IJspoot schudde haar kop heen en weer en focuste zich op Cedergrom. Ze moest ophouden met zo aan Donderdreun denken. De jachtpartij was gezellig geweest, maar ze was een leerling, SterrenClan-verdomme! Donderdreun was de commandant van de Clan. Nog steeds tegen zichzelf scheldend, zakte ze door haar poten heen en begon te sluipen.

Cedergrom deed hetzelfde. Ze cirkelden om elkaar heen, af en toe een gesis of een gegrom uitbrengend. IJspoot voelde de adrenaline door haar heen gieren, bijna alsof ze in een echte strijd was beland. Wat ging ze doen om Cedergrom te verrassen? De bruine, magere kater bewoog soepel heen en weer en bij elke stap rimpelden de spieren onder zijn pels. Hij was snel. Maar had hij wel veel kracht in zijn poten?

IJspoot besloot om het erop te wagen en sprong. Cedergrom leek verrast door de directe aanval en dook weg, net op tijd. Mentor en leerling botsten opnieuw tegen elkaar op. Ze veranderden in een kluwen van vacht en poten, rolden over elkaar heen, snauwden vloekwoorden en schudden de aarde af en toe uit hun vachten. Uiteindelijk merkte IJspoot hoe buiten adem ze was. De hitte deed zweetdruppels parelen op haar voorhoofd en ze wendde zich hijgend tot Cedergrom. ‘Kunnen we even pauzeren?’ De ervaren krijgskat snorde instemmend. ‘Tuurlijk, tuurlijk. Je vocht goed! Nog even en je had me misschien wel te pakken.’ Ook op zijn gezicht stond uitputting te lezen. Trainen op deze snikhete middag was misschien niet het beste idee, maar een SchaduwClankat moest in alle omstandigheden kunnen vechten, zo wist IJspoot.

Ook de andere leerlingen waren bezig. Edelpoot en Schaapbont hadden een spectaculair gevecht; ze maakten hoge sprongen tegen de dennenbomen aan, rolden over het gras en bewogen zich razendsnel om elkaar heen. Edelpoot kan zo geweldig goed vechten! Hoe lang zal het duren tot ik op zijn niveau ben? ‘Het kan niet lang meer duren voor Edelpoot een krijger wordt’, murmelde Cedergrom onder de indruk. ‘Schaapbont heeft hem goed opgeleid.’ IJspoot voelde een sprankje trots voor haar moeder en keek opgevrolijkt naar het andere gevecht. Dat was Schaduwpoot versus zijn vader, Metaalmasker. Donderdreun had andere bezigheden vandaag, dus Schaduwpoot werd door een ander getraind. IJspoot vloekte even in zichzelf toen ze besefte dat ze het jammer vond dat Donderdreun er niet bij was. Ik moet echt ophouden met zo fantaseren over die kat! Ik lijk net een jonge kitten met een onmogelijke crush!

Het gevecht tussen Schaduwpoot en Metaalmasker was vooral gericht op kracht en niet op techniek. Dat was niet zo interessant om naar te kijken, dus IJspoot liet haar blik glijden over de laatste training… Vospoot en Doornflint. De twee hadden het inmiddels goedgemaakt, maar er was een bepaalde spanning in Vospoots ogen die IJspoot niet goed kon plaatsen. De roodbruine kater zwiepte met zijn staart, grauwde speels en verhief zich op zijn achterpoten. Doornflint verwijdde zijn pupillen. Op dat moment liet Vospoot zich vallen, greep zijn geschokte mentor in een nekklem en verstrakte zijn greep. ‘Heilige paddenpoep’, fluisterde Cedergrom. ‘Die beweging heb ik nog nooit gezien! En wat voor één!’ IJspoot zag hoe Doornflint overeind krabbelde en zijn leerling een welgemeend compliment gaf. Ik had het bij het rechte eind, dacht ze opgelucht. Vospoot is echt niet zo hopeloos.

Hoofdstuk 25 Edit

Karpersnor Icon

Wachten. Niets anders dan wachten, dat deed Karperpoot nu al de hele ochtend. Een precies tijdstip had hij niet met Pyro afgesproken, dus het kon net zo goed tot in de avond duren. Het meest logische zou zijn als de rode kater op hetzelfde moment als twee dagen geleden kwam opdagen. Dat gebeurde echter niet. De zon stond al hoog aan de hemel, wat betekende dat de patrouilles elk ogenblik langs konden komen. Karperpoot moest die maar ontwijken en dan weer terugkeren naar hier. Tortelpels zal me toch niet missen, bedacht hij zich snuivend. Misschien merkt alleen Kolibrie dat ik weg ben. En Zandpoot, maar die heeft het vast gezellig met Stormpoot. Op dat moment ritselde het hoge gras. Karperpoot herkende de magnifieke, goudrode gestalte meteen: het was Pyro.

‘Je bent gekomen!’ Pyro klonk oprecht blij. ‘Ik wist het wel, Karperpoot.’ Karperpoot probeerde het ongemakkelijke gevoel dat hij iets fout deed, te negeren. ‘Ja, ik ben er’, beaamde hij. ‘Je wilde me spreken.’ Pyro knikte. Zijn oranje ogen fonkelden nieuwsgierig, alsof hij zijn gesprekspartner probeerde te peilen. ‘Ik heb gehoord van je problemen in de Clan. Je worstelt om aan populariteit te winnen, nietwaar?’ Karperpoot haalde zijn schouders op. ‘Soort van.’ Pyro ging rustig zitten. ‘Ja dus. Waarom behandelen ze je anders dan de rest?’

Karperpoot zweeg even. Wat moet ik daar nou weer op antwoorden? Ik weet het ook niet precies… ‘Omdat ik een buitenstaander ben’, mompelde hij uiteindelijk. ‘Mijn ouders zijn zwerfkatten. Kolibrie, mijn moeder, woont in de Clan, maar Guus, mijn vader, leeft ergens anders.’ Het was moeilijk om zijn eigen stem aan te horen. Hij hoorde afschuw bij het uitspreken van Guus’ naam; zelfs iets van haat, terwijl Karperpoot hem nooit had gekend. ‘En dat vind jij een reden?’ miauwde Pyro geïnteresseerd. ‘Een reden om jou te discrimineren?’ Karperpoot knikte kort. ‘Ja, eh, ik ben niet één van hun. Ze vinden me raar. Dat is begrijpelijk, toch?’ Pyro gromde. ‘Nee, dat is het niet!’ Er lag een onverwachte felheid in zijn stem. ‘Om ervoor te zorgen dat zij jou respecteren, moet je eerst jezelf accepteren. Je kunt niet verwachten dat zij veranderen als je het oké vindt wat ze doen.’

‘Ik vind het niet oké, hoor’, mompelde Karperpoot. Pyro ontspande. ‘Dan moet je dat laten merken. Vraag aan hen wat ze tegen je hebben. Jullie voormalige Clanleider, Morgenster, was toch ook geen RivierClankat?’ Karperpoot keek hem stomverbaasd aan. ‘Wat? Echt niet?’ Pyro zwaaide met zijn staart. ‘Nee, ze kwam ergens anders vandaan. Een geschiedenis die iedereen probeert te vergeten. Ooit was er een vijfde Clan, maar die werd verdreven door de andere vier Clans. En nu schamen die zich zo erg dat niemand er meer over praat.’ Hoe weet hij dit allemaal? bedacht Karperpoot zich argwanend. ‘Heb jij Morgenster gekend?’ waagde hij te vragen. Pyro schudde zijn kop. ‘Nee. Maar ik kende Ringstaart wel – en anderen uit je Clan.’

Ringstaart was RivierClans vroegere commandant, Stormpoots vader en momenteel de leider van een ver weg wonende groep katten. Karperpoot had hem nooit goed gekend. ‘Ringstaart? Heeft hij dit alles verteld?’ Pyro haalde zijn schouders op. ‘Het meeste, ja. Hij heeft me van alles over de Clans geleerd. De positieve én de negatieve punten. Hij wist hoe moeilijk sommige katten het hadden in de RivierClan en volgens mij was dat ergens wel de reden dat hij jullie heeft verlaten. In het Verbond, waar hij nu is, gaan de katten veel vriendelijker met elkaar om. Er bestaan dingen als tweede kansen.’ Karperpoot trok met zijn oor toen Pyro verderging. ‘Iedereen maakt fouten, sommigen wat ergere dan anderen, maar die fouten achtervolgen je voor het leven. En jouw afkomst, Karperpoot, wordt gezien als een fout. Niets meer dan dat. Een fout die je zelf niet eens hebt gemaakt.’

Hoofdstuk 26 Edit

IJsduiker Icon

Totaal vermoeid kwam IJspoot terug van de training. Het was minder benauwd, maar nog steeds erg heet en ze voelde zich futloos en uitgeput. Dat had echter nog een reden. Vospoot had haar verslagen tijdens een oefengevecht, dankzij weer een zelfbedachte, efficiënte beweging. Ik ben zo blij voor hem, dacht ze een beetje sip, maar toch… iets is niet in de haak. Hoe kan Vospoot binnen een paar dagen nou zo vooruit zijn gegaan? Haar blik gleed naar Doornflint, die naar zijn kittens toe liep. Het waren vier jongen: de extraverte Zeggekit, de fanatieke Okerkit, schoonheid Meidoornkit en dan tenslotte Zwijnkit, de stilste van het nest. IJspoot had even met ze in de kraamkamer gezeten, maar sinds haar leerlingenceremonie was ze niet heel veel meer met hun omgegaan.

‘IJspoot!’ piepte Zeggekit enthousiast. ‘Hoe was de training? Heb je DonderClankatten ingemaakt?’ IJspoot snorde luid. ‘Nee, nee, dat niet. Maar wel gedaan alsof, hoor.’ Doornflint wierp haar een warme blik toe. ‘Ja, IJspoot is een hele goede vechter. Die DonderClanstinkerds moeten maar uitkijken wanneer zij een krijger wordt!’ IJspoot legde haar oren verlegen plat en voelde zich warm worden bij het compliment van de oudere krijger.

‘Eigenlijk, IJspoot, wilde ik je even spreken’, miauwde Doornflint. Zeggekit veerde meteen op. ‘Oh, mag ik mee? Alsjeblieft?’ De goudbruine krijgskat schudde zijn kop. ‘Dit zijn zaken voor grote katten, Zeggekit. Over een tijdje, als je een leerling bent, kun je erover meepraten.’ Zeggekit ging mokkend zitten. IJspoot voelde iets van medelijden; als dochter van de Clanleider, was zij vroeger toch veel meer betrokken geweest bij politieke kwesties over bijvoorbeeld het leiden van de Clan. Pap schuwde er niet voor om me het hele Clanleven uit te leggen, dacht ze een beetje weemoedig. We gingen toen veel meer met elkaar om. Misschien moet ik Schaapbont en Sintelster maar wat vaker opzoeken.

