Wikia



Banner2


Iedereen was alleen al in gevecht. Zelfs Musveder en Vlekkenvacht, de oudsten, namen het samen op tegen Schemerstaart. Ze leken zich prima te redden met z’n tweeën. Donderdreun wilde hun niet voor de poten lopen, dus scande hij de rest van het kamp af, op zoek naar krijgers die hulp nodig hadden. Opeens gleed er een ijskoude rilling over zijn ruggengraat; waar was Grotster? De Clanleider vocht altijd middenin het kamp om op de situatie van zijn Clan neer te kunnen kijken. Nu was hij echter nergens te bekennen. Oh SterrenClan, hij hoopte dat hij het fout had… Donderdreuns adem stokte in zijn keel toen hij nog een keer rondkeek en een afschuwelijke conclusie trok: Regenveer ontbrak ook.

Inleiding Edit

1582646756338

De kat op de cover is Echo. Gemaakt door de talentvolle Moonkitty1!

Welkom, beste lezer! Dit is het vijfde en laatste deel van mijn vierde reeks, die Heldere Sterren heet. Voor deze serie hoef je in principe de voorgaande reeksen niet te lezen, al is het misschien verstandig om de derde serie eens door te nemen.

Zoals ook bij de vorige delen, volgen we dit verhaal uit de ogen van drie jonge katten: Heemstpoot, Bosbesvlek en Donderdreun. Dit ook in deze vaste volgorde. Misschien zal er af en toe een ander oogpunt zijn, als dit wat toevoegt aan het verhaal. Ik hoop dat jullie dit boek een waardige finale vinden van de reeks!

Heel, heel veel leesplezier en een pootje van Morgenpoot!

--Morgenpoot (overleg) 10 dec 2019 19:36 (UTC)

De Clans Edit

Morgenpoots fanfictions/Pad van Verderf/De Clans

Muziek Edit

Morgenmuz

Credits naar Moonkitty1.

De theme song van dit boek is Nothing left to say van Imagine Dragons. Naast dat het lied klinkt als een outro (afsluiting), duidt ook het refrein erop dat de reeks nu klaar is (There's nothing left to say now). Je kunt het op elk gewenst moment beluisteren door op de afbeelding hiernaast te klikken, maar het effect werkt vooral als je dat doet op het einde van het boek (bijvoorbeeld het epiloog).



Wat vooraf ging (De Weg Terug) Edit

Bosbesvlek heeft haar krijgersnaam ontvangen, maar ze is er niet echt blij mee. Ze heeft namelijk een aantal nachtmerries gehad die een onheilspellende toekomst voorspellen - waarin zijzelf ook het loodje zou leggen. In één van de dromen werd haar alternatieve versie “Bosbesvlek” genoemd en toen de voorspelling van haar krijgersnaam juist bleek te zijn, besefte Bosbesvlek dat het echt toekomstvisioenen waren.

Haar broer, Dasneus, is ondertussen ook niet aan het genieten van zijn krijgersleven. Hij realiseert zich dat hij niet geschikt is om krijger te zijn. Daarom besluit hij om leerling-medicijnkat te worden. De huidige leerling-medicijnkat, Heemstpoot, is hier in eerste instantie niet echt blij mee, omdat Dasneus al zijn volledige naam heeft en dus in een bepaald opzicht hoger staat dan Heemstpoot. Gelukkig groeien de twee dichter naar elkaar toe en worden ze goede vrienden.

Met de SchaduwClankat Donderdreun gaat het ook niet al te best. Hij is één van de weinigen die weet van een angstaanjagende profetie, die voorspelt dat “het Water” de SchaduwClan zal vernietigen. Hij verdenkt Regenveer, een ambitieuze krijgskat, ervan om het Water te zijn. Alsof die kopzorgen nog niet erg genoeg zijn, heeft hij ook nog knallende ruzie met zijn vader: commandant Moerasdamp.

Bosbesvlek maakt een praatje met een zwerfkat, Kolibrie, die vertelt dat er tweebenen gearriveerd zijn in de nabije tweebeenplaats. Ze vangen katten en Bosbesvlek denkt dat dit het eerste teken is dat de Clan uiteen zal vallen; daarom neemt ze Zonnesnor en Morgenster in vertrouwen. Morgenster besluit om geen maatregelen te nemen, omdat er momenteel geen dreiging voor de Clan is.

De SchaduwClan raakt in gevecht met een groep agressieve vossen. Het scheelt weinig of Donderdreun wordt gedood, maar Golvenslag redt hem. Een andere krijger, Roggesnor, sterft wel. Een tijdje later wordt Donderdreun tot mentor benoemd van de jonge Tijgerpoot. Zijn vrienden, Metaalmasker en Schubbenstaart, krijgen ook leerlingen, die allebei kampen met weer hun eigen problemen. Donderdreun maakt het eindelijk goed met Moerasdamp.

Dasneus heeft zijn coming-out en biecht op dat hij in het oude woud verliefd was op Metaalpoot (nu Metaalmasker). Heemstpoot praat wat met hem en een paar dagen later, gaat hij wandelen met Morgenster en de oudsten. Dan komen ze een tweebeen tegen, die eerst een oudste wil meenemen in zijn monster. Morgenster offert zichzelf op en zo wordt ze weggerukt van haar Clan.

De hele RivierClan is kapot van het verlies; vooral Bosbesvlek, die zichzelf verwijt dat ze Morgenster had moeten overtuigen om maatregelen tegen de tweebenen te nemen. Vlekoog wordt de nieuwe leider (al kan hij niet zijn negen levens ontvangen wegens gebrek aan een Maansteen) en kiest Ringstaart als zijn commandant. De Clan houdt een stemming over of ze hier moeten blijven of terug moeten naar het oude woud. De blijvers winnen nét, maar als de tweebenen een tijd later het territorium binnendringen, wordt iedereen gedwongen om te vluchten.

Vlekoog krijgt een advies van de SterrenClan, verhuld in een soort profetie. “Ga terug naar het woud, maar neem het woud met je mee.” Dasneus begrijpt dat zijn dood gewaande zus Woudkit wordt bedoeld en hun moeder, Schaapbont, biecht op dat Woudkit inderdaad niet dood is en dat ze haar naar de Stam der Waterstromen heeft gebracht. Iedereen (vooral haar partner, Schorspluim) is woedend op haar vanwege de leugen die ze heeft verteld.

De RivierClan vertrekt, samen met Kolibrie, die een moederkat wordt. Natkit en Taankit worden leerlingen, Natpoot en Taanpoot, met als mentoren Sintelstorm en, verassend genoeg, Schaapbont.

In het woud confronteert Donderdreun Regenveer. Het loopt uit op een vechtpartij en Grotster komt woedend tussenbeide. Hij snauwt tegen de twee krijgers dat ze mee moeten komen naar zijn hol en dat hij ze zal straffen.

Ondertussen krijgt een Stamkat, Echo, een opvallend teken van de Stam der Eeuwige Jacht…

Proloog Edit

Het was rumoerig in het tweebeennest. Tweebenen riepen naar elkaar in hun onverstaanbare taal en ondertussen was er nog het geluid van brokjes die ratelend in de metalen voerbakjes werden gestrooid. Ten midden van de herrie, probeerde een kat zich wanhopig af te sluiten voor alles en in haar gedachten te verzinken. Haar grijs-wit gevlekte vacht had een doffe uitstraling gekregen. Ze at niets meer en hoewel ze wist dat ze het zo niet lang zou volhouden, haar trots weerhield haar ervan om de smerige soort-van-konijnenkeutels op te eten. Demonstratief wendde ze haar blik af toen een tweebeen met het voederbakje schudde.

Ze was lang niet de enige die hier gevangen zat. De tweebenen hadden tientallen katten in deze ruimtes gestopt, achter glimmende webdraden die ontsnapping onmogelijk maakten. Als je hier vast zat, was je alles kwijt: niet alleen je vrijheid, maar de tweebenen gaven je ook een nieuwe naam en het was glashelder dat de witgrijze poes haar familie en vrienden nooit meer zou zien. Dat was nog niet eens het ergste. Ze kon er niet bij waarom zij, degene die de verantwoordelijkheid droeg voor een voltallige Clan, hier opgesloten zat. Elk moment spookten er vragen door haar heen: Hoe doet Vlekoog het? Is de Clan zo verstandig geweest om te vluchten? Zijn er nog andere Clangenoten gevangen genomen en in dit complex opgeborgen? Maar de gedachte die haar het meeste bezig hield, was waarom ze niet naar Bosbesvlek had geluisterd. Als ze de Clan eerder had verhuisd, dan had ze dit einde kunnen voorkomen.

De kat die gevangen zat, was Morgenster. Leider van de RivierClan, een poes die veel gaf om haar eer en dus het liefste vechtend ten onder wilde gaan. Nu zou ze hier haar laatste dagen slijten, terwijl de tweebenen haar de nietszeggende naam “Mira” hadden gegeven. Ze zat tussen de zwerfkaters, die gevaarlijk dichtbij de wanden van haar gevangenis kwamen en haar probeerden te intimideren. Morgenster probeerde zo vervaarlijk mogelijk te grommen toen een rode, breedgeschouderde kater speels door de openingen van de webdraden beet. Ze zou zich nooit laten kennen, want ondanks dat hier geen Clan was; ze bleef toch een Clanleider. De rode kater zwiepte een beetje wispelturig met het puntje van zijn staart. ‘Wil je niet spelen met mij?’ Hij vroeg het op zo’n gladde, uitdagende manier dat Morgenster overeind sprong en met vurige ogen voor hem kwam te staan. Ze gaf hem een klap op zijn neus, voor zover dat mogelijk was door de ijzeren webdraden, en maakte zich zo groot mogelijk. ‘Blijf uit mijn buurt’, siste ze. ‘Als die wanden er niet waren, dan had ik je vermorzeld.’

De rode kater kneep zijn ogen vijandig tot spleetjes en droop toen gelukkig af, waarna hij aan de andere kant van zijn gevangenis ging zitten. Morgenster glimlachte triomfantelijk en gaf zichzelf een wasbeurt, want die had ze dringend nodig. Voor het eerst in dagen likte ze haar geklitte vacht schoon en voelde ze zich iets meer op haar gemak, terwijl ze weer volop begon te piekeren. SterrenClan, hebben jullie mij verlaten? vroeg ze zich af. Haar hart kromp ineen toen ze naar boven keek en enkel het kale, grijze plafond van haar gevangenis kon zien. Wat een verschil met de eindeloze sterrenhemel die haar in de Clan altijd zo’n mooie aanblik had gegeven. Ik kan jullie niet meer zien, maar ik weet dat jullie er nog zijn, boven dit tweebeendak. Alleen, kunnen jullie op deze manier wel over mij waken? Waarschijnlijk niet, maar dan heb ik maar één wens, ongeacht of ik de weg naar jullie weet te vinden na mijn aankomende dood. Morgenster sloot haar ogen en probeerde zo dicht mogelijk bij haar voorouders te komen. Waak in ieder geval over mijn Clan.

Hoofdstuk 1 Edit

De wind scheerde langs de rotsen en deed zand opstuiven in grote wolken. Heemstpoot ploeterde naar voren, terwijl hij zijn ogen beschermde door ze halfdicht te knijpen. We hebben nog geluk dat het groenblad is, bedacht hij zich slikkend. Nu is het al zó koud hier, ik kan me niet voorstellen hoe dat met sneeuw en ijs moet zijn. Doordat stenen wanden aan elke kant zijn zicht versperden, kon Heemstpoot niet zien hoeveel de Clan was opgeschoten - als ze al vooruitgang hadden geboekt. Niemand wist precies welke kant ze op moesten om de Stam te bereiken en daar kwam nog bij dat Heemstpoot sommige rotsformaties nou al drie keer voorbij was gelopen. Óf alles leek hier op elkaar, óf ze liepen in rondjes.

Te midden van dit stenen doolhof, hield de RivierClan de moed er gelukkig wel in. Iedereen keek zijn ogen uit, omdat dit landschap zo erg verschilde van waar ze vandaan kwamen. Er waren wel rivieren, dat was fijn, maar die glimp van thuis zorgde ervoor dat Heemstpoots heimwee nog groter werd. Hij zou een moord plegen om weer eens een stukje heldergroen gras te zien, of een grote boom waar hij in kon klimmen. En omdat er zo weinig begroeiing was, kon niemand van de Clan zijn buik vol eten. Heemstpoot maakte zich grote zorgen om de drie pasgeboren kittens. Zij waren nog erg fragiel en de kou en ondervoeding zou hun geen goed doen. Dubbellicht heeft gelukkig genoeg meer dan genoeg melk, omdat maar één jong de geboorte heeft overleefd. De zwart-wit gevlekte Stormkit leek precies op zijn vader, Ringstaart, en de hele Clan hoopte dat hij ook de kans kreeg om een groots krijger te worden. Kolibries jongen, Karperkit en Zandkit, waren wat minder populair. Waarschijnlijk kwam dat vanwege hun niet-Clan afkomst en ze hadden natuurlijk ook niet de Clancommandant als vader. Toch hoopte Heemstpoot dat de twee zich hier snel thuis zouden voelen en dat de rest hun zou accepteren.

Voor hem liepen nu Schaapbont en Taanpoot. De leerlinge wisselde af en toe wat woordjes met haar mentor, maar de twee waren eigenlijk allebei meer bezig met het kijken naar de omgeving. Schaapbont zat, sinds Dasneus had onthuld dat Woudkit nog leefde, in een dip. Ze was gebroken met Schorspluim en haar kittens wilden ook niet veel meer met haar te maken hebben. Ergens kan ik dat ook wel begrijpen, dacht Heemstpoot weifelend. Schaapbont heeft gelogen over Woudkits dood en daarmee veel verdriet veroorzaakt. Woudkit was Schorspluims oogappel, volgens de oudere krijgers, en Schaapbont heeft al eerder gelogen… Heemstpoot kon zich niet veel meer van het vorige drama herinneren, maar hij giste wel dat zijn eigen vader, Maanvonk, iets ermee te maken had. Dat zou meteen het opvallende gemurmel verklaren toen de witte kater de mentor werd van Kalmschijn (Schaapbonts zoon), en ook de ijzige stiltes die soms tussen Schaapbont en Maanvonk hingen. Wat er ook gebeurd is al die tijd geleden, het is niks goeds en dit nieuwe geheim heeft de oude wonden weer opengereten.

De Clan kwam nu tot stilstand om pauze te houden. Zoals elke dag trokken Vlekoog, Ringstaart en Beekgloed zich terug om te overleggen over de gesteldheid van alle katten en de voortgang van de reis. Al heb ik niet het gevoel dat ze écht weten of ze dichterbij de Stam der Waterstromen komen, dacht Heemstpoot zuchtend. Wanneer zullen we Woudkit vinden? En hopelijk behalen we dan resultaat. Wat als deze hele tocht voor niets is geweest?

Hoofdstuk 2 Edit

Bosbesvlek had nog nooit een plek als deze gezien en eigenlijk vond ze dat helemaal niet erg. Ze voelde zich opgesloten tussen de heuvels van steen, die hoog boven haar uittorenden en de indruk maakten dat ze er al een eeuwigheid stonden. Het kale landschap bood niet veel prooi en erger nog, alle plekken leken zo op elkaar dat ze vast en zeker verdwaald waren. Bosbesvlek merkte dat ook aan de onrust die Vlekoog uitstraalde, terwijl hij zijn Clan over een smal richelpad leidde. Dubbellichts jongen zijn bijna allemaal gestorven, bedacht ze zich vol verdriet. Hopelijk krijgen ze een goed leven in de SterrenClan. Of zullen ze nu in de Stam der Eeuwige Jacht zijn? Tenslotte zijn ze in de bergen gestorven.

Veel katten vonden het moeilijk om te geloven dat er meerdere hemelen bestonden. Voor Bosbesvlek klonk het niet zo vreemd in de oren; haar moeder, Schaapbont, had de Stamkatten met eigen ogen gezien en waarom zou ze liegen? Misschien omdat ze dat al eerder heeft gedaan. Bij die gedachte kwam er een woedevlaag in haar op en ze keek Schaapbont even beschuldigend aan. De zwart-witte krijgskat liep achter haar, terwijl ze een gesprek voerde met haar leerling, Taanpoot. Schaapbont verdient helemaal geen leerling, dacht Bosbesvlek boos. Ze heeft mij, mijn vader en mijn broers zo lang voorgelogen! Waarom kon ze nou niet de waarheid zeggen? De waarheid was dat Schaapbont haar andere dochter, Woudkit, aan de Stam der Waterstromen had geschonken. In ruil daarvoor, zouden hun krijgervoorvaderen de Clans steunen in de Apocalyps - een hevige gebeurtenis van toen Bosbesvlek nog maar een kitten was.

Schaapbont had Woudkit dus gegeven, maar vervolgens tegen de hele Clan gelogen dat het poesje het woud in was gedwaald en nooit meer teruggekeerd. Bosbesvlek herinnerde zich het verdriet dat toen in haar familie was en vond het nog steeds moeilijk te geloven dat haar moeders tranen geacteerd waren geweest. Waarschijnlijk had ze wel degelijk verdriet, omdat ze haar dochter nooit meer zou zien. Maar ik had heus wel begrepen waarom ze de ruil heeft geaccepteerd! Wat ik alleen niet begrijp, is waarom ze het niet eerlijk durfde te zeggen. Nu zijn Schorspluim en Schaapbont geen partners meer! Bosbesvlek voelde steeds weer verdriet opkomen toen ze naar haar vader keek, die Schaapbont geen blik waardig meer keurde. Ze begreep hem, dat wel, maar het hoefde toch niet zo te lopen? Konden ze niet gewoon vergeven en vergeten? Een paar ogenblikken later, lachte ze om haar naïviteit. Tuurlijk zullen we haar dit nooit vergeven. Schorspluim niet, Dasneus niet, Kalmschijn niet en ikzelf ook niet. Het is gewoon zo jammer dat we het verleden niet kunnen veranderen.

Kalmschijn was er nog het rustigst onder. De roodbruine kater praatte af en toe met Schaapbont en dan klonk zijn toon niet anders dan normaal. Waarschijnlijk was hij al niet blij met alle veranderingen - een nieuw territorium en een nieuwe Clanleider - dus probeerde hij maar zo normaal mogelijk door te gaan. Bosbesvlek respecteerde haar broer erg om zijn houding en wilde zo graag ook maar half zo onverschillig als hem zijn. Dat zal me nooit lukken. Ik vertrouwde Schaapbont en dat vertrouwen heeft ze beschaamd. Bovendien is het me gewoon teveel. Eerst Morgenster weg, dan de hele Clan op reis en nu dit geheim dat naar boven komt. SterrenClan, hoe kan ik ooit verder leven als mijn houvast keer op keer wordt weggerukt?

Hoofdstuk 3 Edit

De groenbladzon deed het SchaduwClankamp baden in melkwit licht, maar Donderdreun kon er niet van genieten. Het stenen plafond boven zijn kop liet geen warmte door en het was hier zelfs koud te noemen. Ik wil niet binnen zitten, dacht hij knarsetandend. Ik wil op patrouille, vechten en jagen voor de Clan. Ik wil Tijgerpoot trainen, niet Havergouds verslag van de training aanhoren ’s avonds. Maar aan de andere kant had hij dit wel verdiend. Donderdreun vervloekte zichzelf erom dat hij zijn beheersing was verloren en Regenveer had aangevallen. Hij is schuldig, zei hij boos tegen zichzelf, maar dat is geen excuus om met hem te vechten, aangezien ik geen bewijs heb.

Grotster was er zeker niet blij mee geweest dat twee van zijn krijgers elkaar waren aangevlogen. Hij had Donderdreun en Regenveer beiden op non-actief gezet en opgedragen om Donkerroos een aantal dagen te helpen met het sorteren van de kruiden. Donderdreun wist dat het een perfecte kans was om zijn profetie-zorgen te delen met de medicijnkat. Dat kon alleen niet, omdat Donkerroos niet wist van zijn kennis (en dat was maar goed ook) en ook omdat dat vossenhart Regenveer erbij zat. Nu zag hij er echter totaal ongevaarlijk uit, terwijl hij de stapel blaadjes voor hem inspecteerde en op een smalle richel legde. Donderdreun vond het ergens wel heerlijk om eventjes hier te zitten, afgezonderd van de rest van de Clan, met twee katten als gezelschap waarmee hij toch niet ging praten.

Hij maakte zich meer zorgen over zijn reputatie binnen de Clan. Moerasdamp was geschokt geweest toen hij hoorde dat zijn broer en zoon met elkaar hadden gevochten, en Metaalmasker en Schubbenstaart begrepen het ook al niet. Donderdreun wist dat hij de populariteit die hij ooit had, begon te verliezen. En dat allemaal door een flutvoorspelling die zo vaag is als maar kan. Gelukkig geloofde Havergoud nog wel in hem en had aangeboden om Tijgerpoots training over te nemen. Donderdreun was daar heel blij mee, want hij wist niet hoelang zijn huisarrest nog zou duren. En ik heb alwéér een Grote Vergadering gemist! De vorige werd ik ook al thuisgelaten. Had ik niet een paar dagen kunnen wachten voordat ik Regenveer in elkaar ramde? Die gedachte deed hem grijnzen en Regenveer keek hem onderzoekend aan. ‘Binnenpretje?’ Donderdreun wierp de grijze kater een dodelijke blik toe en richtte zijn aandacht weer op de kruiden.

Zoals altijd, deed het medicijnhol hem denken aan zijn beste vriend van vroeger: Heemstpoot. Zou hij inmiddels zijn volledige naam al hebben gekregen? Vast wel! Hij is tenslotte net zo oud als ik, en ik draag mijn krijgersnaam nu al ruim vijf manen. Donderdreun doodde de tijd met het bedenken van de mogelijke nieuwe naam van Heemstpoot. Heemstpluis misschien? Vanwege zijn donzige vacht. Heemstdons zou ook kunnen. Heemstsnuit? Heemstveder? Hij wist niet hoe creatief Beekgloed was met namen en dus kwamen er wat vreemde suggesties uit. Heemstbloesem, Heemstrivier, Heemstrenner, Heemstwoud, Heemstrijp? Donderdreun voelde hoe erg hij zijn vriend begon te missen en besloot om hier maar mee te stoppen. In plaats daarvan, dacht hij nu aan zijn vrienden die hij wel nog dagelijks zag. Schubbenstaart en Metaalmasker mogen me dan een beetje vreemd vinden de laatste tijd - daar hebben ze een reden voor en ik kan niet wachten tot we weer met z’n drieën op pad gaan. En dan neem ik Havergoud zeker weten ook mee, en Tijgerpoot natuurlijk. Hij sloot even zijn ogen en beeldde zich zijn droompatrouille in, rennend door de moerassen, lachend en elkaar plagend. Ja, ik kan niet wachten tot ik weer terug mag keren naar mijn krijgersleven.

Hoofdstuk 4 Edit

Heemstpoots vredige muizenjacht-droom werd verstoord door gekuch naast hem. Gealarmeerd opende hij zijn ogen en hees zichzelf overeind, zich afvragend waar het geluid vandaan kwam. Het duurde niet lang of hij had de oorzaak gevonden. De oudste kat van de RivierClan, Kervelklauw, lag een eindje verderop te schokken en te hoesten. Zijn ogen hadden een doffe uitdrukking en zijn vlammend rode vacht zag er onverzorgd uit. We hebben geen kruiden voor koorts meegenomen, bedacht Heemstpoot zich geschrokken. Alleen voor het remmen van ontstekingen! Maar wat als Kervelklauw echt ernstig ziek blijkt te zijn?

Hij begroette de rode oudste met een knikje. ‘Heemstpoot’, kraakte Kervelklauw schor. ‘Wat kom je doen?’ Heemstpoots zorgen namen alleen maar toe, want normaal was de humeurige kater veel botter tegen hem. “Wat moet je van me?” leek hem een logischere Kervelklauw-zin, niet “Wat kom je doen?” Hij is echt duidelijk ziek. Ik moet Beekgloed halen. ‘Probeer wat te slapen’, adviseerde hij de oudste. ‘Je hebt duidelijk kou gevat.’ Kervelklauw gromde zwak, maar protesteerde niet en legde zijn kop op zijn poten. De beweging kostte hem zo te zien veel moeite en Heemstpoot wist niet hoe snel hij richting Beekgloed moest komen. RivierClans medicijnkat lag relaxed te slapen; haar snorharen trilden voldaan en af en toe klonk er een klein smakgeluid, alsof ze droomde dat ze een muis verorberde. Ik zou haar liever niet wakker maken, maar dit is belangrijker, zuchtte Heemstpoot in gedachten en gaf haar een por met zijn voorpoot.

Beekgloed schoot meteen overeind en haar groene ogen vlogen open. ‘Wat is er?’ miauwde ze meteen, een beetje overdonderd. Heemstpoot was zo geschrokken van de plotselinge reactie dat hij zijn hart dwong om weer rustiger te gaan bonzen. ‘Het is Kervelklauw’, fluisterde hij bezorgd. ‘Hij is ziek en ik denk dat hij koorts heeft.’ Beekgloed knipperde verschrikt met haar ogen en stond kreunend op. ‘Hoe erg is het?’ Heemstpoot haalde zijn schouders op. ‘Nog niet heel erg, maar als we niks doen, dan is hij morgenochtend niet meer in staat om te reizen. En het ergste is nog dat we geen geschikte kruiden bij ons hebben.’ Dat deed Beekgloed verstijven. ‘Meen je dat nou?’ vloekte ze binnensmonds. ‘Hoe kan Vlekoog verwachten dat we voor de Clan zorgen, als we onze medicijnen niet eens mee konden nemen? Had die evacuatie niet wat rustiger gekund?’ Heemstpoot probeerde zijn mentor voorzichtig wat op te beuren. ‘We hebben onze goudsbloem en guldenroede nog’, mompelde hij. ‘En hier groeien ook heus wel kruiden.’

De blauwgrijze poes trok geïrriteerd met een oor. ‘Maar ik weet niet hoe die werken! Ik ben niet in de bergen getraind, weet je nog?’ Het sarcasme droop van haar stem af en Heemstpoot voelde zich geraakt door haar woorden. Ze heeft gelijk, maar dan hoeft ze haar ergernis nog niet op mij af te reageren! Hij zei maar niks meer en knielde neer bij Kervelklauw, die nog steeds niet echt sliep. ‘Kervelklauw?’ fluisterde Beekgloed. ‘Gaat het?’ De rode oudste hief zijn kop op, bromde “nee” en sloot zijn ogen weer. Heemstpoot ving zijn mentors angstige blik op toen ze een poot op zijn voorhoofd legde. ‘Koorts’, constateerde ze. ‘Niet heel veel, maar genoeg om gevaarlijk te zijn in deze bergkou. En dat is nog niet wat me het meest verontrust’, ging ze zacht verder, zodat Kervelklauw het niet kon horen. Heemstpoot zwiepte bezorgd met zijn staart toen ze verderging. ‘Zijn wil om verder te gaan lijkt verdwenen. Sinds Morgensters verdwijning is hij niet meer de oude, dat weet iedereen, maar nu lijkt hij het opgegeven te hebben.’ Heemstpoot voelde een vreemd gevoel van verdriet toen hij naar de zieke kater keek. Zullen we nog een Clangenoot verliezen?

Hoofdstuk 5 Edit

De RivierClan was weer vertrokken, al had de korte nacht Bosbesvlek weinig slaap gegeven. Haar poten voelden aan alsof een das erin had gebeten en haar zoolkussentjes bloedden bij elke stap. Ik ben er niet het ergst aan toe, dacht ze verbeten. De medicijnkatten moeten hun kruiden sparen voor échte verwondingen. Maar ze voelde de warme vacht van Dasneus tegen haar flank strijken en zag hoe zijn ogen bewolkten met zorgen. ‘Je loopt mank. Mag ik je poten eens bekijken?’ Bosbesvlek schudde grimmig haar kop en liep door, waarna haar broer de weg versperde. ‘Laat zien’, beval hij met een koppigheid die ze niet van hem gewend was. Met tegenzin tilde ze haar voorpoot op en daardoor werden de korsten van opgedroogd bloed zichtbaar. ‘Heemstpoot?’ riep Dasneus. ‘Ik heb de goudsbloem hier nodig.’

De Clan pauzeerde even en Bosbesvlek begon de steentjes uit haar zoolkussentjes te likken. Daarna wreef Dasneus de goudsbloem eroverheen en de verzachtende werking deed haar ontspannen. ‘Beter?’ vroeg Dasneus droogjes. ‘Voortaan zeg je het meteen als je gewond bent, vissenbrein. Als dit zou gaan ontsteken, dan konden we je poot amputeren.’ Bosbesvlek wist niet of hij een grapje maakte en knikte ongemakkelijk. ‘Maar ik wilde jullie niet tot last zijn’, miauwde ze snel, al was het een zwak argument. ‘Kervelklauw heeft jullie hulp veel meer nodig.’ De rode oudste was gisteren ziek geworden en zag er niet goed uit; hij kon zelfs niet lopen zonder ondersteuning van Ringstaart en Vissenschub.

Op het moment dat ze aan hem dacht, hoorde ze een kreet van verdriet. Bosbesvlek schoot overeind, waarbij ze even niet aan haar geschaafde poten had gedacht, en zag hoe Bloemveder richting de medicijnkatten liep. Ze knielde neer bij Kervelklauw en raakte met haar neus de zijne aan. ‘Is hij…?’ vroeg Bosbesvlek aan Dasneus, niet in staat om de vraag volledig te stellen. Dasneus wiegde zachtjes zijn kop heen en weer. ‘Hij is nu op weg naar de SterrenClan…’ Bosbesvlek herinnerde zich dat dit de eerste kat moest zijn die Dasneus als leerling-medicijnkat niet had kunnen redden en ze drukte zich stevig tegen hem aan. Alsof dat een teken was, kwam de rest van de Clan ook dichterbij zitten en bood elkaar steun en warmte. Zelfs Schaapbont, die een beetje ongemakkelijk om zich heen keek, werd opgenomen in de groep en zo keken ze hoe Kervelklauws lichaam langzaam afkoelde.

‘Bloemveder?’ miauwde Vlekoog voorzichtig. ‘Gaat het?’ De grijze poes hief haar door tranen doorweekte kop op en knikte kort. ‘Hij heeft een lang en mooi leven gehad’, murmelde de zwart-witte kater vriendelijk. ‘Het was zijn tijd en hij zal nu met al zijn jeugdige kracht over ons waken.’ Bloemveder keek naar het lijk van haar dode partner en mompelde bitter: ‘We kunnen hem niet eens begraven, Vlekoog. Er is hier geen aarde te bekennen en we kunnen hem moeilijk een heel eind mee sjouwen. Het is oneerlijk’, ging ze somber verder. ‘Kleurstrooms graf zal ik ook al nooit kunnen bezoeken. We hadden het woud nooit moeten verlaten!’ Vlekoog was even stil; daarna wendde hij zich tot de rest van de Clan. ‘Deze hele reis heeft ook mooie dingen gebracht. We hebben Sintelstorm leren kennen.’ Hij gaf de grijze krijgskat een bescheiden knikje. ‘En we hebben geleerd om meer op onze eigen Clan te vertrouwen. Als de andere Clans wegvallen, kunnen wij overleven. Onthoud dat goed.’ Bosbesvlek voelde haar borst opzwellen van trots en bewondering voor haar leider. ‘We zullen Kervelklauws lichaam hier niet zomaar achterlaten’, verklaarde Vlekoog. ‘Hij zal zijn laatste rustplaats vinden in de rivier - dat is wat hij zou willen.’ De Clanleider keek even vragend naar Bloemveder, die knikte. Samen rolden ze het lichaam naar de rand van de kloof en duwden hem in de gapende diepte; een plons in de verte was het laatste geluid wat ze van de oudste hoorden.

Hoofdstuk 6 Edit

‘Honingdrup gaat met Tuimelvoet en Melissepoot naar de Gezonken Sparren’, maakte Moerasdamp bekend. Donderdreun schoof zenuwachtig met zijn poten toen zijn vaders blik naar hem toe gleed. Zal ik eindelijk weer ingedeeld worden op patrouille? ‘Tenslotte zal Donderdreun…’ miauwde de commandant, maar werd meteen onderbroken door onrustig gemurmel. Donderdreun legde beschaamd zijn oren plat toen de roddels over zijn gevecht met Regenveer weer eens door de menigte gingen. ‘Stilte!’ brulde Moerasdamp boos. ‘Grotster en ik hebben besloten dat zijn straf voorbij is. Hij heeft vast geleerd van zijn fouten en hetzelfde geldt voor Regenveer.’ Het werd ijzig stil onder de katten. ‘Waar was ik? Oh ja, Donderdreun, jij leidt een patrouille richting Vierboom. Kies zelf maar wie je meeneemt.’ De bruinharige kater sprong van de Hogesteen af en beende geïrriteerd weg. De andere katten waren geschrokken van zijn reactie en begonnen zich langzaam op te delen in de groepen die Moerasdamp gemaakt had.