‘Ik wilde het hebben over Vospoot’, zuchtte Doornflint, toen ze ergens aan de rand van het kamp zaten. IJspoot trok met haar oren. ‘Kijk, ik ben heel blij dat hij zo vooruitgaat’, zei de krijger met een schuine blik op het leerlingenhol. ‘Maar ik ken mijn leerling net zo goed als mijn eigen staart. Ik weet dat er iets mis is, dat hij extra training krijgt van iemand.’ Zo had IJspoot er nog niet eerder over nagedacht. ‘Extra training?’ herhaalde ze verward. Doornflint knikte. ‘Ja, iemand uit de Clan leert hem waarschijnlijk nieuwe bewegingen. Iemand met een aparte vechtstijl.’ Maar wie heeft er zo’n unieke vechtmethode? dacht IJspoot vervreemd. De SchaduwClan kende veel goede krijgers, maar hun manoeuvres waren toch min of meer hetzelfde.

‘Jij kent Vospoot op een andere manier dan ik’, legde Doornflint uit. ‘Misschien kun jij wat informatie uit hem loskrijgen. Ik ben zijn mentor, dus ik hoor te weten of Vospoot nog een andere leraar heeft. Anders raakt hij misschien overwerkt.’ De blik in zijn ogen was oprecht bezorgd. IJspoot voelde haar borst opzwellen bij het besef wat een vertrouwen Doornflint in haar stelde. ‘Ik zal het proberen’, verzekerde ze ernstig. ‘En als hij echt bij iemand anders oefent… dan wordt hij niet gestraft, toch?’ De bruin gestreepte krijger schudde zijn brede kop. ‘Tuurlijk niet. Dat hij zoveel toewijding in zijn training stopt, is geweldig om te zien en dat ga ik echt niet bestraffen.’ Er viel een last van IJspoots schouders. Ja, ze ging naar informatie vissen, maar ze deed het om haar broertje te helpen. Daar was niks mis mee, toch?

Hoofdstuk 27 Edit

Karpersnor Icon

Allerlei gevoelens gingen door Karperpoot heen. Woede, verdriet, maar vooral opluchting. Opluchting, omdat Pyro hem boven alles leek te begrijpen. ‘Weet jij hoe het voelt?’ vroeg Karperpoot zacht. ‘Je spreekt erover alsof je het zelf hebt meegemaakt.’ Pyro knipperde met zijn ogen. ‘Een kwestie van empathie, denk ik’, zuchtte de rode kater. ‘Je hoeft niet alles zelf doorgemaakt te hebben om katten te begrijpen. Je moet je gewoon openstellen voor hun problemen, dan komt alles goed.’

Karperpoot voelde hoe zijn wantrouwen langzaam wegebde. Pyro wist wat hij deed. Pyro probeerde hem te helpen, te steunen, hem gehoord te laten voelen. En het had effect. ‘Ik heb gewoon het idee dat hard werken niet helpt’, bracht Karperpoot uit. ‘Ik doe minstens evenveel werk als Stormpoot. En toch is hij geliefd en ik niet!’ Pyro was even stil. ‘Wie zijn Stormpoots ouders?’ vroeg de zwerfkat uiteindelijk behoedzaam. Karperpoot haalde zijn schouders op. ‘Ringstaart en Dubbellicht, maar die hebben de Clan al manen geleden verlaten. Zoals je volgens mij al weet.’ Pyro snorde zacht, niet van blijdschap, maar eerder om Karperpoot gerust te stellen. ‘Dan lijkt het me niet dat Stormpoot bevooroordeeld wordt. Hij is een kopie van Ringstaart, nietwaar? Is het dan niet logisch dat katten zich aan hem hechten, omdat ze Ringstaart missen?’

Zo had Karperpoot er nog nooit over nagedacht. Er zat wat in. Dus daarom is Vlekster Stormpoots mentor geworden! Vlekster is Ringstaarts broer en beste vriend; hij wilde die bij zich houden, door Stormpoot als leerling te nemen. Alle puzzelstukjes vielen op hun plaats. ‘Het is volkomen natuurlijk hoe je Clangenoten zich gedragen’, verklaarde Pyro. ‘Maar het is wel vervelend voor jou. Je kunt hun respect verdienen door je zelfverzekerder op te stellen, door te laten zien dat je je niet geraakt voelt door hun opmerkingen. Zeker bij de ruwere krijgers zal dat helpen.’ Pyro pauzeerde even. ‘Ik kan je daarmee helpen, als je wilt’, zei de roodgouden kater uiteindelijk. ‘We kunnen hier om de dag afspreken. Ik zal je helpen om zelfvertrouwen te krijgen, om jezelf te respecteren zoals je bent. Je zit nergens aan vast. Als je het niks vindt, stop je gewoon.’ Karperpoot wist dat zijn Clan hier niet blij mee zou zijn. Therapiesessies met een wildvreemde kat? In de tijd waarin ik ook zou kunnen jagen of trainen? Maar Tortelpels zat toch niet bepaald op zijn lip de hele dag, dus hij kon gaan en staan waar hij maar wilde. Waarom niet? Zelfverzekerder worden was iets waar de RivierClan ook baat bij had.

‘Graag’, gaf Karperpoot toe. ‘Ik zou graag om de dag hier willen afspreken.’ Pyro snorde goedkeurend. ‘Dat is een geweldige beslissing! We kunnen trainen aan je opstelling, maar we kunnen ook extra jaag- en vechttrainingen erbij nemen als je wilt. Het is aan jou.’ Karperpoot voelde zich blij, maar vooral overdonderd door alle nieuwe steun die hij kreeg aangeboden. Als ik echt een geweldige krijger word door die extra oefeningen, dan zal dat me ook helpen om op te vallen! Dan maak ik Kolibrie trots en kan ik mezelf straks tot de populaire krijgskatten van de Clan rekenen! Zijn hart stuiterde op en neer in zijn borst en hij hief zijn kin op. ‘Dat lijkt me fantastisch. Dankjewel.’ Pyro glimlachte. ‘Kijk eens. Je staat al steviger in je poten dan de vorige keer.’ Hij wierp een blik op de zon, die nu hoog aan de hemel stond. ‘De RivierClan- en WindClanpatrouilles zullen zo wel langskomen’, miauwde de zwerfkat. ‘Ik moet maar eens gaan. We zien elkaar dan overmorgen weer?’ Karperpoot knikte ijverig. ‘Mooi zo’, snorde Pyro. Hij draaide zich om en schreed weg, machtig als een leeuw, maar draaide zich nog één keer om. ‘Oh ja, en voor we elkaar weer zien, geef ik wat thuiswerk mee om je zelfvertrouwen te stimuleren.’ Hij glimlachte kort, alsof hij wist dat de volgende opdracht Karperpoot koppijn zou gaan bezorgen. ‘Ik wil dat je regelt dat je naar de Grote Vergadering mag.’

Hoofdstuk 28 Edit

Bergwind Icon

Het was een geluk bij een ongeluk dat Steenvuur weg was, want nu had Bergpoot toch nog kunnen trainen met Maanvonk. Hij was helemaal onder de indruk! dacht Bergpoot opgewonden. Ik heb hem omver geblazen met mijn vechttechnieken! De witharige commandant liep een eindje voor hem en gleed nu de ondiepe beek in die naar het kamp leidde. Bergpoot vroeg zich af of Steenvuur daar al zou zijn; Tortelpels en Maanvonk zouden de bruine krijgskat vast helemaal verrot schelden. En dat heeft hij ook wel verdiend, dacht Bergpoot boos. Hij heeft me gewoon laten stikken! Dat is echt niet cool! Terwijl ze beiden door het water waadden, keek Maanvonk over zijn schouder. ‘Ga jij maar wat prooi van de hoop pakken’, bood de commandant royaal aan. ‘Je hebt je goed ingezet vandaag. Ik zal ervoor zorgen dat Steenvuur dat te horen krijgt.’ Bergpoots borst zwol op van trots en hij trippelde op de hoop verse prooi af, waar zijn nestgenoten al zaten.

Woekerpoot sperde haar ogen wagenwijd open. ‘Wow! Sinds wanneer train jij met de Clancommandant? Dat wil ik ook!’ Bergpoot stak zijn tong uit. ‘Sinds hij mij wilde trainen! Nènènè!’ Tot zijn schrik zag hij dat Stormpoot afkeurend zijn kop schudde. ‘Kom op, jongens, jullie zijn leerlingen nu. Doe niet zo kinderachtig.’ Maar er lag een geamuseerde twinkeling in zijn ogen, wat verraadde dat hij het eigenlijk wel grappig vond.

‘Morgen is de Grote Vergadering!’ miauwde Zandpoot enthousiast. ‘Ik hoop zó erg dat Vlekster me mee laat gaan! Schemerstaart zegt dat er een grote kans is!’ Stormpoot stootte haar zachtjes aan. ‘Je bent toch al een keer geweest? Misschien is het nu Karperpoots beurt.’ Zandpoot snorde luid. ‘Ja, maar misschien mogen we allebei! Dat zou geweldig zijn, dan kan ik Karperpoot alles laten zien en zo! Waar is hij trouwens?’ Ze merkte het achteloos op, maar Bergpoot voelde onrust in zijn maag woelen. Tortelpels zat een eindje verderop te eten. Had zijn vader wéér niet met Karperpoot getraind? Dan is Tortelpels net als Steenvuur, dacht Bergpoot verdrietig. Dat kan toch niet? Mijn vader zou nooit een leerling verwaarlozen!

Hij leidde zijn gedachten af van Karperpoot en zag hoe Stormpoot iets dichterbij Zandpoot ging zitten. ‘Pech, Woekerpoot’, fluisterde Bergpoot in zijn zusjes oor. ‘Ik denk dat je geen kans meer maakt bij Stormschattebout.’ Woekerpoot wierp hem een giftige blik toe en wendde zich tot Wilgenpoot. ‘Denk je dat wij naar de Vergadering mogen gaan?’ Wilgenpoots ogen begonnen te stralen, maar Algenpoot kwam er pootschuifelend tussendoor. ‘Eh, ik denk het niet. We zijn pas gisterochtend leerlingen geworden, dus dan zouden ze eerder anderen kiezen.’

Wilgenpoot was even sip, maar Bergpoot wist dat de rode poes nooit lang in een slechte bui kon zijn. Hij richtte zich tot Stormpoot. ‘Denk jij dat je uitgekozen wordt?’ De zwart-witte kater haalde zijn schouders op. ‘Ik hoop het, maar ik was de vorige keer al mee. Het wordt afwachten. En anders blijf ik gewoon in het kamp met Zandpoot.’ De zandkleurige poes sloeg haar ogen neer en trok verlegen met haar staart. Woekerpoot had nog even een jaloerse fonkeling in haar ogen. Daarna begon ze met Wilgenpoot en Algenpoot over de training te praten, maar Bergpoot had weinig zin om bij hun aan te schuiven. Ik wil Steenvuur vinden en vragen waarom hij in SterrenClans naam niet met me wilde trainen, besloot hij voor zichzelf. Het leek er echter niet op dat de bruin gestreepte krijger in het kamp was. Bergpoot wist dat hij het beste kon wachten tot Steenvuur terugkwam en niet zomaar het territorium in kon lopen – zeker nu niet, met de dreiging van die indringer – dus trippelde hij op de kampingang af en ging daar zitten. Het was nu een kwestie van wachten.