Donderdreun kon zijn geluk niet op. Hij had nog maar één keer eerder een patrouille geleid en die had Scherpsteek toen best wel verpest. Nu hij zelf zijn katten uit mocht kiezen, zou hij vast een veel betere dag hebben. Nog blijer werd hij van het feit dat zijn straf erop zat en dat Moerasdamp nog steeds evenveel vertrouwen in hem scheen te hebben als eerst. Misschien wil hij gewoon geen nieuwe ruzie, bedacht Donderdreun zich opgelucht en begon na te denken. Hij wist in ieder geval dat hij Tijgerpoot mee wilde nemen; hij had haar training de laatste tijd behoorlijk verwaarloosd omdat hij het kamp niet meer uit mocht. Ik wil Havergoud liever niet mee, bedacht hij zichzelf schuldig. Hij was dan wel Tijgerpoots tijdelijke mentor, maar ik wil wel dat mijn leerling weer eraan went dat ik haar echte leraar ben. Uiteindelijk riep hij het roodbruine poesje bij zich en vertelde waar ze heen gingen. Tijgerpoot zwiepte enthousiast met haar staart. ‘Ik ben nog maar één keer op Vierboom geweest!’ ademde ze. ‘Kunnen we deze keer langer blijven? Het was daar zo fantastisch!’ Donderdreun gaf haar een speelse tik. ‘Misschien mag je wel naar de volgende Vergadering. Geloof me, dan is Vierboom pas imposant.’

Hij wilde Schubbenstaart graag meenemen, maar die was op jacht, dus koos hij voor Metaalmasker en zijn leerling Kikkerpoot. Het zwart-witte katertje begroette hem een stuk zelfverzekerder dan een maan geleden. Hij heeft best veel groei doorgemaakt sinds hij startte met trainen, bedacht Donderdreun zich verwonderd. Metaalmasker lijkt me dan ook een erg goede mentor. Met een schuine blik op de twee leerlingen, die achter elkaar aan holden, leidde Donderdreun zijn patrouille naar Vierboom. De laatste keer dat ik hier was, gingen we op verkenning in het RivierClangebied, herinnerde hij zich. Wat lijkt dat alweer lang geleden… die saaie dagen in het kamp leken wel manen, vandaar dat ik mijn tijdsbesef kwijt ben.

Het oeroude dal was natuurlijk niks veranderd. De takken van de eiken wiegden zachtjes heen en weer in de wind, en de zon deed het boomschors goudbruin lijken. Net Heemstpoots vachtkleur… Donderdreun voelde even een kleine huivering, alsof deze bomen hem iets wilden vertellen. Dat hij dichterbij komt? Nee, dat is onmogelijk. Ik beeld me echt teveel dingen in. Hij slaakte een zucht van ergernis. De RivierClan is voorgoed weg, en of ik dat nou jammer vind of niet, het is maar goed ook.

Hoofdstuk 7 (Echo) Edit

Echo snoof de lucht op die werd meegevoerd door de wind. Ze rook de gebruikelijke geuren; het muffe, natte gesteente, de frisse geur van bergplanten en ook een spoor van prooi. Ik kan mijn weg hier zelfs met mijn ogen dicht vinden! zei ze trots tegen zichzelf. De reden waarom ze die zin steeds opnieuw in haar hoofd prentte, was omdat sommige Stamkatten vonden dat ze hier niet mocht komen. Sinds een halve maan was ze namelijk de heler-zalzijn en dat bracht een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Ik wilde altijd Grotwacht worden, zei Echo verdrietig tegen zichzelf. Maar als Steenspreker denkt dat ik getalenteerd genoeg ben om heler te zijn, dan kan ik dat niet afwijzen. Het zou een schande zijn. Elke willekeurige kat van de Stam der Waterstromen zou een maanlang corvee op zich nemen, alleen al om een káns te maken op de functie van heler.

Volgens de traditie kwamen helers nooit uit de grot, behalve om af en toe kruiden te verzamelen. Echo brak deze regel echter maar al te vaak en veel katten waren van mening dat ze daarom een slechte heler zou worden. Ik ben grootgebracht in de bergen, dacht Echo somber. Hoe zou ik mijn leven kunnen slijten in een stoffige grot, met alleen de ouderen als gezelschap? ‘Echo Die Op Rots Weerkaatst!’ Ze zwiepte nieuwsgierig met haar staart toen iemand haar volledige naam riep. Dat gebeurt de laatste tijd wel vaker, bedacht ze zich, omdat ze beleefd willen overkomen. Maar ik heb veel liever dat ze gewoon Echo zeggen.

Ze trippelde van steen tot steen, totdat ze weer bij de rest van haar patrouille was. ‘Echo, je moet komen kijken’, hijgde Bes Die Aan Tak Groeit. Dat was een donkerrode Grotwachtster die Echo’s training voor een groot deel op zich genomen had. Ze voelde als een soort moeder voor haar en daar was Echo heel blij mee, aangezien haar echte familie van buiten de Stam kwam. Het woud… Veel wist ze niet over haar achtergrond, maar telkens als ze anderen erover hoorde spreken, ging er een rilling door haar ruggengraat. De plek klonk vol mysteries, met duizenden planten en vreemde dieren die hier niet leefden. Ze concentreerde zich weer op Bes, die haar verstoord aankeek. ‘Luister je wel?!’ Echo schrok op en verontschuldigde zich met een onhandig knikje. ‘Eh, zou je het misschien kunnen herhalen?’

Bes slaakte een geïrriteerde zucht en wenkte haar om dichterbij te komen. Daar bevond zich de rand van een kloof, waar een kalme rivier doorheen stroomde. Het was een zijtak van de hoofdrivier; Echo had alle wateren in de bergen uit haar hoofd moeten leren tijdens haar training. Ze keek voorzichtig over de rand, zag iets op de bodem liggen en draaide haar kop meteen weer weg. ‘Is dat een lijk?’ vroeg ze bleek. Echo had nog nooit een dode kat gezien, want deze bladkaal waren er enkel een paar kittens overleden en hun lichamen waren snel opgeborgen. Van ceremoniële begrafenissen was geen sprake. ‘Het is inderdaad een dode’, bevestigde Bes. ‘We ruiken meer katten hier in de buurt. Er moet een groep langs ons territorium getrokken zijn en geloof me, de laatste keer dat dit gebeurde was voordat ik geboren werd.’ Echo knipperde verrast met haar ogen. ‘Een hele groep? Zijn ze met veel?’ Bes grimaste. ‘Dat weten we niet, maar aan hun geuren te ruiken, zijn ze met bijna net zoveel als wij.’ Onwillekeurig moest Echo aan het teken van een paar dagen geleden denken; de adelaar die zo vlak langs haar scheerde, zonder aan te vallen. Ik weet ergens wel wat het betekent, maar ik kan er net niet bij…

Hoofdstuk 8 Edit

Verslagenheid hield Heemstpoot in zijn greep. Hij haatte het dat hij Kervelklauw niet had kunnen redden, en Kleurstroom, en Rozendoorn… Drie katten waren nu al door zijn klauwen geglipt, puur omdat hij niet de juiste kruiden tot zijn beschikking had. Het was om te huilen en in stilte deed hij dat ook. Ik ben een medicijnkat. Er wordt van mij verwacht dat ik de Clan red, niet werkeloos toekijk hoe iedereen doodgaat. Rozendoorn heeft een haastige begrafenis gekregen en Kervelklauw is gewoon in een rivier gemikt. Waarom stuurt de SterrenClan ons niet wat geluk? Vlekoog was nog steeds de weg kwijt en Ringstaart leek al even gedesoriënteerd. Heemstpoot kon het hen ook niet kwalijk nemen; ze waren hier nog nooit eerder geweest. Morgenster zou misschien wel weten wat te doen, bedacht hij zich verdrietig. Zij had krijgers eropuit gestuurd om kruiden te verzamelen, niet om te jagen. Ik ga veel liever met een lege maag naar bed, dan dat ik geen geneesmiddelen heb, maar Vlekoog begrijpt dat niet.

Het was een stralende middag, maar hier hoog in de bergen was het alsnog koud. Ze liepen gelukkig beschut van de wind, tussen twee kloofwanden door. De rivier was hier veranderd in een klein stroompje en Heemstpoot verwachtte elk moment om terug te komen in de kloof waar ze Kervelklauw in hadden gegooid. Hij zag het lichaam al voor zich, vol met maden en… Heemstpoot stond stil en kokhalsde. ‘Ben je misselijk?’ vroeg Dasneus bezorgd. Hij schudde zijn kop. ‘N-nee. Ik dacht gewoon ergens aan.’ De zwart-witte kater wiebelde nerveus met zijn oren en trippelde toen weer door, aangezien de katten achter hun begonnen te klagen: ‘Heemstpoot, loop door!’ Heemstpoot legde verlegen zijn oren plat en trok even een sprintje. Dat was niet slim, bedacht hij zich pas achteraf. Nu ben ik nog uitgeputter.

Nu stond de hele menigte opeens stil. Heemstpoot was nog niet goed tot stilstand gekomen van zijn korte run en gleed een stukje door, waarbij hij een regen van grind veroorzaakte. Dasneus kromp ineen toen de kiezels tegen zijn neus sloegen en keek zijn medeleerling droog aan. ‘Bedankt voor de douche.’ Niemand had verder Heemstpoots uitglijder gezien. Iedereen keek reikhalzend uit naar Vlekoog, die geen poot bewoog. ‘Er komen katten aan’, hoorde Heemstpoot de Clanleider uiteindelijk miauwen. ‘Krijgers, vorm een verdedigingswand om de oudsten, moederkatten en kittens heen.’ Zijn kalme stem zorgde ervoor dat de RivierClan zijn bevelen zonder gemor opvolgde; er brak ook geen paniek uit en Heemstpoot besloot in een reflex om zich bij de krijgers te voegen. ‘Wat doe je?’ siste Dasneus in zijn oor. ‘Jij hebt geen krijgerstraining gehad. Wat als ze je aanvallen?’ Heemstpoot knipperde ongemakkelijk met zijn ogen. ‘Ik wil niet beschermd worden’, miauwde hij eigenwijs. ‘Blijf jij nou maar bij de kittens.’

De vreemdelingen versnelden hun tempo en kwamen aan bij de cirkel van Clankatten. Vlekoog stapte naar voren en neeg beleefd zijn kop. ‘Is dit jullie terrein?’ De nieuwkomers knikten, maar niet onvriendelijk. Blijkbaar waardeerden ze Vlekoogs houding wel. ‘Ja, wij wonen hier. Ik ben Echo Die Op Rots Weerkaatst’, miauwde een wit-bruin gevlekte poes. Ze klonk wat onzeker, alsof dit de eerste keer was dat ze voor de groep sprak. ‘Ik ben de heler-zalzijn van de Stam der Waterstromen.’ Heemstpoot hoorde Bosbesvlek naast zich naar adem snakken en zag hoe Schaapbont en Schorspluim zich tegelijkertijd naar voren drongen. ‘We hebben jullie gevonden!’ riep Schorspluim vrolijk uit. Daarna gleed zijn blik naar Echo-nogwattes, en hij sperde zijn ogen nog wijder open. Schaapbont vertoonde dezelfde reactie, wisselde een veelbetekenende blik met Vlekoog en keek de poes weer strak aan. ‘Woudkit?

Hoofdstuk 9 Edit

Op het moment dat haar moeder de naam uitsprak, voelde Bosbesvlek een rilling door haar heengaan. Die poes, die Echo, dat was haar zus! Trots ging door haar heen toen ze zag hoe fier Echo haar Stam vertegenwoordigde, en met hoeveel ontzag de anderen haar aankeken. Een heler lijkt me zoiets als een medicijnkat, bedacht Bosbesvlek zich. Is ze leerling-medicijnkat? Maar hoe moet dat dan als ze in de Clan komt? We kunnen toch geen drie leerling-medicijnkatten hebben?! Meteen betrapte ze zichzelf erop dat ze te ver vooruit dacht. Ze hadden Woudkit gevonden, dat was het enige wat nu telde. Echo zelf leek het echter nog niet te beseffen. ‘Eh, ik denk dat jullie iemand anders zoeken’, stotterde ze verbaasd. ‘Ik ken geen Woudkit.’ Schaapbonts gezicht vertrok even van pijn, alsof ze zich nu pas besefte dat haar dochter geen idee had dat haar moeder recht voor haar stond. ‘Ik ben het, Schaapbont’, miauwde de zwart-witte poes. ‘Ken je mijn naam nog?’

Echo’s ogen werden groot van ongeloof. ‘Schaapbont? Maar dan… dan… dan ben jij…’ Ze keek snel achterom naar de andere Stamkatten, die er niets van leken te begrijpen. Eén donkerrode poes stapte echter ongelovig naar voren en nam Schaapbont in zich op. Daarna draaide ze zich om en verklaarde tegen de anderen: ‘Ik ken haar. Dit is inderdaad Schaapbont… Echo’s moeder.’ Er klonk ontzet gemurmel van de Stam, en ook de Clankatten waren stomverbaasd. Bosbesvlek dwong zichzelf om ook naar voren te komen en naast haar moeder te gaan staan. ‘Ik ben Schorspluim’, vertelde Schorspluim Echo trots. ‘Ik ben je vader.’ Aan Echo’s reactie, zag Bosbesvlek dat ze nog nooit de naam Schorspluim had gehoord. De schorsbruine kater keek even gekwetst naar Schaapbont. ‘Heb je de Stamkatten niet eens verteld wie de vader was?’ Schaapbont schudde ontkennend haar kop en keek ontredderd toe hoe Schorspluim de menigte weer in beende.

‘Hoe hebben jullie me gevonden?!’ vroeg Echo opgewonden. ‘Jullie zijn woudkatten. Wat doen jullie in de bergen?’ Vlekoog sprak nu, zijn stem nog altijd even rustig. ‘Wij zijn inderdaad woudkatten, maar ons thuis hebben we tijdelijk verlaten. We zijn de RivierClan en zijn verdreven door de andere Clans, maar nu op weg om onze rechtmatige plaats in het woud in te nemen.’ Hij klonk vol zelfvertrouwen en Bosbesvlek ging wat rechterop staan. ‘Dit’, miauwde Schaapbont emotioneel, ‘zijn je nestgenoten.’ Op dat teken trippelden Dasneus en Kalmschijn verlegen naar voren. Bosbesvlek voelde hoe haar broers naast haar gingen staan en even had ze oogcontact met Echo. De witbruine poes leek dolgelukkig en wendde zich tot de donkerrode poes. ‘Ik heb altijd al broers en zussen willen hebben! Dit is geweldig!’ barstte ze los. Iets in haar enthousiasme deed Bosbesvlek aan Schorspluim denken.

‘Dat lijk van die rode kat,’ miauwde de donkerrode Stamkat nieuwsgierig, ‘kwam dat van jullie?’ Vlekoog knikte bedroefd. ‘Dat is één van onze oudsten. Hij werd ziek en niet veel later, stierf hij.’ De Stamkat neeg haar kop. ‘Gecondoleerd. Waren wij er maar bij, dan had Steenspreker wat kunnen doen tegen zijn ziekte. Mijn naam is trouwens Bes Die Aan Tak Groeit, sorry dat ik me niet eerder heb voorgesteld. Ik ben de leider van de Grotwachten.’ Ze keek Echo aan. ‘Zullen we deze uitgehongerde, vermoeide katten maar mee naar de Stam nemen?’ Echo sprong enthousiast op. ‘Tuurlijk doen we dat!’ snorde ze. ‘Kom mee. Ik weet zeker dat jullie mijn thuis fantastisch zullen vinden.’

Hoofdstuk 10 Edit

‘Je moet sneller zijn’, instrueerde Donderdreun zijn leerling. ‘En als je op de grond valt, probeer door te rollen, niet plat op je buik te belanden.’ Tijgerpoot, die inderdaad plat op haar buik lag, krabbelde overeind. ‘Kom maar op’, grauwde ze vastberaden en pinde haar nagels in het gras. Donderdreun zag het en besefte zich dat Tijgerpoot een cruciale fout maakte. ‘Ik snap dat je stevig wilt staan’, legde hij haar uit. ‘Maar op deze manier, ben je niet wendbaar meer en dus minder snel. Je moet ervoor zorgen dat je op elk willekeurig moment je positie kunt wijzigen.’ Tijgerpoot knikte en maakte snel haar klauwen los. ‘Nu ben ik er echt klaar…’ Ze was nog niet uitgesproken, of Donderdreun lanceerde zich. Zijn leerling reageerde goed en sprong onmiddellijk naar de zijkant, maar hij had aan haar ogen al gezien welke kant. Donderdreun zette zich krachtig af met één achterpoot, zodat hij in de lucht van richting veranderde en Tijgerpoot kon beetpakken.

Het roodbruine poesje werd tegen de grond gedrukt met haar snuit. Donderdreun liet haar meteen los, bang dat ze haar snuit had bezeerd, maar Tijgerpoot kreunde alleen en spuugde een mondvol grassprietjes uit. ‘Je tempo was uitmuntend deze keer’, prees hij haar. ‘Maar denk eraan dat je verrassend moet zijn. Je ogen verraadden welke kant je wilde uitwijken en zo kon ik je gemakkelijk pakken.’ Tijgerpoot knikte ernstig en verwerkte snel de informatie. Donderdreun snorde tevreden; hij kon zien dat zijn leerlinge echt luisterde naar de tips. Dat is hoe je een goede krijger wordt, dacht hij trots. Ze heeft goed begrepen dat verbetering voortkomt uit feedback.

‘Deze keer ben jij de aanvaller’, vertelde hij haar. ‘En onthoud dat de verdedigingstrucs ook opgaan voor het aanvallen. Sterker nog, verdediging is soms de beste aanval’, citeerde hij Havergouds quote. Tijgerpoot fronste. ‘Havergoud zei dat aanval de beste verdediging is’, wierp ze tegen. Donderdreun besefte zich dat hij het inderdaad verkeerd had gezegd, maar hij haalde zijn schouders op. ‘Het kan allebei van toepassing zijn. Val me nu maar aan, voordat mijn poten aan de grond vastgroeien.’ Tijgerpoot snorde, wachtte even en zette zich toen af. Haar ogen hadden zich vastgenageld aan die van Donderdreun en hij voelde zich enigszins geïntimideerd, wat natuurlijk positief was. Als ik een vijandelijke krijger was, dan had ik nu wel door dat ik een paar flinke krabbels kon verwachten! Het langharige poesje zette zich af en vloog meteen naar zijn keel. Donderdreun had dat niet verwacht en dook net op tijd weg, maar kwam onhandig terecht en rolde snel door in zijn val. Binnen een hartslag stond hij weer overeind.

Tijgerpoot slaakte een strijdkreet, dook ineen en zwiepte met haar staart. Donderdreun grauwde uitdagend en wachtte tot zijn leerling de eerste stap zette, maar ze bleef heel slim afwachten. Hij snorde goedkeurend en kwam toen zelf in beweging. Met een grote sprong, wierp hij zichzelf op Tijgerpoots rug. Die was verrast en kwam kronkelend onder hem te liggen, maar haar blik schoot naar rechts. Donderdreun kon het niet laten om in haar afleidingsmanoeuvre te trappen; hij had zijn leerling toch stevig vast, dus wat kon er gebeuren? Op dat moment schopte Tijgerpoot haar achterpoten zijwaarts, waardoor Donderdreun in de split gleed en als een pasgeboren kitten op zijn buik belandde. De langharige leerling maakte van het moment gebruik om op hem te klimmen en haar poten stevig op zijn schouders te drukken. Ze wachtte een paar tellen en liet Donderdreun toen los; kreunend hees hij zich overeind. ‘Dat was subliem’, gaf hij toe. ‘Die techniek…’ Hij dacht even na en gaf het toen een naam. ‘Die wijdbeense schop: die kunnen we ook aan de krijgers leren!’

Hoofdstuk 11 Edit

Heemstpoot kon niet anders dan onder de indruk zijn toen ze aankwamen bij het kamp van de Stam. In eerste instantie zag hij niks behalve een gigantische waterval, die uitkwam in een schuimende poel. Als RivierClankat was hij natuurlijk wel wat natuurgeweld gewend; in het woud hadden ze ook vlakbij een waterval geleefd en bij de Oude Watermolen was ook iets soortgelijks. Maar deze plek in de bergen oversteeg alles wat hij tot nu toe had gezien. ‘Waar leven jullie?’ vroeg hij behoedzaam aan Bes, die naast hem en Vlekoog liep. De donkerrode poes knikte naar de waterval en nu pas zag Heemstpoot dat er twee katten op wacht stonden aan weerszijden van het zilveren gordijn. Hun vachten waren bedekt met spetters, maar dat leek hun niet te deren. Ze keken strak voor zich uit, totdat ze de nieuwkomers zagen.

‘Echo Die Op Rots Weerkaatst, wie heb je bij je?’ vroeg één van de wachters. Hij klonk nors, alsof hij niet blij was met de vreemde katten. ‘Dit is de RivierClan’, snorde Echo vrolijk. ‘Dat’, ze wees naar Schaapbont, ‘is mijn moeder, en dat’, nu gebaarde ze naar Schorspluim, ‘is mijn vader. En ik heb ook nog twee broers, en een zus, en grootouders…’ De wachter onderbrak haar met een grom. Heemstpoot merkte op dat hij de enige was die Echo niet met respect behandelde, en de bruin-wit gevlekte poes was even met stomheid geslagen. ‘Dus?’ grauwde de grijsgekleurde Stamkat. ‘Ik laat ze niet binnen, hoor.’ Bes Die Aan Tak Groeit drong zich boos naar voren. ‘Houd toch op, Regenboog! Niemand luistert naar jou.’ Vastberaden duwde ze de wachter opzij en miauwde: ‘Volg mij maar, Clan.’

Heemstpoot slikte toen hij zag dat Bes door het gordijn van water heen stapte. Hun kamp ligt áchter de waterval? Hij zag dat de rest van de Clan ook weinig zin had om op Bes te vertrouwen en het onbekende kamp binnen te gaan, maar Vlekoog zette een stap naar voren. ‘Wij zijn de RivierClan!’ miauwde hij geïrriteerd. ‘Sinds wanneer zijn jullie bang voor een beetje water?’ Hij sprong door de waterval heen en zodra het zwarte puntje van zijn staart verdween, hoorde Heemstpoot hem roepen: ‘Kom maar! Het is veilig!’ De rest van de RivierClan hoorde het niet door het gebrul van het neerstortende water, dus Heemstpoot herhaalde de boodschap en drong zichzelf door het watergordijn heen.

Een tel later deed hij knipperend zijn ogen open. Meteen was hij verrast door de enorme ruimte die achter de waterval was. Een gigantische grot bevond zich daar, met tunnels aan alle kanten. Kittens dartelden vrolijk rond en Heemstpoot zag ook een paar oudere katten, die met elkaar een prooi deelden. Om de beurt namen ze een hap en ondertussen praatten ze luidruchtig met elkaar. Ze merken ons niet eens op. ‘Mama!’ riep een kitten opeens. ‘Er zijn vreemde poezen hier!’ Dat was het moment waarop alle Stamkatten de nieuwkomers aankeken. Achter Heemstpoot kwamen nog steeds Clankatten het kamp binnen, hun vachten doorweekt van de waterval en hun ogen wantrouwend tot spleetjes geknepen. ‘Het is oké’, murmelde Echo vriendelijk tegen de kit. ‘Het zijn katten uit het woud.’ Het kleine katertje zette grote ogen op. ‘Het woud? Dat moet ik mam vertellen!’ Met zijn korte pootjes draafde hij weg. ‘Echo?’ miauwde een zware stem. Heemstpoot voelde het gezag dat de spreker afstraalde en maakte als vanzelf een buiging. Zou dit hun leider zijn? ‘Wat doen die woudkatten hier?’ Echo schuifelde nerveus met zijn voorpoten. ‘Het is mijn familie, Steenspreker. Ik dacht dat ze hier wel even konden blijven.’ Even bleef het stil. Steenspreker leek niet overtuigd en Heemstpoot voelde angst opwellen. Gaat hij ons wegsturen?

Hoofdstuk 12 Edit

‘Oké.’ Steenspreker klonk niet echt blij met het voorstel van Echo. ‘Ze mogen hier blijven. Maar dit soort besluiten dien je met mij te overleggen’, voegde de Stamkat er scherp aan toe. Bosbesvlek zag aan zijn uitstraling dat hij de leider moest zijn en voelde opluchting door zich heen stromen bij het besef dat ze niet opnieuw de bergkou in zouden moeten. ‘In de tijd dat jullie hier verblijven, moeten jullie je wel nuttig maken’, verklaarde Steenspreker kordaat. Daarmee werd Bosbesvleks hoop op rust weggevaagd. ‘Wie van jullie is de leider?’ Vlekoog deed beleefd een stap naar voren en liep met Steenspreker mee naar een afsplitsing van de grot. Misschien het leidershol. Die twee zullen heel wat te bespreken hebben.

‘RivierClan!’ schalde Ringstaarts stem door het Stamkamp. ‘Ik wil dat de fitste krijgers zich bij Bes melden. Wij moeten een bijdrage leveren aan de voedselvoorraad hier.’ Daarna gleden zijn ogen naar Echo. ‘Zou jij het leuk vinden om bij te praten met je nestgenoten?’ Bosbesvleks enthousiasme keerde weer helemaal terug toen ze een blik met haar zus wisselde. We hebben elkaar zoveel te vertellen! dacht ze vrolijk. Ook Kalmschijn en Dasneus leken opgewonden en terwijl Bes en Ringstaart wat krijgers en Stamkatten bij elkaar riepen, volgde Bosbesvlek Echo naar buiten. Het voelde eigenlijk wel aangenaam om door het watergordijn te gaan, al deed een natte vacht niet veel goeds in deze kou. Dasneus kromp ineen toen hij het koude water in zijn nek kreeg en Kalmschijn kwam als laatste tevoorschijn. ‘Kom mee!’ wenkte Echo hun. ‘Ik weet een fantastische plek.’

Ze had geen woord teveel gezegd, besefte Bosbesvlek toen ze aankwamen bij een prachtige locatie. De rotsen vormden hier een soort afdakje waaronder ze konden schuilen. Hoe ver je ook keek, overal waren witte, stervormige bloemen te zien die een aparte, frisse geur verspreidden. ‘Dit is edelweiss’, ademde Echo. ‘Ik kom hier altijd om na te denken en van het uitzicht te genieten.’ Terwijl Dasneus en Kalmschijn onder het afdakje gingen liggen, beschut van de wind, klom Echo erbovenop en ging daar trots zitten. Bosbesvlek aarzelde even toen er weer een ijzige rilling door haar vacht gleed, maar ze hees zichzelf op de rotsen en drukte zich tegen Echo aan. ‘Ik had nooit verwacht dat we je ooit zouden vinden’, murmelde ze. ‘Iedereen dacht dat je dood was.’ De Stampoes keek haar geschrokken aan. ‘Dood? Maar mijn moeder heeft me toch persoonlijk aan de Stamkatten gegeven? Dachten jullie dat ze niet goed voor me zouden zorgen?’ Er klonk verontwaardiging in haar stem en Bosbesvlek kromp even ineen. Het was niet haar bedoeling geweest om de Stam te beledigen, zeker niet omdat die zoveel voor Echo leek te betekenen.

‘Nee, het is… ingewikkeld’, mompelde Bosbesvlek toen uiteindelijk. ‘Maar dat doet er niet meer toe. Hoe is het leven in de Stam?’ Echo leek meteen niet meer boos te zijn. ‘Het is hier fantastisch!’ bracht ze uit. ‘Er zijn dan misschien nadelen, zoals de kou, de adelaars en de wolven, maar de Stamkatten zorgen allemaal goed voor elkaar. En Steenspreker heeft me uitgekozen om zijn zalzijn te worden! Nu ga ik leren hoe ik de hele Stam kan leiden en genezen.’ Bosbesvlek snakte naar adem. Zal-zijn, iemand die zal zijn, een leerling dus? Wordt Echo de leider van de gehele Stam? ‘Dat is geweldig voor je’, miauwde ze, proberend om blij te klinken. Als haar zusje echt de leider werd, dan kon ze natuurlijk nooit mee naar het woud. ‘Bij ons kiest een leider een commandant’, vertelde Bosbesvlek. ‘Die wordt dan uiteindelijk leider. Onze grootvader is nu de commandant. En Schaapbont vertelde me dat jullie aparte rangen hebben, jagers en wachters ofzo. Wij hebben dat niet.’ Nu ze eenmaal aan het praten was, buitelden de woorden haar mond uit. Maar wat heeft het voor zin om het Clanleven uit te leggen als Echo toch in de Stam blijft…?

Hoofdstuk 13 Edit

‘Vandaag is het tijd dat twee van onze leerlingen hun krijgerstaken op zich nemen.’ Grotsters zware, gewichtige stem schalde door het kamp en deed een huivering over Donderdreuns ruggengraat glijden. Het was nu bijna zes manen geleden sinds hijzelf tot krijger was benoemd, en de ceremoniële woorden voor hem waren uitgesproken. Even wisselde hij een blik met Metaalmasker en giste dat de gespikkelde krijgskat aan hetzelfde dacht; hij had naast Donderdreun gestaan tijdens het ritueel en samen hadden ze hun eed van trouw gezworen. En over een hele lange tijd is het Tijgerpoots beurt, dacht hij trots. Het roodbruine poesje leek niet te kunnen wachten op haar eigen krijgersceremonie. De ogen waarmee ze naar Grotster keek, glinsterden begerig.

‘Doornflint en Rosvaren, jullie hebben ieder een gedeelte van de training van elk van deze leerlingen op jullie genomen. Zijn jullie het erover eens dat ze hun opleiding succesvol hebben afgerond?’ Doornflint leek trots op Bliksempoot, die de afgelopen drie manen zijn eigen leerling was geweest. Maar de genegenheid in zijn blik was helemaal voor Melissepoot, zijn eerste leerling, wiens training hij had moeten opgeven doordat hij verliefd op haar was geworden. Vandaag nog worden ze partners, besefte Donderdreun zich geamuseerd. Als Doornflint überhaupt kan wachten op het einde van de ceremonie…

De twee mentoren knikten Grotster vastberaden toe en de grijze leider hief zijn kop op. ‘Ik doe een beroep op mijn krijgervoorvaderen om op deze twee leerlingen neer te kijken. Zij hebben hard getraind om de werking van uw nobele krijgscode te begrijpen en ik beveel hen nu, op hun beurt, aan als krijgers. Bliksempoot en Melissepoot, zweren jullie de krijgscode in ere te houden en te beschermen, zelfs als jullie eigen leven op het spel staat?’ De twee katten keken hun Clanleider trots aan en miauwden “dat zweer ik” in koor. Donderdreun herinnerde zich hoe ze er als jonge leerlingen uit hadden gezien, verlegen en klein, maar nu waren het volgroeide krijgskatten. Bliksempoots gouden, half-langharige vacht glansde in het zonlicht en Melissepoot had de soepele bouw van haar moeder, Appelblad. Haar pels was echter niet bont gevlekt, maar grijs als regenwolken. Ik snap wel dat Doornflint daarop valt. ‘Dan geef ik jullie nu,’ ging Grotster verder, ‘uit naam van de SterrenClan, jullie krijgersnamen. Bliksempoot, vanaf vandaag zal jij bekend staan als Bliksemleeuw. De SterrenClan eert je vechtlust en je kracht.’

De nieuw genaamde Bliksemleeuw straalde en deed een krachtige pas naar achteren, waar de krijgers hem verwelkomden. Donderdreun drong zich ook even naar voren en murmelde zijn felicitaties tegen de jonge kater, maar focuste zich ondertussen op zijn leider, die alweer verderging. ‘Melissepoot.’ De grijsgekleurde kater glimlachte bemoedigend en de leerlinge stond meteen iets rechterop. ‘Vanaf deze dag, zullen we jou kennen als Melissevacht. De SterrenClan eert je zorgzaamheid en je loyaliteit. We heten jou en je broer welkom als volwaardige SchaduwClankrijgers.’ Doornflint was de eerste om Melissevacht te feliciteren; hij drukte zijn goudharige kraag in haar gezicht en de poes snorde luid. Ook hun moeder, Appelblad, kon haar trots niet verbergen. Even schoot het door Donderdreun heen dat de vader ontbrak. Toen herinnerde hij zich dat het Roggesnor moest zijn geweest, de krijgskat die gestorven was in het gevecht met de vossen, een paar manen geleden. Ik mag blij zijn dat ik mijn beide ouders nog heb. En mijn pleegbroer, mijn voormalige mentor, mijn vrienden… Misschien wordt het tijd om Regenveer naar de achtergrond te verplaatsen en me eindelijk eens bezig te houden met mezelf.

Hoofdstuk 14 Edit

Stammen leken erg op Clans, was Heemstpoots conclusie nadat hij een beetje had rondgeslenterd in de grot. Ze hadden een overduidelijke leider - Steenspreker - en hoewel ze geen commandanten hadden, waren er wel twee katten die het gezag hadden over een grote groep leden. Het grootste verschil tussen de RivierClan en de Stam der Waterstromen was nog wel de indeling van de krijgers. In de Clan werden alle leerlingen getraind op zowel vecht- als jachtvaardigheid, maar in de Stam had je aparte rangen: Grotwachten en Prooijagers. Heemstpoot giste dat Bes Die Aan Tak Groeit de leider van de Grotwachten was. Hij had Ringstaart zien praten met nog een andere kat, een jonge, grijze kater, die vermoedelijk de Prooijagers aanvoerde. Dat was te zien aan zijn soepele bouw, die niet overeenkwam met het gespierde postuur van een Grotwacht.