Hoofdstuk 29 Edit

Dauwspoor Icon

‘Dus Vissenschub doet weer patrouilles?’ vroeg Dauwspoor nieuwsgierig. Heemstveer knikte, zijn poten groengelig van een kruidenbrij die hij aan het maken was. ‘Ja, al zal hij nog niet langs risicovolle gebieden gaan. Gewoon een beetje langs de DonderClangrens en wellicht een patrouille naar de SchaduwClangrens bij Vierboom, dat kan geen kwaad.’ Dauwspoor was blij dat de Clan herstelde na de twee WindClangevechten. Haar eigen verwondingen deden ook geen pijn meer, maar hadden diepe klauwsporen achtergelaten. Ze wenste het geen enkele RivierClankrijger meer toe om in zo’n strijd te belanden. Gelukkig leek dat ook niet te gaan gebeuren, want Vogelster en Vlekster zouden een officieel vredesakkoord gaan sluiten op de Grote Vergadering van morgen.

‘Nu alle gewonden weer taken hebben,’ miauwde Heemstveer vragend, ‘is het dan niet tijd voor jou om weer terug te keren naar het krijgersleven?’ Dauwspoor wilde daarmee instemmen, maar ze voelde een vlaag van misselijkheid opkomen. Het idee alleen al dat ze weer zou moeten vechten, het idee alleen al dat ze machteloos stond tegen welke tegenstander dan ook… zelfs bij een korte jachtpartij van gisteren had ze zich al een monster gevoeld. Waarom verdienden die muizen en vissen het niet om verder te leven? Waarom moesten haar klauwen nou per se een einde aan hun bestaan maken?

Dauwspoor wist niet wat te zeggen. Het medicijnhol had de afgelopen tijd als een veilige schuilplek gevoeld, een thuis, maar dat was het natuurlijk niet. Heemstveer was de medicijnkat; zij was gewoon een krijger, eentje die de Clan niet kon missen, als ze Maanvonk moest geloven. Toch knaagde het verlangen om te blijven aan haar. ‘Wat is er?’ murmelde Heemstveer. ‘Doen je verwondingen nog pijn?’ Dauwspoor haalde haar schouders op. ‘Nee, niet echt. Ik-ik zou weer kunnen jagen en patrouilleren. Denk ik.’ Het kwam er in horten en stoten uit. Ze voelde zich warm worden onder haar pels, alsof haar aderen gevuld waren met vuur. Het was niet het vuur waar ze normaalgezien de kracht uit putte om door te gaan, om zich vol in te zetten voor de Clan, en het was ook niet de warmte die haar geborgenheid gaf. Het was nervositeit, spanning, het waren de opgekropte zorgen die ze niet naar buiten durfde te brengen.

‘Welke kruiden gebruikte ik net voor dat mengsel?’ vroeg Heemstveer uit het niets. Dauwspoor schrok op. ‘Eh, brem, brandnetel en goudsbloem, om infecties bij wonden tegen te gaan’, ratelde ze op. De spanning in haar maag nam toe. Wat wil hij van me? Heemstveer leek diep in gedachten verzonken. Zijn dikke, donzige, goudbruine staart sloeg op en neer en hij sleepte hem per ongeluk door het kruidenkompres heen. Geïrriteerd begon de medicijnkat zijn staart te likken, waarbij hij een vies gezicht trok toen zijn tong langs de kruiden raspte.

Dauwspoor wachtte geduldig tot Heemstveer klaar was. De kater keek op en rond zijn volle, witte wangen verscheen een glimlach. ‘Dauwspoor?’ De goudbruine kater haalde even diep adem. ‘Je bent een onwijs goede hulp geweest de afgelopen dagen. Iemand met een goed geheugen, een flinke intelligentie en daarnaast heel veel aandacht voor alle patiënten.’ Dauwspoor knipperde verlegen met haar ogen. ‘Eh, dankjewel…’ Heemstveer schudde even zijn kop. ‘Nee, ik was nog niet klaar. Ik heb zelden een krijger als jij gezien die zoveel talent voor mijn vak heeft. Je karakter past perfect bij het beeld wat ik heb van een goede medicijnkat en, nou ja, het is niet dat ik overwerkt ben ofzo, maar een extra paar poten zou niet verkeerd zijn.’ De medicijnkat hief zijn kop op en keek Dauwspoor diep aan met zijn nieuwsgierige, groene ogen. ‘Dauwspoor, zou jij mijn leerling willen worden?’

Hoofdstuk 30 Edit

Dauwspoor Icon

Wacht, wat?! Meent hij dit echt? Dauwspoor gaapte Heemstveer aan. ‘Medicijnkat?’ herhaalde ze ongelovig. ‘Maar-maar wat als iemand uit de Clan dat wil worden? Iemand die dat echt als droom heeft?’ Heemstveer haalde zijn schouders op. ‘Dan heeft diegene pech. Jij bent precies wat de RivierClan nodig heeft en als Vlekster dat niet beseft, is hij een vissenbrein.’ Dauwspoor kon het niet laten om te snorren. Vlekster was de Clanleider, de meest hooggeplaatste kat van de RivierClan, en toch leek Heemstveer niet bang te zijn om hem te beledigen. Eigenlijk deden alle oudere krijgers dat zonder vrees. Dauwspoor had ooit van Maanvonk gehoord dat Vlekster vroeger heel anders was geweest: een kat die gerespecteerd werd, maar tegelijkertijd ook niet de meest trotse of populaire krijger van de Clan was.

‘Dauwspoor?’ herhaalde Heemstveer met een kort trekje van zijn staart. ‘Als je erover na wilt denken is dat oké, hoor.’ Dauwspoor volgde zijn advies op en dacht diep na. Medicijnkat… ik heb er nooit over nagedacht… maar als ik medicijnkat word, kan ik katten helpen. En ik hoef niet meer te vechten. Haar belevenissen tijdens het WindClangevecht keerden terug. Miezersnor die zijn klauwen in haar vacht zette, de angstige leerling die niet wist wat te doen en natuurlijk het machteloze gevoel dat haar spieren niet werkten, haar instincten geblokkeerd werden…

‘Ik wil het.’ Dauwspoor was verbaasd hoe vastberaden ze klonk. ‘Ik wil medicijnkat worden.’ Heemstveers groene ogen lichtten op van blijdschap. ‘Dat is geweldig! Dan kunnen we meteen naar Vlekster toe en het regelen!’ De medicijnkat sprintte weg. Dauwspoor liep hem rustig achterna; ze had haar twijfels over de beslissing die ze net had genomen, maar het plezier van de goudkleurige kater deed die verdwijnen als ijs in nieuwblad. Ze ging echt iets doen voor de Clan. In Morgensters naam, ze ging belangrijk worden! Een vreemde mix van zenuwen en vrolijkheid tintelde over Dauwspoors ruggengraat. Ze zag Heemstveer en Vlekster even overleggen, waarbij de zwart-witte kater snelle blikken in haar richting wierp. Is het de bedoeling dat ik op ze afloop? Of moet ik hier blijven staan?

Uiteindelijk sprong Vlekster op de Natte Rots. ‘Laat alle katten van de RivierClan zich onderaan de Natte Rots verzamelen voor een Clanvergadering!’ Zijn woorden strekten zich uit over het kamp en bereikten de oren van de RivierClankatten, die in allerlei holen en struiken verborgen zaten. Velen probeerden wat schaduw te pakken tijdens deze warme dagen. Ook Dauwspoor voelde de zon op haar vacht branden toen ze onderaan het rotsblok ging zitten, zelfs al was haar pels kort.

‘Beste katten’, begon Vlekster toen iedereen zat. ‘Sommigen van jullie zullen gemerkt hebben dat Dauwspoor de laatste tijd Heemstveer heeft geholpen met het medicijnkattenwerk. Dit is hun allebei goed bevallen en daarom zal Dauwspoor vanaf nu leerling-medicijnkat zijn.’ Er was even een stilte. Dauwspoors blik vloog naar haar familie; Muisjager keek haar stomverbaasd aan, Zwemvleugel straalde van trots en Schemerstaart… Schemerstaart keek naar haar met een onderzoekende blik, eentje die verraadde dat hij meer achter Dauwspoors reden zocht. Weet hij wat me overkomen is in het gevecht? vroeg ze zich onwillekeurig af. Misschien had Taanlicht of één van de anderen meer gezien dan Dauwspoor dacht, en hadden ze dat aan haar vader verteld. ‘Heemstveer, dit zal niet je eerste leerling worden,’ ging Vlekster verder, ‘omdat je Dasneus ook al hebt opgeleid. Daarom heb ik er het volste vertrouwen in dat je een geweldige mentor zal zijn voor Dauwspoor. Op de volgende halve maan-bijeenkomst zal ze goedgekeurd worden door de SterrenClan.’ Het gejuich begon, het geroep van haar naam, iets waarvan Dauwspoor dacht dat ze het niet meer zou meemaken na haar krijgersceremonie. Maar nu begon – opnieuw – een nieuw deel in haar leven. Als medicijnkat.

Hoofdstuk 31 Edit

Bergwind Icon

Dauwspoors leerling-medicijnkat ceremonie was een welkome afwisseling geweest in het lange wachten. Bergpoot was van zichzelf al niet zo’n heel geduldige kat en zijn poten jeukten om wat leuks te gaan doen, maar hij wilde loyaal overkomen. Als Steenvuur zag hoe hij hier op hem wachtte, dan zou hij zich misschien schuldig voelen. Dan konden ze er morgen wél op uit gaan! Daarom bleef Bergpoot rustig zitten, zijn pluizige staart om zijn poten geslagen en zijn blik op de kampingang gericht.

Eindelijk was er beweging. Er klonken pootstappen in het water, het geritsel van riet en daar kwam dan de stevig gebouwde gestalte van Steenvuur tevoorschijn. De bruin gestreepte kater droeg drie vissen in zijn bek; hij merkte Bergpoot niet eens op, totdat die kort kuchte. ‘Ahum.’ Steenvuur keek op. ‘Ah, Bergpoot! Sorry dat ik je zo lang heb laten wachten, we kunnen nu trainen.’ Hij leek zich van geen kwaad bewust en trippelde op de prooihoop af. Bergpoot achtervolgde hem geïrriteerd. ‘Gisteren zei je dat we vanochtend zouden trainen! Ik heb op je gewacht, maar je kwam niet!’ Steenvuur snoof. ‘Ik heb Maanvonk doorgegeven dat ik ging jagen. Als hij dat niet aan je verteld heeft, is dat jouw fout.’

‘Oh ja, broer?’ Bij het horen van die woorden draaide Steenvuur zich verschrikt om. Daar zat Maanvonk, zijn vacht keurig gepoetst en helder glanzend in het zonlicht. ‘Ik kan me niks meer van een gesprek herinneren’, ging de commandant verder. ‘Schuif de schuld niet op mij af, Steen. Jij hebt je leerling hier gewoon keihard laten zitten.’ Steenvuur gromde. ‘Als je dat zo zielig vond, grote schijnheilige haarbal, waarom heb je hem dan niet mee uit trainen genomen in plaats van dat je hem daar op me liet wachten?’ Maanvonk fronste, de irritatie duidelijk zichtbaar, maar zijn stem klonk beleefd toen hij miauwde: ‘Oh, dat heb ik gedaan. Bergpoot is een groot talent wat vechten betreft. Het zou toch eeuwig zonde zijn als al die potentie verloren gaat door verwaarlozing.’ Opeens begreep Bergpoot waar Steenvuur zijn naam aan te danken had. De bruine kater zette zijn vacht hoog op, waardoor hij leek op een flikkerende vlam.

‘Zeg mij niet wat ik moet doen!’ snauwde de krijgskat. ‘Je bent dan wel mijn commandant, maar met mijn mentorschap bemoei je je niet!’ Daarna stampte hij weg, zijn staart hoog en arrogant in de lucht gestoken. ‘Sorry, Bergpoot’, zuchtte Maanvonk. ‘Ik had me misschien moeten inhouden.’ Bergpoot haalde zijn schouders op, al stak het hem behoorlijk. Deze twee katers leken hun persoonlijke ruzies uit te vechten en hem daarin als een soort mosbal te gebruiken; een stuk speelgoed, niet in staat om zelf keuzes te maken.

Tortelpels was (eindelijk) uit trainen met Karperpoot, dus Bergpoot hoefde diens aanvaring met Steenvuur gelukkig niet te zien. Een beetje beduusd trippelde hij op het leerlingenhol af. De schaduwen omarmden hem als een koele duik in de rivier en hij rolde zich op in zijn nest, niet bereid om aan iets anders te denken dan Steenvuur. Zijn mentor had hem laten stikken en Maanvonk maakte alleen maar ruzie. Met Tortelpels, met Steenvuur en vast nog met vele anderen. Het voelde alsof de sfeer in de RivierClan de afgelopen tijd in één klap was omgeslagen, bijna alsof de Clan een spons was die steeds meer water opzoog, totdat hij zonk. En Bergpoot wilde het vuur zijn dat dat water deed verdampen. Maar hoe? Hoe kan het dat alles de laatste tijd zo bergafwaarts gaat? Komt het door de indringer, of door die katten die zomaar verdwijnen – Steenvuur, Tortelpels en wie weet nu ook Karperpoot. Wat als het geen toeval is? Wat als dit allemaal met elkaar te maken heeft…?

Hoofdstuk 32 Edit

Karpersnor Icon

Karperpoot zette zich af tegen de veenachtige grond, die zijn poten verkoelde. Met al zijn kracht vloog hij op Tortelpels af. De grijsgestreepte kater sprong weg, waarbij hij met zijn achterpoten een stuk doorgleed. Daar moet ik gebruik van maken, dacht Karperpoot geconcentreerd. Als ik hem daarheen lok… Hij drukte zich laag tegen de bodem aan en sloop richting de rivier. De aarde daar was helemaal drassig van het opspattende water; de perfecte plek om Tortelpels onderuit te halen. De krijgskat had schijnbaar niks in de gaten. Hij had zijn ambergele ogen tot spleetjes geknepen en volgde Karperpoot, steeds dichterbij de oever.

Uiteindelijk was het Tortelpels die als eerste aanviel. Het enige wat Karperpoot hoefde te doen, was diens sprong ontwijken. De kater probeerde nog te remmen, maar gleed door over de modder en plonsde in de rivier. Yes! dacht Karperpoot. Hij snorde van genoegen toen zijn mentor drijfnat op de kant klauterde. ‘Dat was een goede tactiek’, gaf die toe. ‘En eerlijk gezegd is een zwempartij ook niet het ergste wat me met deze hitte kan overkomen.’ Karperpoots borst zwol op van trots. Tortelpels was niet de meest royale wat complimentjes betrof, maar als hij er eentje gaf, dan meende hij dat ook echt. ‘Laten we terug naar het kamp gaan’, stelde Tortelpels voor. ‘De avond nadert en je hebt je goed ingezet voor vandaag.’

Karperpoot en zijn mentor trippelden richting het kamp. Pyro’s opdracht bleef door zijn hoofd spoken: “Regel dat je naar de volgende Grote Vergadering mag.” Het was vast een goede manier om zijn zelfvertrouwen te kweken, maar om op Vlekster af te stappen en het gewoon rechtstreeks te vragen… Karperpoot kreeg al huiveringen bij het idee. ‘Tortelpels,’ vroeg hij aarzelend, ‘morgen is de Grote Vergadering. Ik ben nog nooit geweest, dus ik vroeg me eigenlijk af of ik mee zou mogen.’ Tortelpels keek verrast op. ‘Dat moet je aan Vlekster vragen. Ik ga daar niet over, maar wat mij betreft is dat prima.’ De grijze kat was even stil en ging toen langzaam verder: ‘Het spijt me dat ik de laatste tijd zo weinig aandacht heb besteed aan je opleiding. Vandaag heeft Steenvuur Bergpoot in de steek gelaten op de eerste trainingsdag. Toen ik zijn teleurstelling zag, besefte ik dat ik me als een vissenbrein heb gedragen.’

Wat moet ik nu zeggen? vroeg Karperpoot zich af. Inmiddels heb ik toch al een tweede mentor – Pyro zou me nooit zo laten zitten als Tortelpels heeft gedaan. Maar dat hij sorry zegt, is… nou ja, het is iets. ‘Het maakt niet uit’, zei Karperpoot, al moesten de woorden als doornen uit zijn keel getrokken worden. Het maakte wel uit. Hij was oprecht gekwetst en zou Tortelpels’ uitbarstingen nooit meer vergeten, laat staan vergeven. Karperpoot haalde even diep adem, wetend dat de volgende woorden veel meer betekenden dan Tortelpels ooit zou kunnen vermoeden: ‘We kunnen een nieuwe start maken.’

Ze kwamen aan in het kamp. Vlekster was toevallig net aan het eten, dus Karperpoot greep zijn kans en trippelde op de Clanleider af. Met elke stap leken zijn poten zwaarder te worden, alsof er stenen aan hingen. Tortelpels gaf hem een kort, afstandelijk maar bemoedigend knikje. ‘Vlekster?’ vroeg Karperpoot met een hol gevoel in zijn maag. ‘Ik, eh, vroeg me af of ik naar de Grote Vergadering kan morgen. Tortelpels zei dat ik vooruit was gegaan met trainen en hij vond dat het mocht.’ Hij negeerde de verbaasde, enigszins geïrriteerde blikken van Stormpoot en Zandpoot. Die hebben gewoon pech. Als ik iets wil vragen, doe ik dat. ‘Natuurlijk’, miauwde Vlekster hartelijk. ‘Ik ben blij om te horen dat je zo’n ijverige leerling bent, Karperpoot. Je mag morgenavond mee, dat beloof ik.’ Karperpoots zenuwen zakten weg naar een plek waar hij ze niet meer kon voelen. Hij mocht naar de Vergadering! Pyro had hem echt geholpen!

Hoofdstuk 33 Edit

IJsduiker Icon

Een appelronde, zilverkleurige volle maan stond aan de hemel. Het was een wolkeloze nacht. Alle sterren waren duidelijk zichtbaar, hun witte puntjes fonkelend in mooie patronen die figuren vormden. Gelukkig koelt het ’s avonds wat af, dacht IJspoot opgelucht. De warmte van de hittegolf hing nog in de lucht, maar door een avondbries werd het een aangename temperatuur. Perfect voor de Grote Vergadering, die vanavond zou plaatsvinden.

IJspoot liep met haar broertje richting Vierboom. Ze was daar een paar keer op patrouille geweest, maar was nog nooit meegenomen naar een officiële Vergadering. Eindelijk zal ik katten van andere Clans ontmoeten! De gedachte maakte haar opgewonden en ze versnelde haar tempo. ‘Hee, wacht op mij!’ miauwde Vospoot. De rode kater sprong naar voren. Energie fonkelde in zijn groene ogen, terwijl zijn klauwen onrustig in- en uitgleden. ‘Wie denk jij dat er allemaal gaan komen?’ vroeg de koperrode kater. ‘Sowieso alle leiders en commandanten’, raadde IJspoot. ‘En de meeste medicijnkatten.’ Ook de SchaduwClan had die drie meegenomen; Sintelster en Donderdreun liepen voorop, met Donkerroos in hun kielzog. Donderdreuns normaal zo pikzwarte vacht kreeg een witachtige glinstering in het maanlicht.

Ook IJspoots mentor was meegekomen. Cedergrom liep zwijgend aan haar linkerzijde. Zijn pupillen waren kittenachtig rond, om zoveel mogelijk licht op te vangen. ‘Wie komen er nog meer?’ vroeg IJspoot aan de bruine krijgskat. Hij fronste nadenkend en miauwde: ‘Waarschijnlijk zijn de vooraanstaande, grote krijgers aanwezig. Er is geen dreiging door oorlog ofzo, dus reken er maar op dat er veel katten op Vierboom zijn. De verdediging in de kampen is zo lek als een taxusstruik.’

Die gedachte maakte IJspoot even ongerust, maar zoals Cedergrom al had gezegd, was er nauwelijks kans op een aanval. Bovendien zou geen van de Clans ooit de heilige wapenstilstand verbreken. ‘Kijk, we zijn er’, fluisterde Cedergrom. ‘Ik denk dat we redelijk vroeg zijn. Zie je die kater op de Groterots?’ Hij knikte richting het gigantische rotsblok beneden op het veld. IJspoot moest haar nek uitstrekken om een goed zicht te krijgen op wie erop stond. ‘Ja, ik zie hem’, beaamde ze. ‘Dat is toch Vlekster?’ Cedergrom knikte goedkeurend. ‘Dat is inderdaad Vlekster, de leider van de RivierClan. Hij is ongeveer tegelijkertijd leider geworden met je vader, Sintelster.’

Sintelster keek achterom toen hij zijn naam hoorde, maar besteedde er weinig aandacht aan en draaide zich weer richting Vierboom. IJspoot keek geconcentreerd toe hoe haar vader de weide in zich opnam, Donderdreun toeknikte en vervolgens zijn staart omhoog stak. Dat was het signaal dat alles veilig was. De SchaduwClan rende naar beneden, waarbij elk individu onzichtbaar werd en de menigte veranderde in een golf kolkende modder die van de heuvel af stroomde.