Heemstpoot had alleen nog geen medicijnkat gezien en dat verontrustte hem. De Stam had toch iemand nodig om wonden te helen en contact te hebben met de Stam der Eeuwige Jacht? Zijn nieuwsgierigheid won het uiteindelijk van zijn zenuwen en hij stapte op een mooie, rode poes af. In haar rossige vacht waren vaag wat strepen te zien, die mooie, krullende lijnen vormden. Heemstpoot was even met stomheid geslagen over de manier waarop de Stampoes hem begroette; ze hief haar poot op en bewoog die in zijn richting. Na een korte aarzeling, deed hij hetzelfde en de Stamkat snorde. ‘Je lijkt net een Stamlid zo! Dit is onze begroeting, een hoffelijk gebaar tussen katten met een gelijke rang. Vertel me, vreemdeling, wat wil je kwijt?’ Heemstpoot zei maar niet dat hij pas een leerling, “zalzijn”, was. ‘Eh, ik vroeg me af, hebben jullie hier geen… kruidenkat? Iemand die wonden verzorgt en zo.’

De poes knikte in de richting van Steenspreker. ‘Steenspreker weet alles van kruiden. Daarnaast communiceert hij met de Stam der Eeuwige Jacht en neemt hij beslissingen voor de Stam.’ Heemstpoot fronste verbaasd. ‘Dus hij is leider én medicijnkat tegelijk? Is dat niet een vreemd systeem? Ik bedoel, dan heeft hij praktisch alle macht.’ De oranje kat glimlachte. ‘Dat kan ik ook van jullie gewoontes zeggen. Waarom zou je katten trainen om te jagen en te vechten, terwijl één van beide ook genoeg is om de Clan te laten functioneren? Omdat wij onze katten specialiseren, zijn zij héél goed in hun taak. Zij hebben twee keer meer kennis van hun vakgebied als jullie… krijgers, heten ze toch?’ Heemstpoot moest toegeven dat daar wat in zat. Zes manen was een korte periode om alles te leren wat een krijger moest weten, en als ze de taken verdeelden, dan zou het ruim voldoende tijd zijn.

‘Mijn naam is Heemstpoot’, stelde hij zichzelf uiteindelijk voor. ‘Ik ben een -poot omdat ik nog een leerling ben. Eigenlijk had ik mijn volledige naam al moeten hebben, maar ja, gezien de omstandigheden…’ Hij vond het nog steeds stom dat hij meer dan twee keer zo lang had getraind als gebruikelijk, maar inmiddels kwam zijn naamceremonie in ieder geval wél dichterbij. ‘Ik ben Oranje Van Ondergaande Zon’, verklaarde de rode poes. ‘Ik ben een Prooijager. Regen is sinds kort de leider van onze groep.’ Ze gebaarde naar de grijze kater verderop, die even een poot ophief ter begroeting en daarna op Ringstaart afliep. Dus ik had het goed. Bes en Regen nemen ieder de helft van de Stamleden onder hun hoede, met Steenspreker aan het hoofd. ‘Leuk om je te ontmoeten’, miauwde Heemstpoot tegen Oranje, en dat was welgemeend. Tot nu toe waren alle Stamkatten, op Regenboog na, vriendelijk geweest. Maar gaat dat veranderen doordat we Echo willen meenemen?

Hoofdstuk 15 Edit

Het was al laat in de avond toen Bosbesvlek en haar nestgenoten terugkeerden in de grot. Echo’s ogen glansden en verraadden hoe blij ze was met het ontmoeten van haar familie. Kalmschijn en Dasneus hadden ook een vrolijke uitdrukking op hun gezichten. ‘Ik hoop echt dat ze met ons meegaat’, fluisterde Dasneus tegen Bosbesvlek. Ze trok even kort met haar oren. ‘Dat is Echo’s besluit. We moeten haar niet onder druk zetten.’ De zwart-witte medicijnkat-leerling knikte kort, maar zijn ogen gleden toch even verlangend naar zijn zus. Ik hoop net zo hard dat Echo kiest voor de RivierClan, zuchtte Bosbesvlek in gedachten. Maar dat kunnen we toch niet van haar vragen? Ze is heler-zalzijn! Ze heeft verantwoordelijkheden! Ik bedoel, Vlekoog zou toch nooit naar een andere Clan overstappen?

Toen ze aan haar Clanleider dacht, zag ze hem zitten, op een steen voor de waterval. Hij praatte met Steenspreker op een ontspannen toon en Bosbesvlek had de indruk dat de twee elkaar wel mochten. Vlekoog snorde even luid toen de Stamheler een opmerking maakte. ‘Ringstaart!’ riep hij zijn commandant toen bij zich. ‘Steenspreker zei dat hij onder de indruk is van de jachtprestaties van je katten.’ Ringstaart leefde op. ‘Dank u wel’, miauwde hij beleefd tegen Steenspreker. ‘Jullie jachtmethoden zijn vreemd voor ons, maar de beken hier zijn geschikt om in te vissen.’ De heler knikte de commandant kort terug. ‘Als jullie hier langer blijven, dan zouden jullie het ons misschien kunnen leren.’ Vlekoog en Ringstaart wisselden even een blik en tenslotte verklaarde de Clanleider: ‘Dat zouden we graag willen, maar we moeten onze reis voortzetten. De zwakkere katten zijn weer op krachten gekomen en de sterkere krijgers willen geen extra last voor jullie vormen. Ik snap dat leven in een gebied als dit niet gemakkelijk is.’

Steenspreker haalde ongemakkelijk zijn schouders op. ‘Dit is ons thuis. We hebben ons leren aanpassen en we zouden nooit meer ergens anders heen willen, maar je hebt gelijk, de bergen bieden niet genoeg voedsel voor ons beiden.’ Hij keek even van Echo naar Vlekoog en Bosbesvlek voelde een ijskoude rilling door haar heen gaan. Vermoedde de heler soms wat hun werkelijke bedoelingen waren? Steenspreker was even stil en murmelde toen: ‘Echo heeft de Stam gered van een groot gevaar. Wij zijn niet geoorloofd om daarover te praten, want wij gunnen de vijanden die ons bijna te gronde hebben gericht, geen roem. Verhalen als deze doet de Stam in de doofpot en niemand hoort er dan meer iets over, zodat ze uiteindelijk vergeten worden.’ Bosbesvlek knipperde verbaasd met haar ogen. Zelf had ze het altijd spannend gevonden om over de schurken van vroeger te horen, maar ze kon niet ontkennen dat Steenspreker gelijk had. Braamster en de andere Duistere Woudkatten zouden vast blij zijn om te horen dat de RivierClan hun nagedachtenis nog steeds levend hield.

‘Onze voorouders toonden ons dat Echo onze enige hoop zou zijn en ze hadden gelijk’, ging Steenspreker verder. ‘Maar misschien is het nu tijd dat ze haar geboorteClan gaat redden.’ Vlekoog bleef doodstil zitten. ‘Hoeveel weet u…?’ was uiteindelijk het enige wat hij uit wist te brengen en Steenspreker snorde kort. ‘Er is mij niks verteld, maar zelfs een blinde kit kon zien dat jullie voor haar kwamen, Vlekoog. Als zij ervoor kiest om met jullie mee te gaan, dan zal ik jullie niet tegenhouden. Echo Die Op Rots Weerkaatst is een bijzondere kat - en wellicht heeft ze nóg een lotsbestemming te vervullen.’

Hoofdstuk 16 Edit

Donderdreun kwam gapend het krijgershol uit. Het was een warme, zwoele nacht geweest, en veel katten waren in het donker nog gaan jagen. De nachtjagers hadden zich inmiddels weer in hun nesten opgerold en lagen luid te snurken. Onder hen waren ook Bliksemleeuw en Melissevacht; de twee hadden hun wake gehouden en waren vrijwel direct daarna in slaap gesukkeld. Donderdreun had zelfs iemand horen fluisteren dat ze Bliksemleeuw naar binnen hadden moeten tillen, want hij was midden in het kamp ingedommeld. Ik ben blij dat ik er ’s nachts niet op uit ben gegaan, dacht hij snorrend. Nu kan ik lekker in de ochtend een patrouille leiden.

Hij probeerde zijn droom van afgelopen nacht te herinneren. Donderdreun wist nog vaag wat hij gezien had: een waterval en heel veel katten met een dikke laag modder op hun vacht. Ook kon hij zich de koude rillingen nog voor de geest halen die hij in zijn droom had gehad. Misschien was het gewoon een nachtmerrie dat bladkaal weer zou aanbreken - het had de SchaduwClan weliswaar geen levens gekost deze keer, maar katten hadden veel honger geleden. Ja, dat zou het wel zijn. Gewoon een nare droom, niks waarover hij zich zorgen over hoefde te maken.

‘Donderdreun!’ Bij het horen van zijn stem, keek hij op naar de Hogesteen. Daar zaten Grotster en Moerasdamp op, zij aan zij, met hun lange haren wapperend in de morgenwind. ‘Goedemorgen’, begroette hij de twee hooggeplaatste katten. ‘Kan ik iets doen?’ Grotster knipperde vriendelijk met zijn ogen. ‘Je hebt de afgelopen dagen twee keer zo hard gewerkt als de andere katten.’ Donderdreun haalde zijn schouders op. ‘Ik moest de verloren tijd toch inhalen.’ Hij hoopte dat het niet al te erg als een sneer klonk, maar gelukkig leek Grotster het niet zo op te vatten. ‘Ja, je hebt dat akkefietje wel weer goedgemaakt. Alleen ben ik er niet gerust op dat jij en Regenveer zo vijandig met elkaar omgaan, Donderdreun. Ik snapte altijd wel dat je in aanvaring kwam met Scherpsteek, maar Regenveer is een nobele krijger.’ Donderdreun boorde zijn klauwen in de aarde en zijn vacht rees een stukje overeind. ‘Dat-dat weet ik, Grotster. Het was mijn fout en het zal niet meer gebeuren.’

Grotster zette een strenge blik op. ‘Donderdreun, in de wereld van de Clans is oorlog nooit ver verwijderd. Als er weer een strijd aanbreekt, moet ik op ieder Clanlid kunnen rekenen. Als we elkaar onderling wantrouwen - waar komen we dan?’ Na die woorden zwiepte hij met zijn staart en liep het kamp uit, terwijl twee andere krijgers hem volgden. Donderdreun hoopte met heel zijn hart dat Grotster nu uitgesproken was over dit conflict en hem weer als een normale krijger zou behandelen. ‘Wil jij je bij mijn patrouille aansluiten?’ vroeg Moerasdamp royaal. ‘Grotster wil alleen maar het beste voor de Clan. Je hebt een domme fout begaan en hij wil er gewoon zeker van zijn dat het niet meer gebeurt, maar hij is niet boos op je. Geloof me.’ Donderdreun voelde zich gesterkt door zijn vaders steun en rekte zich uit. ‘Tuurlijk ga ik met je mee. Zal ik Metaalmasker halen?’ Moerasdamp wiebelde even met zijn oren. ‘Tja, eh… was hij één van de nachtjagers?’ Donderdreun stond net op het moment om Moerasdamp te plagen dat hij dat als commandant juist zou moeten weten, maar toen realiseerde hij zich dat zijn vader gewoon wat “quality time” met zijn zoon wilde. ‘Ja, we kunnen net zo goed met zijn tweeën gaan’, miauwde hij vrolijk. Moerasdamp snorde, sprong van de Hogesteen af en ging hem voor door de haag van struiken. Donderdreun volgde, terwijl hij zijn nachtmerrie spontaan vergat.

Hoofdstuk 17 Edit

‘Echo?’ Vlekoogs vriendelijke stem klonk door de ruime grot toen hij de Stamkat bij zich riep. Heemstpoot keek gespannen toe hoe Echo Die Op Rots Weerkaatst afscheid nam van Bosbesvlek en op Vlekoog af kwam sprinten. Ze was snel, ondanks haar stevige lichaamsbouw. Haar mooie ogen fonkelden als gele schijven vuursteen in de duisternis van de grot en haar vlekken leken te dansen bij elke sprong. Ze is knap, realiseerde Heemstpoot zich opnieuw. Na Metaalpoot waarschijnlijk de mooiste kat die ik ooit heb gezien. Hoewel hij een kleine tinteling door zich heen voelde gaan toen Echo’s blik de zijne kruiste, dacht hij niet dat hij zich erg door uiterlijk liet verleiden bij katten. Tortelpels volgde Echo’s pas echter met grote ogen en wierp daarna een schuine blik op Bosbesvlek, alsof hij de twee met elkaar wilde vergelijken. Heeft Tortel alweer een ander liefje gevonden in Echo? Hij is werkelijk een tortelduif…

‘U wilde me spreken?’ miauwde Echo beleefd. Vlekoog neeg zijn kop. ‘Ja, dat klopt. Ik heb met Steenspreker gepraat en ik vroeg me eigenlijk af of je je bij de RivierClan zou willen aansluiten.’ Er viel een lange stilte. Stamkatten die het gehoord hadden, keken elkaar ongelovig aan en Bes riep uit: ‘Steenspreker, dat kun je niet toestaan! Ben je het teken soms vergeten? Zij moet onze heler worden!’ Teken? Heemstpoot vond het nog verwarrender worden allemaal. Niemand heeft ooit gesproken over een teken! En dan is er ook nog die “heldendaad” die Echo heeft verricht, waar de Stam niks over mocht zeggen… wat een vreemde katten zijn dit toch!

‘Dat teken…’ Steenspreker stopte even en ging toen wat zelfverzekerder verder: ‘Dat teken heb ik verkeerd geïnterpreteerd. Ik zag een bessenstruik, omringd door allerlei planten… ik ging ervanuit dat dit op een woud wees, en dus op Echo.’ Heemstpoot kon beter met de Spreker der Puntige Stenen meeleven dan welke andere kat dan ook. Hij wist uit eigen ervaring hoe moeilijk het was als de krijgervoorvaderen vaag waren, of erger nog: zwegen. Ik en Beekgloed hebben de RivierClan toen bijna ten onder laten gaan, omdat we er met ons hoofd niet bij waren. ‘Maar nu ik verder nadenk over het teken,’ onderbrak Steenspreker Heemstpoots gedachten, ‘besef ik me dat het een andere betekenis had. Een bessentak, zo duidelijk als wat. Bes Die Aan Tak Groeit moet mijn zalzijn worden.’

Bes’ mond viel open en haar ogen begonnen te stralen. ‘Denk je dat echt?’ Steenspreker zwiepte met zijn staart. ‘Ik denk het niet, ik weet het zeker. Echo heeft grootse dingen gedaan en ik was ervan overtuigd dat haar toekomst in de Stam lag. Maar mij is geleerd dat je het lot moet zien als een bergrivier. Je kunt enkel de stroom volgen om te zien waar die uitkomt. De rivier kronkelt, kent soms vertakkingen, gaat af en toe stel omhoog en dan weer loodrecht omlaag, en af en toe kabbelt het water rustig voort om vervolgens weer een bruisende massa te worden. Ironisch genoeg zijn jullie de RivierClan - misschien was dat wat mijn leraar me probeerde te vertellen. Misschien zijn jullie Echo’s lot.’

Heemstpoot was sprakeloos na die wijze woorden en keek Echo aan. Zij liet haar blik naar Bosbesvlek, Dasneus en Kalmschijn glijden, waarna ze knikte. ‘Ja, ik zou graag deel willen uitmaken van deze Clan, Vlekoog. Het zou me een eer zijn om mijn krijgersnaam in ontvangst te nemen.’ We hebben het gewoon geflikt! Heemstpoot stond bijna te stuiteren. We hebben het Woud overtuigd en nu gaan we eindelijk naar huis!

Hoofdstuk 18 Edit

Al sinds ze de Oude Watermolen hadden verlaten, had Bosbesvlek naar dit moment uitgekeken. Nu was het eindelijk zover. Nu zouden zij en de andere RivierClankatten dit donderpad oversteken, om vervolgens de steile steenhellingen bij de Moedermuil te beklimmen. En dan, wanneer de zon langzaam begon te rijzen, zou Bosbesvlek eindelijk het woud terugzien. Dit had ze al tientallen keren beleefd in haar dromen, maar steeds werd ze weer wakker met het besef dat het haar nooit zou overkomen. Die inschatting was fout geweest. Want nu stond ze aan de rand van het grijze donderpadgesteente, en ademde de smerige tweebeenlucht in die om haar heen hing. We hebben het gewoon gered! Echo heeft ons binnen drie dagen door de bergen geleid; ik denk zelfs dat ik de Hoogstenen al kan zien vanaf hier!