IJspoot remde vaart toen ze het einde van de helling naderde. Vospoot gleed echter door, waarbij hij over de kop buitelde en onhandig op zijn buik terecht kwam. Grote SterrenClan, wat gênant, dacht IJspoot en keerde snel haar blik af. Plotseling voelde ze Doornflints warme vacht naast haar. ‘Let op hem en kijk met wie hij omgaat vannacht, zodat we zijn tweede mentor misschien kunnen vinden’, murmelde de krijger zachtjes, voordat hij zijn eigen weg ging. IJspoot zuchtte kort. Terwijl hij plezier maakt, mag ik weer de spion uithangen… Maar ze raapte al haar wilskracht bij elkaar, gaf zichzelf een paar snelle likken, en trippelde achter haar broertje aan.

Hoofdstuk 34 Edit

Karpersnor Icon

Heel Vierboom krioelde van de katten. Karperpoot had plotseling spijt dat hij zo brutaal had gevraagd om mee te mogen; Zandpoot en Stormpoot waren thuis gelaten, dus hij bevond zich alleen op het gigantische grasveld. De RivierClankatten hadden zich meteen verspreid. Hij kon hun vachten niet meer onderscheiden door de wilde menigte van kleurrijke pelzen, die zijn zicht versperde. Ik heb nog nooit zoveel katten bij elkaar gezien… Karperpoot voelde zich nietig en nerveus in zo’n grote groep. Was het de bedoeling dat hij leerlingen van de andere Clans opzocht? Hoe ging hij ooit vrienden met hun maken? SterrenClan-verdomme, hij kende de leerlingen uit zijn eigen Clan nog niet eens goed!

‘Karperpoot!’ klonk een vertrouwde stem verderop. Daar stond Tortelpels, zijn amberkleurige ogen vriendelijk glinsterend. Naast de grijze kater zat een gespierde, zwarte kater. De scherpe geur van de SchaduwClan hing om hem heen en hij knikte Karperpoot beleefd toe. ‘Dit is Karperpoot, mijn leerling’, verklaarde Tortelpels tegen de SchaduwClankat. Een vleugje trots hing in zijn stem en Karperpoot voelde hoe een ongekende warmte zich verspreidde vanuit zijn borst. Het is alsof het gesprek van gisteren hem heeft veranderd.

‘Hallo, Karperpoot’, miauwde de zwarte kat warm. ‘Ik ben Donderdreun, een oude jeugdvriend van Tortelpels.’ Wat? SchaduwClans commandant is een vriend van mijn mentor?! ‘Ik ben opgegroeid in de SchaduwClan’, vertelde Tortelpels bij het zien van Karperpoots verwarring. ‘Donderdreun en ik waren holgenoten. Mijn broer, Heemstveer, is nog steeds Donderdreuns beste vriend.’ Dus Tortelpels is geboren in een andere Clan? dacht Karperpoot verward. Dat heeft hij me nooit verteld. Hij was er altijd zo trots op dat hij een kleinzoon van Morgenster was. Even schoot het door hem heen hoeveel makkelijker het zou zijn als de hele Clan niet op de hoogte was van zijn eigen afkomst. Wat als ze dachten dat hij Clangeboren was, in plaats van een eenling? Misschien zou zijn eigen verhaal ook verborgen blijven voor de nieuwere generaties, zoals met Tortelpels was gebeurd.

‘Ik heb zelf ook een leerling’, bracht Donderdreun het gesprek weer op gang. ‘Hij heet Schaduwpoot. Vanavond is hij niet mee, maar vorige keer heb je hem wel ontmoet, denk ik.’ Karperpoot schudde zijn kop. ‘Vorige keer was ik er niet.’ Zandpoot en Stormpoot wel… Donderdreun fronste. ‘Ah, dan waren het je nestgenoten, denk ik. Schaduwpoot zei dat hij een tijdje met wat RivierClankatten had gepraat.’

Ondertussen begon de Grote Vergadering. Wierster had niet veel interessants te melden, behalve dan dat ze een nieuwe leerlinge hadden. Karperpoot luisterde maar met een half oor, want hij wilde het gesprek met Donderdreun ook volgen. De SchaduwClancommandant stopte echter snel met praten en concentreerde zich volledig op de Vergadering. ‘…wij hebben nieuwe krijgers: Grijsdauw en Weidestaart’, vertelde Vogelster kalm. ‘Ook zijn Cederstrooms drie kittens aan hun leerlingentijd begonnen. Verder hebben we een kort conflict gehad met de RivierClan,’ haar ogen schoten snel naar Vlekster, ‘maar dit berustte op een misverstand. Wij vragen de Donder- en SchaduwClan om uit te kijken naar een grote, langharige, rode kater met oranje ogen. Als jullie hem vinden, gelieve hem dan uit te leveren aan onze Clan. We zijn bereid om hiervoor prooi in ruil te geven.’

Tot zijn afschuw zag Karperpoot dat Sintelster en Wierster geïnteresseerde blikken wisselden. Vogelster heeft zojuist een premie op Pyro’s hoofd gezet! Ik moet hem waarschuwen! Maar hij probeerde zijn gezicht in de plooi te houden. Niemand mocht weten dat Pyro zijn tweede mentor was – niemand mocht weten dat Karperpoot zichzelf met zijn hulp ging bewijzen.

Hoofdstuk 35 Edit

IJsduiker Icon

Donkere dennentakken blokkeerden IJspoots zicht toen ze zich een weg door de struiken baande. Het was de ochtend na de Grote Vergadering. Vermoeidheid knaagde aan haar, maar ergens was ze toch klaarwakker. Vospoot is ook zo’n kluns, dacht ze, een geeuw onderdrukkend. Hij dacht het leerlingenhol te verlaten zonder dat ik het merkte! Nou, dan heb ik slecht nieuws voor hem… Ze achtervolgde Vospoot nu al een tijdje. Zijn geurspoor leek te leiden naar een uithoek van het territorium, wat ze erg vreemd vond. Vospoot is geen type om ’s morgens vroeg te gaan jagen… Het was vrijwel zeker dat de koperbruine kater een ontmoeting had gepland. Maar met wie? IJspoots poten jeukten om achter haar broer aan te sprinten en het hem te vragen, maar ze behield wijselijk haar tempo.

Even schoot het door haar heen of ze Doornflint überhaupt zou inschakelen, mocht Vospoot zich in de nesten gewerkt hebben. De bruine kater had gezworen dat hij zijn leerling niet zou straffen. Maar wat is zijn woord nog waard? vroeg IJspoot zich onwillekeurig af. Hij is al eens eerder tegen Vospoot uitgevallen. Kan ik hem nog vertrouwen? Hoe erg Vospoots daden misschien ook zouden zijn, ze zou hem nooit verraden. Dat deed familie niet bij elkaar.

Plotseling hoorde ze stemmen komen van dichtbij. Snel dook IJspoot naar beneden, bang dat de katten haar hadden gezien. Toen niks daarop wees, kwam ze iets overeind, zodat ze het tafereel met eigen ogen kon aanschouwen. Natuurlijk herkende ze één van de twee gestaltes die verderop zaten: het was Vospoot. Hij zat geduldig op een open plek in het dennenbos, zijn platte staart om zich heen geslagen. Tegenover hem bevond zich een gigantische, goudrode kater, die hoog boven Vospoot uittorende. De indringer waar de WindClan het over had! schoot het door IJspoot heen. Misschien wil Vospoot hem meelokken en hem dan uitleveren!

Haar hoop werd gelijk de grond in geboord. ‘Pyro, wat gaan we vandaag doen?’ miauwde Vospoot opgewekt. De rode kater, blijkbaar Pyro geheten, knipperde met zijn oranjekleurige ogen. ‘We hebben niet lang de tijd. Om zonhoog moet ik ergens anders zijn.’ Vospoot knikte ernstig. IJspoot had hem zelden zo serieus gezien, en er lag een gretigheid in zijn blik die haar kippenvel gaf. ‘Hoe is je training?’ vroeg Pyro geïnteresseerd. Vospoot veerde gelijk op en zijn oude kinderlijkheid kwam weer terug. ‘Super! Doornflint is helemaal onder de indruk! En Sintelster en Schaapbont zeiden gisteren dat ik een goede krijger zou worden! Oh, en ik mocht mee naar de Grote Vergadering!’ De roodbruine kater sprong nu heen en weer van enthousiasme, waarbij zijn lange poten hem soepeltjes de lucht in lanceerden. IJspoot had hem al tijden niet meer zo op zijn gemak meegemaakt. Is hij blijer bij die Pyro dan bij ons? Haar hart leek opeens het gewicht van een das te worden. Ze wilde hier weg. Ze wilde ontsnappen aan Vospoot en die nieuwe mentor van hem.

Pyro keek geamuseerd naar de drukke kater. ‘En hoe zit het met de andere leerlingen?’ Vospoot werd weer iets rustiger en ging zitten. ‘Goed, denk ik. Edelpoot wordt binnenkort een krijger. Schaduwpoot heeft een oogje op IJspoot – maar die is ondertussen meer geïnteresseerd in Donderdreun.’ IJspoot voelde haar kop tollen. Hoe wist Vospoot dat? Was het zó duidelijk? En waarom, in SterrenClans naam, vertelde hij al deze informatie aan een buitenstaander? Het besef dat haar broer de krijgscode aan het overtreden was, drong langzaam haar bewustzijn binnen. Ik moet iets doen, dacht ze in paniek. Ik moet ervoor zorgen dat hij hiermee stopt!

Hoofdstuk 36 Edit

Bergwind Icon

Toen Bergpoot wakker werd, was het eerste wat hij zag, een bruin gestreept gezicht. Meteen schoot hij overeind. Wat in SterrenClans naam– Door de plotselinge beweging, stootte hij met zijn kop tegen de neus aan van degene die over hem heen gebogen stond. ‘Auw!’ grauwde die. De stem klonk pijnlijk bekend en Bergpoot schrok toen hij besefte dat het Steenvuur was. ‘Eh, sorry’, miauwde hij ongemakkelijk. Steenvuur snoof. ‘Zeg maar sorry tegen mijn neus, jongekat. Kom op, we gaan trainen.’ Bergpoots gêne werd meteen vervangen door opwinding. Zijn eerste dag trainen met zijn mentor! Maanvonks vechttraining was ook leuk geweest, daar niet van, maar Steenvuur was toch anders. Het voelde voor Bergpoot alsof zijn opleiding nu echt zou beginnen.

De twee liepen het leerlingenhol uit. ‘Wat gaan we vandaag doen?’ snorde Bergpoot nieuwsgierig. Steenvuur keek niet op of om terwijl hij door de kampuitgang ging. ‘We gaan aan je jachtvaardigheden werken. Heb je die gisteren al geoefend?’ Bergpoot schudde zijn kop. Ergens vond hij het raar dat Steenvuur en Maanvonk niet hadden besproken hoe de training van gisteren was gegaan. Ze zijn broers; je zou toch zeggen dat ze met elkaar op kunnen schieten?