Een monster racete voorbij en liet een wolk van stof achter. Echo sprong geschrokken naar achteren en riep vol afschuw uit: ‘Wat was dat voor beest?!’ De twee leerlingen, Natpoot en Taanpoot, overspoelden hun mentoren met vragen; Bosbesvlek herinnerde zich dat alle drie de katten nog nooit een monster moesten hebben gezien. ‘Dit is het donderpad’, fluisterde ze tegen haar zus, die nog steeds stond te trillen. ‘Hoorde je het geluid wat dat beest - we noemen het een monster - maakte? Dat klinkt net als donder. Daarom noemen we deze plek zo. Er zijn nog veel meer donderpaden, ook eentje tussen het Donder- en het SchaduwClanterritorium.’ Echo trok nerveus met een oor. ‘Dat die katten überhaupt kunnen slapen met dit geluid!’ Bosbesvlek snorde, snoof de lucht op en zette een poot op het harde oppervlak. ‘Vlekoog, gaan we oversteken?’ vroeg ze nieuwsgierig aan de leider. Die schudde zijn kop. ‘Nee, we doen het zoals op de heenweg. We gaan in groepen. Ik leid de laatste groep, Sintelstorm, jij leidt de eerste. Neem Kolibrie en haar jongen mee, samen met de voorste linie krijgers en Natpoot.’

Bosbesvlek had het volste vertrouwen dat Sintelstorm hun er veilig overheen zou krijgen, en ze had gelijk. De grijze kater leidde de groep zelfverzekerd naar de overkant. Zelfs toen er een monster naderde in de verte, bleef hij zijn katten kalm aansporen en iedereen was ruim op tijd. Echo knipperde met haar ogen. ‘Moeten we nog zo’n ding oversteken?’ Bosbesvlek grimaste. ‘Ik geloof van wel, en die is zelfs nog drukker. Maar de vorige keer ging het goed.’ Haar zus leek niet zo overtuigd, maar ontspande zich wel een beetje toen ook de rest van de RivierClan veilig de overkant bereikte. Taanpoot en Natpoot bluften dat ze nog wel een keer op en neer wilden gaan. Ringstaart sprak ze streng toe dat Cirkelsteen, de legendarische RivierClancommandant, zijn leven had verloren op zo’n donderpad en dat je ze dus alleen moest oversteken als het noodzakelijk was. De twee luisterden geïnteresseerd hoe Ringstaart verder vertelde over Cirkelsteens dood, maar Bosbesvlek was inmiddels afgeleid.

‘Dus dit zijn de Hoogstenen?’ vroeg Echo geïnteresseerd bij het zien van de paar stenen heuvels die boven hun oprezen. Bosbesvlek zag een verlangende blik in haar ogen; de Hoogstenen leken immers een beetje op de bergen waar Echo was opgegroeid. Ik ben er zeker van dat ze het woud ook fantastisch zal vinden! Als we eenmaal terug zijn in ons territorium, dan kan ze haar krijgersnaam ontvangen en dan zal ik haar het hele territorium laten zien. Wij hebben dan misschien geen velden met edelweiss, maar wij hebben de mooiste rivier van de wereld. ‘RivierClan!’ riep Vlekoog trots uit om de Clan weer in beweging te krijgen. ‘Ik beloof jullie: vanavond zijn we in het woud!’

Hoofdstuk 19 Edit

Moerasdamp leidde Donderdreun rechtstreeks richting de WindClangrens. Donderdreun hoopte eigenlijk om Struikbont tegen te komen, de WindClankrijger die altijd vriendelijk tegen hem deed, maar zo te ruiken was er net een patrouille langs gekomen. ‘Ik zit eraan te denken om de patrouilles langs deze grens te halveren’, verklaarde Moerasdamp bedachtzaam. ‘We hebben altijd op goede voet gestaan met Stormster en zijn Clan. Ik denk dat we ons beter kunnen focussen op de DonderClangrens en wie weet kunnen we wat patrouilles naar het RivierClangebied sturen.’ Donderdreun keek verbaasd op. ‘Het RivierClangebied? Verwacht je dat we gaan vissen ofzo?’ Moerasdamp snorde luid. ‘Nee dank je! Het hele territorium van die vissenvreters wemelt van de eenden en zo. Die beesten zullen vast goed smaken.’

Donderdreun vond dat er wat in zat. Zeker tijdens bladkaal kon het RivierClangebied een goede oplossing bieden voor de prooischaarste; bovendien had hij het vermoeden dat de DonderClan en de WindClan allang gebruik maakten van die velden en dus was de SchaduwClan in het nadeel. Toch was er iets wat hem dwarszat. ‘Het voelt zo verkeerd’, bracht hij zijn twijfels onder woorden. ‘Alsof we willen vergeten dat de RivierClan ooit heeft bestaan.’ Moerasdamp wierp Donderdreun een scherpe blik toe. ‘Je weet net zo goed als ik dat we onze redenen hadden om ze te verdrijven. Misschien is het ook beter om ze te vergeten, dan komt de profetie niet uit.’

Donderdreun knarsetandde: ‘Wie weet. Maar wat als het water iets anders is? De RivierClan heeft ons nooit kwaad gedaan.’ Moerasdamp haalde zijn schouders op en ging op een platte rots zitten, waarvandaan je de heide goed kon overzien. ‘Je bent zelf gevangen genomen door hen, Donderdreun. Noem je dat geen kwaad doen?’ Dat hadden we zelf uitgelokt. Donderdreun slikte die reactie in, wetende dat Moerasdamp mee had besloten over de spionagemissie die de SchaduwClan fataal was geworden. ‘Het water kan ook duiden op een overstroming, door zware regenval of zoiets…’ Moerasdamp snorde luid. ‘Regenval? Het is groenblad; het zonnetje schijnt, de lucht is blauw, waar in SterrenClans naam maak jij je toch druk over?’ Donderdreun zei maar niks meer en ze begonnen weer te lopen langs de ellenlange WindClangrens. Binnen hem woedde een strijd; zal ik Moerasdamp vertellen over mijn vermoedens, of niet? Regenveer is zijn broer, verdomme! Hij zal me een idioot vinden en misschien ben ik dat ook wel.

Zoals Moerasdamp al had opgemerkt, scheen de zon fel en verlichtte de azuurblauwe hemel. Er was geen briesje te bekennen, wat de warmte drukkend maakte. Donderdreun voelde hoe hij langzaam uitgeput raakte door de lange wandeling. Zijn conditie was nog steeds niet op peil door het huisarrest van een aantal dagen geleden, en de chaos in zijn hoofd hielp ook niet bepaald. Ik vertel hem niks, hakte hij uiteindelijk de knoop door. Zonder bewijs kom ik nergens. Dan lijkt het alsof ik er gewoon wat uitflap, en dan zal hij me nooit meer serieus nemen. Tevreden dat hij voor zichzelf een besluit had genomen, ging Donderdreun naast zijn vader lopen. Moerasdamps bruine vacht kleurde goud door de zon en zijn indringende, gele ogen hield hij halfdicht geknepen tegen het felle licht. Plotseling voelde Donderdreun een kleine windvlaag door zijn vacht glijden en verschrikt keek hij naar de heide, waar de bries vandaan was gekomen. ‘Voelde jij dat ook?’ vroeg hij aan Moerasdamp, die knikte. ‘Ach ja, het weer kan zomaar omslaan’, geeuwde de commandant. Die wind voerde een geur mee, besefte Donderdreun zich. Een geur die ik zeker ken, maar ik kan er niet bij waarvan…

Hoofdstuk 20 (Dasneus) Edit

De Hoogstenen hadden een soort witte kleur gekregen door het licht. Dasneus ploeterde voort, zijn poten zo zwaar als steen, maar hij moest en zou de bovenkant van de laatste heuvel bereiken. Straks werd het nacht en dan zou de aanblik van het woud vast veel minder mooi zijn dan bij de schemering. Ik houd van de schemering, dacht hij vrolijk bij zichzelf. Roze is mijn lievelingskleur; hoe zou de rivier er van boven uit zien, badend in roze licht? Zou ik vissen kunnen zien zwemmen? Nee, wacht, daarvoor zijn we veel te ver verwijderd… Hoe hoger hij klom, hoe enthousiaster hij werd en uiteindelijk hees hij zichzelf over de rand. Daar stonden een paar anderen al te kijken. Bosbesvlek stuiterde op en neer als een kitten en Schemerstaart wikkelde zijn staart om Muiskit heen, die zijn vader aangaapte. ‘Wauw! Waar wonen wij, papa?’ De grijs-witte krijgskat wees met zijn voorpoot in de verte. ‘Zie je die rivier, bij die weides? Daar wonen wij. Als je goed kijkt, kun je ook de beek zien die ons kamp omringt…’

Dasneus werd afgeleid door Echo, die vol opwinding op hem af kwam rennen. ‘Jullie wonen zó mooi! Hoe konden jullie dit ooit achterlaten?’ Ze vindt het mooi, yes! Misschien is roze ook haar lievelingskleur! ‘Dasneus!’ Hij werd geroepen door Beekgloed, die bij Heemstpoot en Vlekoog stond. De twee katers leken ontzettend zenuwachtig, terwijl Beekgloeds blik kalm was. ‘Wat is er?’ vroeg hij nieuwsgierig aan zijn mentor. Die gebaarde met haar kop naar onderen. ‘Daar, in dat diepe gat, ligt de Moedermuil. Het is tijd voor Vlekoog om samen te tongen met de SterrenClan en zijn negen levens te ontvangen. Heemstpoot en Dasneus, ik wil dat jullie twee met hem meegaan.’ Dasneus sperde zijn ogen wagenwijd open. ‘Maar jij bent de volledige medicijnkat! Wij zijn leerlingen!’ Beekgloed gaf hem een knipoog. ‘Heemstpoot is minstens zo ervaren als ik. En ik denk dat het hoog tijd is dat jij de SterrenClan gaat ontmoeten.’

Ik ben zó benieuwd! dacht Dasneus nerveus toen hij afdaalde, richting de diepe grot die de Moedermuil heette. Zouden die SterrenClankatten echt sterren in hun vacht hebben? Zou ik Kleurstroom en Rozendoorn en Kervelklauw zien? Zouden ze me accepteren als leerling-medicijnkat? Of nee, daar moet ik natuurlijk bij halve maan een eed voor afleggen, zoals Heemstpoot me verteld heeft… maar ik kan niet wachten! Toch voelde hij een diepe angst door zich heen gaan toen hij, Heemstpoot en Vlekoog voor de gapende opening stonden. De duisternis trok aan hem; hij kon niet zien wat er voor hem lag en hoe diep onder de grond ze zouden moeten gaan. ‘Heemstpoot, ga ons voor’, beval Vlekoog de leerling. De Clanleider klonk ontzettend gespannen en Dasneus knipperde met zijn ogen. ‘Ben je bang dat je niet geaccepteerd wordt?’ Vlekoog reageerde niet: dat was dus een duidelijke bevestiging. Vlekoog is zo’n geweldige krijgskat! Denkt hij echt dat de SterrenClan hem zal weigeren? Maar ja, ik ben ook onzeker over mijn positie, dus waarom zou hij dat niet zijn?

Ze liepen en liepen en liepen maar. De donkere gang werd steeds smaller en voerde de drie katten steil naar beneden. Al snel hoorde Dasneus het geklets van de Clan niet meer; enkel zijn eigen, zenuwachtige ademhaling en die van Vlekoog. Heemstpoot leek echter kalm en Dasneus kon niet anders dan onder de indruk zijn. Waarschijnlijk vertelt zijn medicijnkatteninstinct al dat Vlekoog geaccepteerd zal worden. Had ik maar zulke voorgevoelens! Uiteindelijk kwamen ze aan in een ruime grot. Een stuk wit gesteente stond in het midden, en het kreeg een wat rode glans door het schemerige licht wat door een gat in het plafond viel. ‘Vanaf nu mag niemand meer spreken’, fluisterde Heemstpoot. ‘Het is nu puur wachten op het maanlicht.’

Hoofdstuk 21 Edit

Heemstpoot was bijna bang dat het een maanloze nacht zou worden, maar toen verscheen het hemellichaam eindelijk. De maan wierp zijn melkwitte stralen door de opening, recht op de massieve Maansteen, en het licht kleurde de hele grot zilver. Heemstpoot kon het niet laten om luid te snorren. Deze aanblik heb ik zo gemist! Eindelijk terug bij de plek waar de stem van de sterren het luidst spreekt… Vlekoog en Dasneus keken hun ogen uit en Heemstpoot besefte dat ze geen maanlicht moesten verspillen. Hij had dan nog wel nooit een leidersceremonie meegemaakt, maar als de Maansteen zou doven, dan zou het ritueel vast onderbroken worden. Hij zwiepte met zijn staart om de aandacht te krijgen. Rustig ging hij liggen, sloot zijn ogen en drukte zijn neus tegen het ijskoude gesteente.

Hij was bijna vergeten hoe het voelde om naast de Maansteen in slaap te vallen. De kou nam bezit van hem en opeens had hij geen gevoel meer in zijn lichaam; hij zag niks, maar hij voelde hoe zijn geest uit zijn lijf werd getrokken en opsteeg, door het plafond heen, richting de eindeloze hemel. Opeens was zijn gevoel weer terug en geschrokken opende hij zijn ogen. Waar ben ik?! Plotseling realiseerde hij zich dat dit niet Vierboom was, de plek waar de ceremonie zich waarschijnlijk had moeten plaatsvinden. Hij was bij de Oude Watermolen, maar het houten rad stond stil en de rivier stroomde niet. Het was alsof de tijd stilstond. Reikhalzend keek hij of hij Guus zag, maar de lynx point kat was nergens te bekennen. Ook Dasneus en Vlekoog waren er nog niet, maar plotseling zag hij heel vaag zwart-witte contouren verschijnen. Ze knipperden een paar keer en opeens stond Dasneus daar duidelijk, met het lichaam van Vlekoog bij zijn poten.

De leerling-medicijnkat boog voorover en schrok op. ‘Hij is dood!’ Heemstpoot knikte rustig. ‘Ja, hij is nu dood, maar dat komt omdat hij zijn oude leven heeft verloren, zodat hij negen nieuwe levens kan ontvangen. Hij wordt zo wakker.’ In de tussentijd veranderde de omgeving. Het rad begon te draaien, sneller en sneller, de rivier begon te stromen en de wolken boven hen flitsten voorbij. Heemstpoot zag flitsen van Vlekoogs herinneringen om hem heen; Vlekkit en Ringkit die stoeiden in het gras, Vissenschub en Morgenster die de jonge Vlekpoot vechtbewegingen leerden, een lapjespoes die bloedend op de grond lag en tenslotte Vlekoog, die werd benoemd tot commandant. De waanbeelden zagen er zo echt uit dat Heemstpoot ze probeerde aan te raken, maar ze losten steeds in rook op. Is dit een inkijk in Vlekoogs gedachten? bedacht hij zich verward. Beleeft hij zijn leven in sneltreinvaart opnieuw, voordat hij zijn nieuwe levens gaat ontvangen?

Op dat moment veranderde ook de lucht. De herinneringen verdwenen, het rad en de rivier namen een normaal tempo aan, en Vlekoog kwam kreunend overeind. ‘Hoe-hoe lang heb ik geslapen?’ hijgde hij. ‘Je sliep niet, je was dood’, miauwde Dasneus droogjes. ‘Maar niet erg lang. Wie was die ene lapjes…’ Hij was nog niet uitgesproken, of er gebeurde iets opmerkelijks. Heemstpoot keek ademloos toe hoe de SterrenClankatten vanuit de hemel neerdaalden, in een lichtgevende spiraal. Sommige katten meende hij te herkennen, maar de meesten waren hem onbekend. Allemaal hadden ze een blauwe gloed om zich heen en kleine schitteringen in hun vacht. Hun ogen hadden een heldere, felle kleur die per kat verschilde en ijs fonkelde bij hun poten, die lichtgevende pootafdrukken achterlieten in de lucht. Vlekoog ging kaarsrecht overeind zitten, zijn ogen vol ontzag, en Heemstpoot deed een pas naar achteren om de SterrenClankatten alle ruimte te geven. Nu ging het echt beginnen.

Hoofdstuk 22 (Vlekoog) Edit

Het was iets wat hij zijn hele leven niet meer zou vergeten. Al die SterrenClankatten die om hem heen stonden, hun ogen fel schijnend en hun blik wijs, maar streng. Zijn ze me soms aan het keuren? dacht Vlekoog huiverend. En wat zal er gebeuren als ze me niet goed genoeg vinden? ‘Vlekoog.’ Bij het horen van die stem keek hij om zich heen, maar niemand deed zijn mond open. Het was alsof de woorden van boven kwamen, alsof de hemel ze had uitgesproken. ‘Ben je bereid om je levens en nieuwe naam te ontvangen?’ Vlekoog rechtte zijn schouders even. Hij was dus goedgekeurd? ‘Ja, ik ben bereid’, miauwde hij, al hoorde hij hoe zijn stem beefde.