Zonder enige twijfel schreed Steenvuur door het territorium. Hij hoefde geen tel te wachten om de weg te bepalen, alsof hij elk bosje en graspolletje kende. Bergpoot voelde een gevoel van bewondering woelen in zijn buik. Later wil ik net zo’n goede krijger zijn! Dan ken ik mijn hele territorium, zo goed als mijn eigen staart! ‘Twee dagen geleden heb ik je een rondleiding door het territorium gegeven’, verklaarde Steenvuur. ‘Ik heb je toen ook het Wilde Veld laten zien. Leid ons daar maar heen.’ Bergpoot keek zijn mentor stomverbaasd aan. ‘D-denk je dat ik de weg nog weet?’ Steenvuur knikte kort. ‘Tuurlijk,’ bromde hij geruststellend, ‘zo moeilijk is het echt niet. Bovendien kan ik het altijd nog overnemen als we verkeerd lopen.’

Uiteindelijk zag Bergpoot het Wilde Veld voor zich verschijnen. Hij wist zeker dat hij een omweg had gemaakt, maar dat kon hem niks schelen. Steenvuur ook niet, zo te zien. De bruin gestreepte krijger gaf hem een goedkeurend knikje. ‘Goed gedaan, Bergpoot. Het is fijn om te zien dat je zo goed hebt opgelet.’ Bergpoot zette zijn borst op van trots. Het pluizige haar waaide alle kanten op door de wind, wat hem vele malen groter deed lijken dan dat hij was. ‘Dus, daar is de rivier’, miauwde Steenvuur. ‘Verderop, achter de waterval, is een tweebeenbrug. Waarom is dat een tactisch nadeel voor ons? En waarom ook een voordeel?’

Bergpoot dacht even na. ‘Nou, eh, het is een nadeel omdat de WindClan zo ons territorium binnen kan komen. En het is een voordeel omdat… eh…’ Steenvuur viel hem in de rede. ‘Het klopt inderdaad dat de WindClan de tweebeenbrug gebruikt om de rivier over te steken. Maar wat zij kunnen, kunnen wij ook, begrijp je? De tweebeenbrug is voor ons een snelle manier om bij Vierboom te komen, voor als we bijvoorbeeld naar de Grote Vergadering gaan. We mogen dan wel RivierClankatten zijn, maar niemand zit erop te wachten om met een natte vacht op dat koude grasveld te zitten!’ Wat hij zei, klonk logisch. Bergpoot nam zich voor om alles van Steenvuurs uitleg te onthouden – het zou hem niks verbazen als de kater er binnenkort weer vragen over ging stellen. ‘Ik moet nu heel even weg’, miauwde Steenvuur haastig. ‘Je kunt alvast de geurmarkeringen aanbrengen bij onze grens. Ik heb je laten zien hoe dat moet, toch?’ Overdonderd knikte Bergpoot. ‘Mooi zo’, zei de krijger. ‘Ik ben terug voordat je “muis” kunt zeggen!’ Hij sprintte weg in een tempo dat gelijk was aan dat van een WindClankat… En het duurde enkele tellen voordat Bergpoot zich realiseerde dat Steenvuur hem nooit iets had geleerd over markeringen.

Hoofdstuk 37 Edit

Dauwspoor Icon

‘Komkommerkruid is goed voor koorts. Biezen zijn goed voor breuken. Honing is tegen een zere keel.’ Dauwspoor voelde hoe haar eigen keel zeer begon te doen terwijl ze alle kruiden op ratelde. Gisteren had Heemstveer haar de voorraadkamer laten zien. Het was nu haar taak om de bovenste rij medicijnen uit haar hoofd te leren – en dat was niet bepaald makkelijk, zelfs niet voor iemand met een redelijk geheugen. ‘Goed zo’, prees Heemstveer haar. ‘We nemen even een eetpauze. Ik denk niet dat je al ontbeten hebt.’

Dauwspoor hoorde haar maag knorren. ‘Dank je’, miauwde ze opgelucht en trippelde het medicijnhol uit. Het morgenzonnetje was inmiddels ontwaakt. Haar warme stralen verspreidden een geluksgevoel door Dauwspoors aderen, iets wat ze al een hele tijd niet meer had gevoeld. Ik ben een medicijnkat, bedacht ze zich vrolijk. Ik hoef nooit meer te vechten of te jagen. De zweem van machteloosheid die ze had gevoeld tijdens het WindClangevecht, achtervolgde haar nog iedere nacht in haar dromen. Ze begreep het niet. Waarom had ze Miezersnor en de anderen met geen klauw kunnen aanraken? Tijdens de training had Maanvonk haar altijd een natuurtalent genoemd; was dat allemaal voor niks geweest?

Naast de hoop verse prooi zat Schemerstaart. De witgrijs gevlekte krijger wierp af en toe blikken op het leerlingenhol, wat verraadde dat hij wachtte op zijn leerlinge, Zandpoot. ‘Hee, pap’, snorde Dauwspoor vrolijk. Ze pakte een vis van de hoop en begon te eten. ‘Ik heb jou nog nooit zo gretig gezien’, plaagde Schemerstaart. ‘Zou je mij niet eerst wat aanbieden?’ De krijgskat gaf haar een vriendelijke por en nam zelf een muis van de hoop. ‘Ik ben wat meer bezig met wat ik zelf wil’, verklaarde Dauwspoor toen. ‘Ik voel me eigenlijk veel meer op mijn gemak nu ik medicijnkat ben, weet je.’ Schemerstaart knipperde vriendelijk met zijn groene ogen, die Dauwspoor van hem had geërfd. ‘Ja, je bent duidelijk als een vis in het water, op je nieuwe positie’, spinde de kater. ‘Heemstveer schijnt ook onder de indruk van je te zijn.’

‘Pap, ik ben pas één dag medicijnkat’, bromde Dauwspoor. Schemerstaart grijnsde. ‘Klopt, maar je helpt hem nu al veel langer. Het was voor mij al duidelijk dat hij je als zijn leerling wilde, hoor.’ Ze schoof verlegen met haar voorpoten. Haar vader stond bekend om zijn optimisme, maar ze wist niet hoe ze hierop moest reageren. ‘Kom op’, spoorde Schemerstaart haar aan. ‘Laten we even een wandeling maken. Vader-dochter tijd, weet je wel?’

De meeste vaders besteedden niet zoveel tijd aan hun jongen, als die eenmaal krijgers waren geworden. Schemerstaart was duidelijk anders. Dauwspoor werkte haar vis naar binnen en liep met hem mee, richting de ondiepe beek. In de hete dagen van Groenblad vormde het frisse water een verkoeling. Schemerstaart dook erin, waarbij de spetters Dauwspoors korte vacht doorweekten. ‘Wacht op mij!’ gilde ze enthousiast en sprong erbij. Schemerstaart greep haar poot vast en trok haar onderwater. Dauwspoor zette zich af tegen de grond en brak door het oppervlak. ‘Ha! Ik had je!’ lachte Schemerstaart ondeugend. Zo bleven ze een tijdje zitten. Hun gezichten kwamen net boven het water uit. Af en toe verloor Dauwspoor haar grip op de bodem en verdween ze even kopje onder, maar dat was niet erg, want het verkoelde haar gezicht en deed haar helemaal wakker worden.

Een paar druppels bloed, die zich vermengden met het water, trokken haar aandacht. Ze had een snee in haar voorpoot. ‘Vissenpoep! Sorry’, ademde Schemerstaart, die het ook had gezien. ‘Ik heb soms wat moeite om mijn klauwen in te houden.’ Ergens in Dauwspoor werd er iets geprikkeld, al wist ze niet precies wat. ‘Oh? Waarom?’ Schemerstaart leek ineens ongemakkelijker te worden. ‘Eh… een soort gen. Mijn ouders hadden er geen last van, maar mijn grootvader wel en nu ik dus ook. Het zorgt ervoor dat ik iets… agressiever reageer.’ Hij leek zijn woorden met zorg te kiezen. Dauwspoor fronste. ‘Dus het is erfelijk? Heeft Muisjager het ook? Hoe weet je dit eigenlijk?’ Schemerstaart krabbelde overeind en waadde naar de oever, maar Dauwspoor hield hem tegen. Ze kreeg een akelig voorgevoel dat er iets speelde tussen haar mysterieuze zwakte en haar vader, al wist ze niet precies wat. ‘Nee, Muisjager heeft het niet’, knarsetandde Schemerstaart. ‘En Morgenster heeft het me verteld.’ Dauwspoors kop tolde. ‘Wacht – als Muisjager het niet heeft… heb ik het dan? Of heeft het een generatie overgeslagen?’

Schemerstaart zweeg. ‘Hallo?’ probeerde Dauwspoor nog een keer. ‘Heb ik het? Ik ben totaal niet agressief. Sterker nog, ik kan geen vlieg kwaad doen. Letterlijk. Dat WindClangevecht hadden we bijna verloren door mij!’ De woorden buitelden ineens uit haar mond, alsof ze er te lang in opgesloten hadden gezeten. ‘Nee, je hebt ze niet’, murmelde Schemerstaart langzaam. ‘Je had de liquidatie-genen.’

Liquidatie-genen zijn bedacht door Donderslag.
Gelieve ze niet in jullie verhalen te gebruiken zonder zijn nadrukkelijke toestemming.

Hoofdstuk 38 Edit

IJsduiker Icon

IJspoot bleef een tijdje in de struiken zitten. Ze wist dat ze een preek van Cedergrom ging krijgen over haar afwezigheid, maar dat kon haar nu niet schelen. Ik moet en zal met Vospoot praten. Ze was een eindje weggeslopen van de twee katers, zodat ze niet steeds bang hoefde te zijn om ontdekt te worden. Wat zou die Pyro doen als hij erachter komt dat ik hem hier heb gezien? vroeg ze zich angstig af. Als ik een gesprek met Vospoot heb, gaat hij Pyro dan inschakelen? Straks wil die zwerver me nog vermoorden! Ze negeerde de groeiende bangheid in haar buik en vermande zich. Elke goede SchaduwClankrijger zou zijn leven wagen om een Clangenoot van de ondergang te redden. Nou wist ze niet bepaald of Vospoot echt gevaar liep, maar wat hij deed was niet pluis, dat stond vast.

De bosjes ritselden en Vospoot kwam tevoorschijn. Zijn pupillen verwijdden zich en hij verstijfde van schrik toen hij IJspoot zag. Even bleven ze elkaar stil aankijken. ‘Eh… hee, zus’, was alles wat Vospoot zei. SterrenClan-verdomme, wat moet ik zeggen? Ze zweeg. Vospoots blik brandde op haar gezicht en het leek alsof ze ter plekke zou smelten. De stilte was nog erger dan dat. Het was drukkend, beklemmend, en ongemakkelijk op het hoogste niveau.