Als eerste kwam een rode kater naar voren en Vlekoogs hart maakte een sprongetje. Het was Kervelklauw, de oudste die een aantal dagen geleden was overleden, in de kille bergen. ‘Met dit leven schenk ik je standvastigheid. Als alles wordt weggerukt waar je in gelooft, zal dit je helpen om een nieuwe houvast te vinden.’ Kervelklauw raakte Vlekoogs schouder aan met zijn neus en opeens voelde hij hoe poten hem vastgrepen. Vlekoog keek op en zag vaag de contouren van een tweebeen, die hem een monster in probeerde te sleuren. In paniek probeerde hij zich los te worstelen, totdat hij zich besefte dat hij zich in Kervelklauws herinnering moest bevinden. Dit is niet echt, zei hij tegen zichzelf. Dit is niet echt. Toen verdween het beeld. Zijn hart bonsde nog na, maar er was alweer een nieuwe kat verschenen. ‘Cirkelsteen!’ riep hij uit. ‘Ben jij het echt?’ Cirkelsteen boog respectvol zijn kop. ‘Met dit leven schenk ik je opoffering. Wees bereid om het grootste offer te brengen voor de veiligheid van je Clan.’ Vlekoog raakte Cirkelsteens neus aan en werd meteen gegrepen door pijn. Een monster knalde tegen hem aan, de felle lichten schenen in zijn ogen en maakten hem blind, en de ronde poten braken zijn ruggengraat.

Met tranen in zijn ogen kwam hij weer bij bewustzijn. Hij stond nog steeds, hoewel hij in Cirkelsteens herinnering toch zeker was overreden. Gelukkig ebde de pijn snel weg en bleef alleen de schrik over. In de tussentijd was de derde kat verschenen: Kromtand, die in Vlekoogs krijgertijd een oudste was geweest. Nu zag hij er sterk en jeugdig uit. ‘Met dit leven schenk ik je trots. Gebruik het als dat nodig is - maar met mate.’ Bij dit leven kwam er eindelijk geen pijn. Sterker nog, Vlekoog vond het een fijn gevoel, als een soort vuurzee die zijn hart verwarmde. Helaas was het snel weer voorbij en werd Kromtand vervangen door een witte poes die hij in eerste instantie niet herkende. Plotseling herinnerde Vlekoog zich weer wie het was; Ruisblad, een RivierClanmedicijnkat die was gestorven toen ze een gruwelijke wraakactie voorbereidde. Ik had niet verwacht dat ik haar hier zou zien! Zij hoort toch in het Duistere Woud thuis? ‘Met dit leven schenk ik je beoordelingsvermogen’, verklaarde Ruisblad, alsof ze zijn gedachten had gelezen. ‘Ik heb fouten gemaakt, maar dat deed ik omdat ik dacht dat ik het juiste deed. Dat maakt me geen schurk.’

Vlekoog was nog steeds niet overtuigd van haar onschuld, maar hij raakte Ruisblads neus aan. Het leven wat hij kreeg was een vreemde mix van vastberadenheid en spijt, die hij niet goed thuis kon brengen. Tot zijn verbazing stapten er nu twee katten naar voren: Schijnselmist en Rozendoorn, de twee zussen die allebei te vroeg gestorven waren. Schijnselmist doordat ze door het ijs zakte en Rozendoorn door verwondingen. ‘Met dit leven schenk ik je plichtsgevoel’, verklaarde Schijnselmist. ‘Iets wat elke Clanleider moet hebben.’ Vlekoog voelde deze nieuwe verantwoordelijkheid op hem drukken alsof hij werd geplet door de Maansteen, en dit nieuwe leven versterkte dat gevoel alleen maar. SterrenClan, ik heb nog vier levens te gaan! Hoe houd ik dit ooit vol?

Hoofdstuk 23 Edit

Nerveus wierp Bosbesvlek een blik op de Moedermuil. Daar waren Heemstpoot, Dasneus en Vlekoog bij zonsondergang in verdwenen; nu was het al bijna volle maan en de drie waren nog steeds niet teruggekeerd. Wat zou er daar gebeuren? fantaseerde ze. Moet Vlekoog opdrachten doen of zoiets? Ze zag ook hoe Ringstaart bezorgd naar de grotingang bleef staren. Bosbesvlek kon wel raden hoe hij zich moest voelen; terneergeslagen. Vlekoog zou straks niet meer bestaan, want er zou een heel andere kat naar buiten komen: Vlekster, die had samengetongd met de SterrenClan en bovennatuurlijke gaven had gekregen. En Dasneus zal nu ook de SterrenClan ontmoeten. Hij zal nooit meer een gewone krijgskat zijn, maar een mysterieuze medicijnkat… Ze moest even haar verdriet bedwingen en knipperde met haar ogen.

Opeens voelde ze een warme vacht langs de hare strijken en zag Sintelstorm daar staan, zijn blik meelevend. ‘Je vindt het moeilijk, hè?’ fluisterde hij. ‘Om te zien welk pad je broer heeft gekozen.’ Bosbesvlek keek hem aan en liet daarna haar blik naar het vredige, nachtelijke woud glijden. ‘Ja’, murmelde ze. ‘Maar het is meer… alles zal binnenkort tot een einde komen. Het is alsof alles heeft geleid tot dit moment. Of we keren terug naar het woud, of we worden vernietigd. Welke van de twee het ook wordt, ik weet zeker dat alles gaat veranderen.’ Sintelstorm knikte. ‘Verandering hoeft niet altijd slecht te zijn. Ik voelde dat er iets ging veranderen, en een paar dagen later ontmoette ik jullie. En kijk waar we nu zijn! Ik zou mijn leven geven om wie dan ook van de Clan te redden.’ Bosbesvlek moest meteen aan Miervoet denken, en aan hoe Sintelstorm hem en haarzelf uit het ijskoude water had getild. ‘Je hebt gelijk’, mompelde ze. ‘Misschien is deze verandering ook goed.’

‘Waar wonen wij?’ Echo’s opgewonden stem zorgde ervoor dat Bosbesvleks verdriet wegebde. ‘Wij wonen in die velden. De DonderClan woont in het loofbos en de SchaduwClan woont daar, in het moeras met die strook sparrenbomen. Hieronder op de heide, woont de WindClan en die plek in het midden, dat is Vierboom.’ De reusachtige eiken leken minuscuul vanaf hier gezien. Bosbesvlek vond het jammer dat er geen Grote Vergadering plaatsvond, want ze had graag gezien hoe klein de SchaduwClankatten dan leken, zo klein dat ze hen met een poot kon verpletteren. Was het maar zo makkelijk. Ze zijn met ongeveer evenveel als wij, en ze schuwen niet terug om ons uit te moorden. Terwijl ik nooit een kat bruut zou kunnen doden, en ik denk dat veel van mijn Clangenoten er hetzelfde over denken.

Muiskit rende rakelings langs haar heen en kwam gevaarlijk dichtbij de rand van de heuvel. ‘Kijk uit!’ riep Bosbesvlek nog, maar het katertje gleed al tot stilstand. Hij draaide zich met een triomfantelijke blik om. ‘Ik heb mijn eerste prooi gevangen!’ Trots liet hij een koperbruin kevertje zien, dat levenloos op de grond lag. Muiskits piepkleine klauwtjes hadden het schild vakkundig opengesneden en een einde aan het leven van het beestje gemaakt. ‘Goed gedaan’, prees Sintelstorm het jonkie. ‘Ik weet zeker dat Schemerstaart en Zwemvleugel onder de indruk zijn!’ Muiskit snorde en rende meteen op zijn ouders af, die hem verrast begroetten. ‘Dit is het toch waard om voor te vechten?’ murmelde Sintelstorm zacht. Bosbesvlek voelde vastberadenheid door zich heen stromen. Als ze zouden verliezen van de SchaduwClan, zou voor Muiskit en alle anderen een donkere toekomst in het verschiet liggen. Dus er was maar één optie. We moeten winnen.

Hoofdstuk 24 Edit

Het was al laat in de avond toen Donderdreun terugkeerde in het kamp. Hij had gejaagd met Tijgerpoot, wiens technieken steeds beter werden, en Schubbenstaart. Blauwpoot was niet mee geweest. Donderdreun giste dat Schubbenstaart af en toe een beetje gek werd van zijn lastige leerling en dat kon hij hem niet kwalijk nemen. Blauwpoot is soms ook gewoon heel vervelend. Ik ben ontzettend blij dat mijn eigen leerlinge meestal wel luistert, al is Blauwpoot beter in vechten en jagen. Dat vind ik ook geen belangrijke eigenschap, zolang je maar je best doet, en dat kan ik van Tijgerpoot zeker zeggen.

Gelukkig was zijn hoofd iets leger nu hij had besloten om het probleem Regenveer naar de achtergrond te verplaatsen. Zijn gesprekken met Moerasdamp waren ontspannen, zonder dat hij steeds de neiging kreeg om de Water-profetie ter sprake te brengen. Misschien had iedereen gelijk en hebben we niets meer te vrezen. Tenslotte is de RivierClan verdreven. En sinds die ene keer met Moerasdamp, heb ik de profetie niet meer gehoord. Waarom zou ik me nog druk maken? Als Regenveer een bedreiging vormde, dan had de SterrenClan me vast wel iets van een teken gestuurd. Dit soort dingen bleef hij maar tegen zichzelf zeggen. Het bewijs begon zich op te stapelen dat Regenveer gewoon een ambitieuze krijgskat was en niet meer dan dat, dus het werd ook steeds makkelijker om de voorspelling te vergeten.

Het kamp werd verlicht door een bundel maanlicht. Op de open plek waren haast alle SchaduwClankatten nog aanwezig, terwijl ze genoten van de overvloedige prooi. Donderdreun knikte Tijgerpoot even toe en murmelde: ‘Leg je vangst maar op de hoop en pak zoveel eten als je wilt. Je hebt hard gewerkt vandaag.’ Het donkerrode poesje keek met stralende ogen naar hem op en spurtte daarna op de hoop af. Vol trots legde ze haar merel erop, waarna ze een kikker voor haarzelf pakte. Tot zijn grote genoegen zag Donderdreun hoe Grotster gapend zijn hol uitkwam, even in de hoop porde en toen de merel uitkoos. Tijgerpoot fleurde helemaal op en volgde Grotsters kauwbewegingen aandachtig.

Donderdreun besloot om gehoor te geven aan zijn knorrende maag. Hij pakte een lekker mollige muis en trippelde op een groepje jonge krijgers af, die luid aan het kletsen waren. Onder andere Metaalmasker en Schubbenstaart waren erbij, en de kersverse krijgskat Bliksemleeuw. De goudrode kater vond het zo te zien erg opwindend om met de andere krijgers te eten. Melissevacht was er niet; na even zoeken, zag Donderdreun haar zitten met Doornflint. De twee hadden zo te zien een romantisch diner. Hij richtte zijn aandacht weer op zijn vrienden en begon aan zijn muis te knagen. ‘Hee, Donderdreun!’ miauwde Cedergrom hartelijk. ‘Schubbenstaart zei net dat hij onder de indruk is van Tijgerpoots jachttechnieken. Je bent kennelijk een erg goede mentor!’ Donderdreun werd warm van verlegenheid bij de lof van de meer ervaren kater. ‘Eh, dankjewel!’ stamelde hij. ‘Maar eigenlijk doen alle drie de leerlingen het bijzonder goed. Het is duidelijk wie hun vader is’, voegde hij eraan toe, wetend dat Tijgerpoot, Kikkerpoot en Blauwpoot de jongen van Cedergrom waren. De bruine kater snorde vrolijk en gaf toe: ‘Tja, die drie hadden het al in zich om goede krijgers te worden. Is het goed als ik binnenkort eens naar hun training kom kijken?’ Donderdreun boog zijn kop. ‘Wanneer je maar wilt. Ze zijn klaar voor een eerste beoordeling.’ En voor hun eerste Vergadering, en hun reis naar de Maansteen… hun training begint nu pas echt!

Hoofdstuk 25 Edit

De grijze poes die het leven plichtsgevoel had gegeven, herkende Heemstpoot niet. Het moest een krijger van voor zijn tijd zijn. De volgende kat, Rozendoorn, was hem echter maar al te bekend en hij moest een vreugdesprong onderdrukken. Ze ziet er zo gelukkig uit hier! Misschien vindt ze het niet erg dat ik haar niet heb kunnen redden. Een leuk detail was dat Rozendoorn iets in haar bek droeg en voor Vlekoogs poten neerlegde. Heemstpoot keek even beter en zag dat het een mooie, bloedrode roos was - de plant waarin de oranje krijgskat even was veranderd na haar dood. ‘Met dit leven schenk ik je strijdlust’, murmelde Rozendoorn. ‘Een ware krijger zoekt een gevecht niet op, maar gaat het ook niet uit de weg.’ Vlekoog nam het leven in ontvangst en Heemstpoot zag zijn lichaam opnieuw verkrampen. Ik had nooit gedacht dat een leidersceremonie pijn zou doen. Het lijkt alsof Vlekoog vanbinnen gemarteld wordt, misschien niet zozeer fysiek, maar ook mentaal.

De kat die nu naar voren kwam, was niet van de RivierClan. Heemstpoot herkende haar uit Vlekoogs herinneringen en nu hij haar wat beter bekeek, deed ze hem aan de tengere WindClankatten denken. Maar wat zou Vlekoog te maken kunnen hebben met een WindClankat? In zijn krijgerstijd, waren we met de WindClan in oorlog. Meer weet ik ook niet. ‘Met dit leven schenk ik je liefde’, verklaarde de lapjespoes. ‘Iets waarmee je de harten van al je krijgers kunt vullen. En daarmee bedoel ik vooral het hart van Vuurceder.’ Vlekoog knipperde ongelovig met zijn ogen. Heemstpoot zag tot zijn verbazing dat de grootse Clanleider een traan liet vallen op het gras, en besefte dat de zwart-witte kat een belangrijke band moest hebben met deze WindClankat. ‘Ik ben blij dat je me vergeeft’, mompelde Vlekoog. ‘Ik ben blij dat jij gelukkig bent’, antwoordde de lapjespoes. ‘Natpoot en Taanpoot zullen geweldige krijgers worden, en ik zal aan hun zijde staan. Voor altijd.’

Er viel een stilte, die werd doorbroken doordat de achtste kat een pas naar voren deed. ‘Moeder’, begroette Vlekoog de zwart-witte poes met een warm gesnor. Heemstpoot zelf deed het ook deugd om Kleurstroom weer te zien. De poes was een korte tijd geleden gestorven toen ze stikte in een vissengraat, en Heemstpoot nam het zichzelf nog steeds kwalijk dat hij niks voor haar had kunnen doen. ‘Met dit leven schenk ik je toegankelijkheid. Je bent een Clanleider, dat klopt, maar je status wil nog niet zeggen dat je je dierbaren anders moet behandelen.’ Vlekoog boog zijn kop en nam gretig het leven aan dat zijn moeder hem toereikte. Heemstpoot zag vol spanning hoe Kleurstroom terug stapte en wachtte op de negende kat.

Vreemd genoeg was het Cirkelsteen die opnieuw naar voren kwam. ‘Er is iets wat we je nog niet verteld hebben. Het is… Morgenster leeft nog. Ze is misschien niet meer de RivierClanleider, maar ze blijft een leven houden dat wij haar ooit hebben gegeven. Dat kunnen we niet meer terugnemen en dat houdt in dat het tegen jouw negen levens wordt afgestreept.’ Vlekoog snakte naar adem: ‘Dat slaat nergens op! Dus ik krijg maar acht levens omdat Morgenster zichzelf heeft opgeofferd voor de Clan?’ Cirkelsteen leek duidelijk ongemakkelijk onder de situatie. ‘Ik ben het er ook niet mee eens. Maar de oude regels kunnen we niet veranderen. Zelfs de stichters zijn het erover eens dat we jou je negende leven niet kunnen geven.’ Heemstpoot voelde de haren op zijn rug overeind komen en ook Dasneus leek teleurgesteld. Maar op dat moment, kwam er een nieuwe gestalte aanrennen. Zonder sterrenlicht in haar vacht, zonder ijsfonkelingen bij haar poten, maar met meer levenskracht dan welke SterrenClankat dan ook. En Vlekoog zei één woord, een naam die niemand durfde te zeggen: ‘Morgenster?’