‘Ik heb je gezien’, mompelde ze. ‘Bij Pyro.’ Vospoot beefde. IJspoot zag hoe hij zijn tanden op elkaar klemde, de angst goed zichtbaar in zijn ogen. ‘Ik-ik… waarom achtervolgde je me?’ gooide Vospoot het over een andere boeg, al was hij duidelijk niet echt boos. ‘Omdat jij me met alles verslaat tijdens de training!’ riep IJspoot uit. ‘Dacht je dat ik niet doorhad dat je wat in je schild voerde?’ Haar wanhoop werd steeds groter. ‘Waarom had je extra training nodig? Doornflint is toch een prima mentor?’ Vospoot keek haar stoïcijns aan. ‘Oh, ja, tuurlijk. Ik houd van mentoren die me helemaal uitschelden als ik iets fout doe.’ IJspoot wist dat hij gelijk had. Toch wilde ze niet opgeven. ‘En Pyro is zoveel beter? Hij is een eenling! Vogelster heeft een prijs op zijn hoofd gezet, verdomme! Wie weet heeft hij wel een moord gepleegd!’

‘Pyro heeft fouten gemaakt’, gaf Vospoot toe. ‘Maar hij zou nooit iemand kwaad doen. Hij wist niet dat de Wind- en RivierClan op gespannen voet leefden; dat er een conflict ontstond, was niet zijn schuld.’ Wat?! IJspoots mond viel open. ‘Heeft hij een oorlog tussen die twee veroorzaakt?! Er hadden wel katten kunnen doodgaan, Vospoot!’ De koperbruine kater sloeg met zijn staart op de grond en ontblootte zijn tanden. ‘Wat maakt het uit? Er is niemand gestorven, IJspoot. Wat niet gebeurd is, kan geen kwaad.’ IJspoot kon wel janken over de naïviteit van haar broer. Hij vertrouwde een buitenstaander, die nota bene de WindClan en de RivierClan al in het ongeluk had gestort, en speelde allerlei geheime informatie door. Dit was verraad. Niks minder dan verraad. ‘Wat nou als die Pyro naar Donderdreun gaat?’ bracht ze moeizaam uit. ‘Of naar Schaduwpoot? Om eventjes wat onrust in de Clan te zaaien door mijn liefdesleven bloot te leggen?’ Ze zag het nog zo gebeuren. Als Donderdreun ontworteld werd, zou de Clan daaronder lijden.

‘Dat zou hij nooit doen!’ Vospoot zette zijn vacht hoog op. ‘Jij snapt er helemaal niks van! Doornflint vindt me een mislukkeling. Jij was altijd de beste in alles – vechten, jagen… en iedereen vond jou het aardigst, weet je nog? Schaduwpoot is verliefd op je en ik heb helemaal niemand die zo over mij denkt. Sintelster en Schaapbont zijn twee van de meest legendarische katten van dit klotebos. Iedereen zegt de hele tijd dat ik daarom ook een goede krijger ga worden, maar ik heb gewoon geen sprankeltje van hun fantastische talent geërfd! Ik. Ben. Niks!’ Er viel weer een stilte, die enkel onderbroken werd door Vospoots aanhoudende gehijg. IJspoot wist niet wat ze moest antwoorden. De brok in haar keel maakte spreken sowieso onmogelijk. ‘Dus’, fluisterde Vospoot uiteindelijk, ‘als je ook maar iets om me geeft, IJspoot, houd je je bek dicht hierover. Anders pak je alles van me af.’

Hoofdstuk 39 Edit

Bergwind Icon

Bergpoot voelde zich erg stiekem toen hij Steenvuurs geurspoor volgde. Wat als de krijgskat ergens heen ging waar hij niet mocht komen? Nou ja, eigenlijk mag ik ook niet alleen bij de WindClangrens zijn, en Steenvuur liet me daar wel achter, bedacht hij zich. Als ik in de problemen kom hierdoor, kan ik altijd nog zeggen dat ik gewoon de regels volgde. Hij had al duizend keer “muis” gezegd in gedachten, zo lang liep hij nu al achter Steenvuur aan. De afstand tussen hun was zo groot dat hij zijn mentor niet eens kon zien; al kwam dat ook door het hoge gras, wat bijna tot aan zijn oren kwam.

Hij dook ineen toen er stemmen opstaken. ‘Ik moet echt alweer weg’, miauwde Steenvuur. ‘Mijn leerling wacht op me. Ik heb hem al teveel verwaarloosd de laatste tijd…’ Een andere stem onderbrak hem bezorgd. ‘Zijn deze trainingen niet teveel voor je, Steenvuur? Ze mogen natuurlijk niet ten koste gaan van je Clantaken. Zeker niet als je ooit commandant wilt worden.’ Steenvuur bromde geruststellend: ‘Het lukt me wel. Mijn leerling heeft veel talent, hij redt het ook wel met wat minder training.’ De twee namen afscheid van elkaar, zo hoorde Bergpoot aan hun gedempte vaarwelwoorden. Wat in SterrenClans naam stelde dit voor? vroeg hij zich af. Is het een halfClanrelatie? Maar waarom ruikt die kat dan niet naar één van de andere Clans? Bovendien zijn het twee katers – kunnen katers op elkaar vallen? Toen herinnerde hij zich Dasneus, de vaderkat, die weleens had verteld dat hij niet verliefd werd op poezen. Heeft Steenvuur een geliefde? Maar waarom hadden ze het dan over training?

‘Ah, Bergpoot. Jij ook hier?’ Steenvuurs zware stem klonk boven zijn kop. Bergpoot bevroor onmiddellijk van angst en zenuwen. ‘Het is oké’, murmelde zijn mentor. ‘De kat is weg.’ Langzaam hees Bergpoot zich op, totdat hij in Steenvuurs gele ogen keek. Die stonden echter niet boos, maar nieuwsgierig, vriendelijk zelfs. ‘Ik wist wel dat je me zou achtervolgen’, bromde de bruine kater halfhartig. ‘Dat is wel typisch voor jou, hè?’ Bergpoot legde zijn oren schuldig plat en staarde naar zijn poten. ‘S-sorry. Ik wist niet hoe ik markeringen moest plaatsen, dus ik wilde het vragen.’

‘Het geeft niet.’ Steenvuur klonk wat onwennig, maar niet boos. ‘Ik had het je al een hele tijd geleden moeten vertellen.’ Bergpoot was meteen weer nieuwsgierig. ‘Wat vertellen?’ De krijgskat ging zitten, likte een paar keer vlug over zijn borstvacht en staarde hem toen diep in de ogen. ‘Eerst wil ik dat je belooft dat je dit nooit aan iemand zult vertellen. Zelfs niet aan Algenpoot of Woekerpoot. Oké?’ Bergpoot wist niet hoe snel hij moest knikken. ‘Goed’, begon Steenvuur. ‘De kat die je zag, is een eenling. Ik weet niet of je hem herkende, maar hij is de indringer waar de WindClan over sprak.’ Voor het gemak verzweeg Bergpoot maar even dat hij de hele ontmoeting niet had gezien. ‘Deze indringer biedt trainingen aan’, ging Steenvuur verder. ‘Zowel fysiek – dus jagen, vechten en dat soort dingen – als mentaal. Ik heb altijd al ruzies met Maanvonk gehad, zoals je misschien wel weet. Mijn moeder heeft Maanvonk altijd voorgetrokken met alles. En nu is hij de Clancommandant en loopt hij me rond te commanderen alsof we nooit broers zijn geweest. De training helpt me zogenaamd om mijn woede te onderdrukken.’

Bergpoot begreep hoe Steenvuur zich moest voelen. Maanvonk was ook al zo boos tegen Tortelpels – zijn eigen zoon! Hij geeft echt niks om familie! ‘Ik vermoed dat ik niet de enige ben die deze indringer ontmoet heeft’, miauwde Steenvuur. ‘Andere katten uit de Clan trainen ook bij hem. Ik ben vastbesloten om erachter te komen wie en om ze op andere gedachten te brengen.’ Bergpoots mond viel open. ‘Dus je bent een spion! Dat is echt cool!’ Steenvuur grimaste. ‘Een soort van, ja. Daarom is het van belang dat je niemand iets vertelt. Als Vlekster erachter komt, zal hij mij en alle anderen die training volgen, verbannen. Ik wil dat voorkomen.’ Bergpoot voelde zich opeens een stuk zekerder worden. Dus daarom was Steenvuur steeds weg! Hij probeert de RivierClan te helpen… en hij vertrouwt mij dat geheim toe! ‘Dus, je zult niemand iets vertellen en me hiermee helpen?’ herhaalde Steenvuur. Bergpoot ging rechterop zitten, zich ervan bewust dat dit een echte krijgersmissie was. Hij zou het goed doen. ‘Je kunt op me rekenen!’

Epiloog Edit

Pyro Icon

Een witzilveren maan pronkte aan de nachtelijke hemel. Het woud praatte niet meer; af en toe klonk het “oe-hoe” van een uil of het tsjilpen van de krekels, maar verder was het onaangenaam stil. Ten midden van de stilte, zat een grote, breedgeschouderde kater op de stenen. De kraag van lange haren om zijn nek deed hem op een leeuw lijken – evenals zijn machtige uitstraling en de trots die in zijn oranje ogen blonk. Maar zijn goudrode vacht deed denken aan vuur.

Er zaten gestaltes om hem heen. De grote kater sloot even zijn ogen en opende ze weer. ‘Vrienden, wat fijn dat jullie er zijn.’ De vier andere katten bogen hun koppen. ‘Ik heb jullie gemist.’ De rode kater knikte de vier één voor één toe. ‘Vuurvlieg. Wolvenmaan. Piekeval. En natuurlijk Dagpauwoog. Ik zou graag willen horen over jullie avonturen, maar jullie willen net zo graag als ik ter zake komen. Het gaat over het Clanproject.’ De grijs gevlekte poes, die aangesproken was als Dagpauwoog, wiebelde nerveus op en neer. ‘Hoe gaat het project, Pyro?’

‘Dat wilde ik net gaan vertellen’, knipoogde Pyro. ‘Het Clanproject gaat geweldig. Iets té geweldig, zelfs.’ Dagpauwoog fronste. ‘Hoe kan iets nou té geweldig gaan?’ De andere drie katten leken er net zo weinig van te begrijpen. Pyro schuifelde met zijn poten. ‘Ik bedoel dat het een beetje uit de hand loopt. Er zijn veel Clankatten die mijn hulp willen. Daarbij lijken de Clans erg op elkaar: ze patrouilleren en jagen op dezelfde tijdstippen. Ik kan niet al mijn rekruten de aandacht geven die ze nodig hebben. Bovendien is mijn conditie niet goed genoeg meer om steeds van de ene naar de andere plek te racen.’ Vuurvlieg, een zandkleurig met rood gevlekte poes, keek hem ongerust aan. ‘Je conditie? Is er iets mis?’

‘Nee hoor’, suste Pyro. ‘Het is niks ernstigs. Ik heb gewoon wat meer rust nodig...’ Wolvenmaan onderbrak hem. ‘Dat is allemaal leuk en aardig, maar waarom heb je ons nodig?’ Hij was de knapste van allemaal, zo vond Pyro; hij had een lichtgrijze, bijna witte vacht, met daarbij een wolkgrijze snuit en helderblauwe ogen. De mooiste, maar ook de slimste. Als iemand meer achter mijn project zoekt, is het Wolvenmaan. ‘Ik zou jullie willen vragen om me te helpen’, wist Pyro uit te brengen. ‘Ik kan dit niet langer alleen. Jullie zijn minstens zo vaardig als ik en ik weet zeker dat jullie geschikt zijn om mijn trainingen over te nemen.’ Wolvenmaan snoof. ‘Wat moet ik nou met een bende Clankatten?’ Pyro wist dat hij het anders moest spelen om zijn vriend te overtuigen. ‘Je zou me er een grote dienst mee bewijzen, Wolvenmaan. Als ik geen hulp krijg… dan is alles voor niks geweest.’

‘Maar je zou ons tenminste kunnen vertellen welke koers je op wilt’, klonk een ruwe stem. Het was Piekeval, de voormalige schipperskat die altijd zei waar het op stond. ‘Wij moeten ons leven overstag gooien om jou te helpen, maar we weten niet eens waarom die Clans zo belangrijk voor je zijn. Doe je dit allemaal vanwege Ringstaart?’ Pyro trok met een oor. Het kwam niet eens in de buurt van de waarheid, maar was wel een mooi excuus. ‘Gedeeltelijk, ja. Ik sta gewoon op voor gerechtigheid. Ringstaart heeft de RivierClan verruild voor het Verbond omdat hij zich er niet op zijn gemak voelde. En er zijn zoveel meer katten zoals hem.’

‘Aye aye, Pyro’, kraakte Piekeval uiteindelijk. ‘Je hebt mij aan boord weten te krijgen.’ Vuurvlieg knikte langzaam. ‘Ik doe ook mee.’ Ik wist dat ik op hun kon rekenen. Piekeval heeft altijd een drang naar avontuur en Vuurvlieg was mijn partner, natuurlijk. Nu keek hij veelbetekenend naar Dagpauwoog en Wolvenmaan. ‘Vooruit dan’, zuchtte Dagpauwoog. ‘Ik hoop dat die leerlingen van je wel een beetje luisteren. Anders kan ik niet garanderen dat ze hun vacht behouden.’ Wolvenmaan keek zijn vrienden geïrriteerd aan. ‘Kan ik niet nog wat tijd krijgen om erover na te denken?’ Zijn klaaglijke stem bracht zijn poesiepoeswortels duidelijk naar boven. Wolvenmaan, Wolvenmaan… die is altijd maar gewend dat het geluk vanzelf zijn kant op waait… ‘Oké, oké, ik doe het al’, bromde de grijze kater tenslotte. ‘Maar als ik het niet leuk vind, stop ik ermee.’

‘Dank jullie wel’, fluisterde Pyro. ‘Jullie weten echt niet hoeveel dit voor mij betekent.’ Piekeval knipperde vriendelijk met zijn ogen. ‘Jij hebt me op sleeptouw genomen, vriend. Het werd tijd om iets terug te doen.’ Iets waarvan hij niet weet hoe waardevol het is. ‘Piekeval, ik zou graag willen dat jij de SchaduwClankatten begeleidt. Je past wel bij hun, denk ik.’ Piekeval bracht zijn rechtervoorpoot naar zijn oor, in een gebaar wat hij salueren noemde. Het scheen schipperstaal te zijn voor “oké”.

‘Wolvenmaan, jij zal de WindClan begeleiden. Je bent snel en niet bang in kleine ruimtes – dat is precies wat hun kenmerkt.’ Wolvenmaan leek het niet zoveel te schelen en knikte half-aanwezig. ‘Vuurvlieg, jij gaat naar de DonderClan. Ik heb niet veel rekruten daar, dus je kunt alle aandacht aan ze geven die je wilt.’ De poes knikte bedachtzaam. Pyro wendde zich tot Dagpauwoog, zijn laatste pupil. De jonge poes keek hem geïnteresseerd aan. ‘Waar ga ik naartoe?’ Zij krijgt de belangrijkste taak van allemaal… Steenvuur en Karperpoot moet ik in het project houden, al is dat het laatste wat ik doe.

‘Jij neemt de RivierClan voor je rekening.’

Nawoord Edit

Dit was dan het eerste deel van Storm op Komst: Versleuteld! Ik heb er eigenlijk iets te lang over gedaan om het af te krijgen, zeker omdat ik af en toe mijn twijfels heb bij het resultaat. Helaas kwam de vertraging door bepaalde omstandigheden die veel van mijn tijd en motivatie hebben weggenomen. Motivatie die misschien nooit meer terug gaat komen, maar ik kan ermee leven.

Gelukkig bleef mijn belangrijkste inspiratiebron bestaan… jullie lezers! Echt, duizendmaal dank voor jullie geduld, lieve comments en motivatie. Jullie zijn schatten. In mijn eentje had ik dit boek nooit afgewerkt, hoeveel plezier ik ook uit schrijven haal.

Natuurlijk is IJsdroom Vogeltje de eerste die ik moet bedanken. Naast het maken van de geweldige banner, icoontjes en tekeningen voor dit boek/andere boeken, ben je echt één van de meest getalenteerde en lieve personen die ik ken. Tijdens het schrijven kon ik altijd met je kletsen en als ik er weer eens helemaal doorheen zat, kon jij me opbeuren. Zoals Pyro in de epiloog zei: je weet niet hoeveel het voor me betekent <3

Daarnaast wil ik Stormvloed, Ochtendbloesem, Withart en alle andere lezers bedanken! Iedereen die ooit een reactie heeft achtergelaten of de polls heeft ingevuld, heeft bijgedragen aan dit boek. Applausje voor jullie!

Tijd voor het tweede deel van deze trilogie: Hartstocht. Dauwspoor is tevreden met haar nieuwe leven, maar geheimen worden langzaam ontrafeld en een onverwachte verandering ontwortelt alle Clans… inclusief de SterrenClan zelf. Karperpoot maakt een onwijze groei door – en die komt met een prijs. Bergpoot weet zichzelf natuurlijk weer in honderdduizend levensgevaarlijke situaties te storten, alleen staat deze keer veel meer op het spel dan zijn eigen leven. Tenslotte hebben we IJspoot, die niet alleen worstelt met haar familiezaken, maar ook met de liefde…

Tussen dit boek en Hartstocht zit een timeskip van een maan. Ook in het echte leven zal ik eventjes wachten met het beginnen uploaden, omdat ik weer in mijn schoolritme wil komen. Hopelijk vinden jullie dit niet erg.

Iedereen nogmaals bedankt voor alles :3

xxx Morgenpoot

Extra's Edit

Q&A Edit

Welkom bij de Q&A van Versleuteld! Heb jij een vraag aan mij (de schrijfster) of aan één van de personages uit mijn boeken? Stel die gerust in de comments en ze zullen snel antwoorden! De vragen hoeven niet per se over dit boek te gaan, ook vragen over vorige boeken zijn welkom.

De Q&A is momenteel open.

Vraag van Twinkelkit: Steenvuur en Tortelpels, trainen jullie ook bij Pyro? En waarom laten jullie je leerlingen "in de steek"?

In de steek? Hoe kom je erop?! Wij zijn zéér toegewijde mentoren. En die Pyro? Nog nooit van gehoord, hoor!

Vraag van Ochtendbloesem: Morgenpoot, uit welk oogpunt vind je het leukste om te schrijven?

Dat is een goede vraag! Het ligt er een beetje aan wat voor scènes het zijn, natuurlijk, maar ik vind het meestal wel interessant om uit Bergpoots perspectief te schrijven. Juist omdat hij totaal het tegenovergestelde is van mijzelf!

Vraag van Stormvloed: Vlekster, wie zou je tot commandant hebben benoemd als Maanvonk geen optie was?

Nou, de RivierClan zit natuurlijk vol met goede krijgers! Maar ik denk dat Vissenschub wel een kans had gemaakt, al is hij misschien een beetje aan de oude kant. Ook Zonnesnor is een goede kandidaat!

Vraag van IJsdroom Vogeltje: Morgenpoot, welk stukje van dit verhaal vond je het moeilijkst om te schrijven?

Hmmm, er waren veel stukken die ik uitdagend vond. Het moeilijkste vond ik denk ik nog de scènes waarin de hoofdpersonages zich gewoon in het kamp bevonden en niet zoveel deden. Ik had daar nooit echt een fatsoenlijke planning voor en als ik die had, hield ik me er meestal niet aan. Ik vond het erg lastig om die stukken nog een beetje interessant te maken, maar hopelijk is het gelukt...

Vraag van Withart: Morgenpoot, welke emotie vind je zelf de moeilijkste om te schrijven?

Ik heb zelf vaak moeite met de emotie verliefdheid. In het echte leven heb ik weleens een crush op mensen gehad, maar ik ben (nog) nooit stapelverliefd op iemand geweest. Omdat ik dus niet weet hoe dat voelt, vind ik het moeilijk om te beschrijven. Mijn favoriete emotie om te beschrijven is trouwens angst.

Vraag van Stormvloed: Ringstaart, hoe is het als Verbondleider? En vond je het niet erg om de RivierClan te verlaten? En Stormpoot? En Vlekster? En IJzelklauw?

Het is geweldig als Verbondleider! Ik dacht niet dat ik geschikt zou zijn om een groep te leiden, maar het gaat verrassend goed en de katten hier zijn veel leuker dan in de RivierClan. Natuurlijk vond ik het wel moeilijk om daar weg te gaan; mijn familie achterlaten was de lastigste beslissing uit mijn leven.

Vraag van Stormvloed: Dubbellicht, hoe is het om in het Verbond te leven? En vond je het niet erg om de RivierClan te verlaten? En Stormpoot?

Ik moet zeggen dat het wel even wennen was. Ringstaart kende iedereen in het Verbond, maar voor mij was alles nieuw. Ik mis de RivierClan nog vaak, al heb ik geen spijt van mijn besluit. En ik weet dat Stormkit, of Stormpoot inmiddels, in goede handen is.

Vraag van Wilgdroom: Ringstaart, wat is het verbond precies?

Dat is een goede vraag! Het Verbond is een groep katten die leeft naast een hele grote tweebeenplaats, dichtbij een groot zandgebied dat we de duinen noemen. Het werkt ongeveer als een Clan: je hebt een leider en meerdere "commandanten", al worden ze in het Verbond Meesters genoemd. Ik kwam er per toeval langs toen ik een keer verdwaalde, maar nu ben ik hun leider geworden.

Naar wiens avonturen ben jij het meest benieuwd?
 
7
 
5
 
4
 
7
 

De peiling is aangemaakt op 22 mei 2020 om 15:30 en tot nu toe hebben 23 gebruikers gestemd.

Naar wiens avonturen ben jij het meest benieuwd?
 
0
 
2
 
1
 
1
 
5
 
1
 
3
 
2
 

De peiling is aangemaakt op 24 mei 2020 om 07:59 en tot nu toe hebben 15 gebruikers gestemd.

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.