Hoofdstuk 26 (Dasneus) Edit

Muziek

‘Morgenster!’ echode Dasneus. Daar stond ze dan, de kat die voor al die manen zijn Clanleider was geweest. Hij zou nooit vergeten dat het Morgenster was die hem had benoemd tot leerling-medicijnkat. Morgenster had de RivierClan zo vol vastberadenheid naar de Oude Watermolen geleid en had zelfs het respect weten te winnen van Kervelkauw; er was vast geen kat die zoveel heldendaden had verricht als zij. En nu stond ze hier, levend en wel, maar tegelijkertijd leek ze op te gaan in de groep SterrenClankatten alsof ze bij hun gelederen hoorde. Ze leek zo krachtig. Zo vol levenslust, maar ook vol vrede. Dasneus las nog iets anders in haar blik: vastberadenheid. Ze was iets van plan.

‘Cirkelsteen’, murmelde ze tegen haar gestorven partner. Cirkelsteen zette langzaam een stap in haar richting, wist zich niet meer te beheersen en drukte zijn snuit in haar vacht. Zilveren tranen gleden over Morgensters vacht en de twee bleven even zo staan, blind voor hun omgeving. Uiteindelijk hief Morgenster haar kop op en ontmoette Vlekoogs blik. ‘Het is tijd’, fluisterde ze. ‘Tijd voor jou om mijn plaats als RivierClanleider in te nemen. Ik wil mijn overgebleven leven aan jou schenken.’ Vlekoog sperde zijn ogen wijd open. ‘Maar… maar dan ga je… dan ga je dood! Dat hoeft niet! Acht levens zijn genoeg voor me, echt…’

Morgenster en Vlekster tekening

Illustratie door IJsdroom Vogeltje!

Morgenster was niet op andere gedachten te brengen. Ze deed een pas naar voren en de SterrenClan week opzij om haar alle ruimte te geven. ‘Ik ben trots op je, Vlekoog, en ik weet dat je me nog trotser zal maken.’ Vlekoog schudde even zachtjes zijn kop, alsof hij niet begreep dat Morgenster deze keuze maakte. ‘Je hebt een lang en moeilijk pad bewandelt; je hebt veel katten verloren en ik waarschuw je, dat zullen er nog meer worden. Maar dat is niet altijd slecht, want juist deze offers hebben je gemaakt tot wat je nu bent: een sterke en dappere krijger. Dat zijn twee belangrijke eigenschappen voor een leider, maar niet zozeer de moed en kracht die je nodig hebt tijdens een gevecht zijn belangrijk. Ik bedoel de moed om te doen wat jij gelooft dat juist is, en de kracht om door te zetten, zelfs in donkere tijden. Omdat ik zeker weet dat jij die eigenschappen hebt, geef ik je hierbij mijn laatste leven. Ik schenk je vastberadenheid. Jij bent degene die de keuzes vanaf nu moet maken.’

De witgrijs gevlekte poes raakte Vlekoogs neus aan. Op dat moment begon er een helder licht om haar heen te schijnen. Haar vacht kreeg een blauwzilveren tint en vervaagde een beetje, waardoor je Cirkelsteens ontzette gezicht door haar gestalte heen kon zien. Vlekoog legde zijn kop in zijn nek en liet het laatste, beslissende leven binnenkomen. Even leken zijn gele ogen een groene glans te krijgen, waarna hij Morgenster bedroefd aankeek. ‘Hierbij heet ik je welkom als RivierClans nieuwe leider’, verklaarde de oud-RivierClanleider met diepe stem. ‘Vlekster!’ Dasneus had niet gemerkt dat hij zelf emotioneel aan het worden was. Een beetje gegeneerd veegde hij zijn tranen weg met een voorpoot en wisselde een blik met Heemstpoot. Op hetzelfde moment begonnen de SterrenClankatten terug te keren naar hun hemelen, terwijl ze Vleksters naam bleven scanderen, totdat de laatste echo van hun stemmen vervaagde. Morgenster was de laatste die opsteeg; ze knikte Vlekster kort toe. ‘Ik heb vertrouwen in je.’ Daarna verdween ook zij uit het zicht en dat was het laatste wat Dasneus van haar zag, voordat de omgeving begon te veranderen in de kille Moedermuil.

Hoofdstuk 27 Edit

De krijgers van de SterrenClan begonnen langzaam te vervagen en de donkerblauwe hemel veranderde in een bloedrode ochtendschemering. Enkele gele en oranje strepen tekenden zich af in de lucht. Het was een spektakel om naar te kijken en Bosbesvlek deed dat dan ook volop, al wist ze dat ze eigenlijk nog iets meer slaap zou moeten inhalen. Haar oogleden waren zwaar en haar poten voelden alsof er een das op had gestaan, zo moe was ze. Gelukkig waren veel andere krijgers ook wakker. Echo leek het meest energiek van iedereen, misschien omdat ze langere afstanden gewend was als bergkat. De bruin gevlekte poes kwam opgewonden op Bosbesvlek afrennen.

‘Goedemorgen!’ snorde de oud-Stamkat. ‘Tortelpels zei tegen me dat Vlekoog terug is.’ Bosbesvlek kon er niks aan doen dat ze haar zus even benijdde. Vroeger had Tortelpels alleen maar aandacht voor haar gehad, maar nu Echo was gekomen, leek de grijze kater een nieuw liefje te hebben. Bosbesvlek wist niet heel goed wat ze daarvan moest denken; er was nooit echt iets serieus tussen haar en Tortel geweest. Toch had ze eigenlijk wel erop gerekend dat ze in de niet al te verre toekomst partners zouden worden. Eigenlijk hoef ik ook geen kittens, bedacht ze bij zichzelf. Ik wil niet nog meer manen in die suffe kraamkamer doorbrengen.

‘Hallo?’ miauwde Echo geamuseerd. ‘Luister je wel? Vlekoog is teruggekeerd en waarschijnlijk roept hij straks een Vergadering bijeen.’ Bosbesvlek was weer helemaal wakker. ‘Heeft hij zijn negen levens ontvangen?’ Daarop kreeg ze geen antwoord, maar niet veel later klonk Vlekoogs oproep vanaf een smalle richel: ‘Laat alle katten van de RivierClan zich bij mij verzamelen voor een Clanvergadering!’ Nu werden ook de uitslapers wakker. Natpoot en Taanpoot, de enige leerlingen van de Clan, gleden opgewonden tot stilstand voor hun vader. Ook Vuurceder had een nieuwsgierige glans in haar ogen bij het zien van haar partners trotse blik. Ik hoop echt dat de ceremonie goed is gegaan, dacht Bosbesvlek nerveus. We kunnen niet nog een tegenslag gebruiken.

‘Ik heb mijn negen levens en nieuwe naam ontvangen’, draaide Vlekoog er niet omheen. ‘Vanaf nu sta ik bekend als Vlekster.’ Meteen zwol er een koor van felicitaties aan. Bosbesvlek voelde een last van haar schouders vallen en riep vrolijk mee: ‘Vlekster! Vlekster!’ De RivierClanleider keek neer op de Clan die hem nu officieel was toegewezen. Er was iets veranderd in zijn houding; hij leek zelfverzekerd, krachtiger? Wat er ook anders was, het was iets positiefs, iets dat de RivierClan zou doen opbloeien. ‘Ik moet alleen wel mededelen dat Morgenster dood is’, ging Vlekster ietwat bedroefd verder. ‘Zij verkoos een leven in de SterrenClan boven dat van een tweebeengevangene. We zullen haar altijd blijven herinneren als de grootste RivierClanleider die ooit heeft geregeerd.’

Bosbesvlek voelde zich terneergeslagen en tevreden tegelijk. Morgenster zou nooit op haar plek zijn in een tweebeenplaats, maar het was moeilijk om te geloven dat ze daadwerkelijk gestorven was. Ik heb nooit een andere leider dan Morgenster gekend, dacht ze ontsteld. Volgens mij was ze zelfs al leider toen Vlekster geboren werd. Het is niet te bevatten dat ze nu tussen de sterren jaagt. ‘Het is tijd om onze rechtmatige plek in het woud terug te veroveren’, verklaarde Vlekster. ‘Maak jullie klaar, want vanavond vallen we de SchaduwClan aan - in hun kamp.’

Hoofdstuk 28 Edit

Het was een zonovergoten avond. De wolken waren weggebleven en dat zorgde ervoor dat de azuurblauwe hemel nu echt tot haar recht kwam. Langzaam begon die iets paarser te kleuren, als teken van de naderende zonsondergang. Gelukkig was er nog genoeg tijd om van de warmte te genieten en Donderdreun verheugde zich op een gezellige avond toen hij terugkeerde van een jachtpartij met Cedergrom. Dat werd het niet, want meteen bij aankomst kwam een geïrriteerde Grotster op hem af. ‘Donderdreun’, begroette de Clanleider hem kortaf. ‘Loop even met me mee, alsjeblieft.’

Nerveus trippelde Donderdreun achter zijn leider aan. Heb ik iets verkeerds gedaan? Ik weet dat ik Regenveer nog steeds vermijd, maar dat is toch niet zo erg? Alsof Grotster met iedereen kletst. De grijsharige kater liep rechtstreeks naar een achteruitgang toe en stopte pas met lopen toen hij een eindje buiten het kamp was. Donderdreun moest bijna rennen om hem bij te houden. ‘Neem plaats’, gebood Grotster hem koeltjes. ‘We moeten het echt even hebben over Tijgerpoot.’ Meteen werd het Donderdreun koud om het hart. ‘Tijgerpoot? Wat is er met haar?’ Grotster snoof. ‘Met haar is er niks, maar Blauwpoot heeft een lelijke kneuzing.’ Die zin deed Donderdreun even slikken. ‘K-kneuzing? Wat bedoelt u?’ Heeft Tijgerpoot met haar broer gevochten? Dat lijkt me sterk, en zo ja, dan moet Blauwpoot het uitgelokt hebben!

‘Tijgerpoot dacht dat het leuk was om Blauwpoot te laten schrikken tijdens het boomklimmen’, gromde Grotster woedend. ‘Die arme leerling schrok zich een ongeluk en stortte naar beneden. We mogen van geluk spreken dat Golvenslag zijn val heeft gebroken, anders had hij zijn poot misschien wel gebroken.’ Donderdreun zuchtte even opgelucht en het schoot door hem heen dat Golvenslag ook al eerder zijn leven had gered. Was ik maar net zo waardevol als zij. Het lijkt erop dat ik niet eens mijn leerling fatsoenlijk kan opvoeden, terwijl Golvenslag al haar zorgen opzij zet om de beste krijger van de SchaduwClan te zijn. ‘De belangrijkste les die leerlingen van hun mentoren moeten leren, is het behouden van focus’, ging Grotster boos verder. ‘Heb je haar nooit verteld dat dit soort spelletjes tijdens oefeningen niet gepast zijn?’

Donderdreun wilde met heel zijn hart zeggen dat hij het wel had gedaan, maar toen hij wat in zijn geheugen begon te graven, besefte hij zich dat hij Tijgerpoot altijd maar lol had laten maken tijdens de training. Ze deed het altijd op momenten dat het wel kon, gewoon tussen de oefengevechten door, dacht hij schuldig. Maar ik had nooit gedacht dat ze zo’n muizenbrein zou zijn. ‘Nee, Grotster, dat heb ik nooit tegen haar gezegd’, mompelde hij schuldig. Er vlamde een vuur in de ogen van de leider. ‘Dat had je wel moeten doen. Tijgerpoot hoeft wat mij betreft niet gestraft te worden - ze is onwijs geschrokken en houdt Blauwpoot trouw gezelschap in het medicijnhol. Maar Donderdreun, jij mag Schubbenstaart gaan vertellen dat zijn leerling de komende tijd niet kan trainen. Ik verwacht dat je Tijgerpoot morgen toespreekt over wat er gebeurd is en dat je ervoor zorgt dat ze Blauwpoot elke dag verse prooi brengt.’ Donderdreun boog zijn kop. ‘Dat zal ik doen. Dit zal nooit meer gebeuren, dat beloof ik.’ Met een slecht gevoel trippelde hij op de kampingang af, vastbesloten om Schubbenstaarts patrouille zo snel mogelijk te vinden. Ik vraag me af of deze avond nog meer verpest kan worden.

Hoofdstuk 29 Edit

De tijd om te vertrekken was aangebroken. Overal waar Heemstpoot keek, vond een emotioneel afscheid plaats of zat een krijger serieus voor zich uit te kijken. Hij snapte maar al te goed waarom; de vorige keer dat ze tegen de SchaduwClan hadden gevochten, waren ze Egelklaver en Rozendoorn verloren. De kans was groot dat er ook dit keer slachtoffers zouden vallen. En dat hield in dat sommige van de krijgers die nu weggingen, hun familie die hier achterbleef misschien nooit meer zouden zien. Dit kon een definitief afscheid zijn. ‘Ga jij mee?’ vroeg Heemstpoot aan Dasneus, die met zijn kop schudde. ‘Ik blijf hier om op de jonge kittens te letten. Volgens mij gaat Beekgloed wel naar het gevecht, en jij?’

Heemstpoot hoefde daar geen tel over na te denken. ‘Ik ga ook. Er zal meer behoefte zijn aan medicijnkatten op het slagveld dan hier.’ Dasneus knikte kort en trippelde daarna op zijn vader, Schorspluim, af om afscheid te nemen. Heemstpoot keek hem een beetje onzeker na. Ik heb geen krijgstraining gehad. Ik wil wel bij de strijd zijn, maar ik ben bang dat ik een beetje op afstand moet blijven. Er was nog iets anders wat hem dwars zat: Donderpoot. De zwarte kater zou nu inmiddels wel zijn krijgersnaam hebben ontvangen en dus in de voorste linies meevechten. Stel dat hij me aanvalt, wat doe ik dan? Ik kan niet terugvechten! En ik kan ook niet Metaalpoot verwonden, nu ik weet dat Dasneus verliefd op hem is! Waarom is dit zo ingewikkeld?

Vlekster schreeuwde: ‘RivierClankrijgers, we gaan! Wij zullen hier terugkeren als overwinnaars!’ Dat laatste woord werd door alle katten gescandeerd: ‘Overwinnaars! Overwinnaars!’ Heemstpoot liet zijn blik glijden over de thuisblijvers. Dat waren de moederkatten, de kittens en de oudsten, samen met Dasneus en drie krijgskatten om hun te bewaken: Miervoet, Wolkenvlucht en Klaverstap. Het moest Heemstpoot wel opvallen hoe rustig Sintelstorm eruit zag, zelfs al zou hij tegen zijn vroegere Clangenoten moeten vechten. Ik ben zelf veel zenuwachtiger, terwijl ik alleen in mijn eerste manen bij de SchaduwClan gewoond heb… Sintelstorm is daar opgegroeid. Hij zou dit gevecht juist uit de weg moeten gaan, maar hij lijkt vastberaden om onze Clan te verdedigen.

De menigte begon te bewegen. Vlekster voorop, met Ringstaart naast zich. Heemstpoot voelde een brok in zijn keel toen hij zag hoe de commandant zijn broer (en leider) een aarzelende lik gaf, en Vlekster beantwoordde die met een geruststellend kopje. Hoe zullen zij zich voelen? Ze hebben opeens de verantwoordelijkheid over de voltallige Clan, maar ze hebben elkaar gelukkig nog. Beekgloed duwde Heemstpoot zachtjes in de richting van de twee hooggeplaatste katten. ‘Laten we achter ze gaan lopen’, stelde de blauwgrijze poes voor. ‘Ik denk dat de krijgers gerustgesteld zijn als ze zien dat er twee medicijnkatten mee zijn.’ Heemstpoot knikte. ‘Moge de SterrenClan aan onze zijde staan’, mompelde hij een beetje onzeker. ‘Ik krijg haast het gevoel dat het hun bedoeling was om ons verdreven te laten worden, en jij?’ Beekgloed haalde haar schouders op. ‘Het heeft ons sterker gemaakt, ja. En het heeft Vlekster heel erg doen groeien als leider - opeens moest hij Morgensters plek innemen en ons hierheen leiden. Dat zorgde ervoor dat hij geen tijd had om aan zichzelf te twijfelen en dat werpt zijn vruchten al af.’ Heemstpoot volgde de blik van zijn mentor, naar de trotse Vlekster aan het hoofd van zijn Clan. Zelfs als de SterrenClan niet aan onze zijde staat, dan hebben we onze leider nog die ons hier doorheen zal slepen. Het is tijd dat de RivierClan terugkeert in het woud - en dat zal vanavond gebeuren.

Hoofdstuk 30 Edit

Als RivierClankat was Bosbesvlek het wel gewend om natte poten te krijgen. Toch vond ze de moerassen geen fijne plek, omdat de zompige grond aan haar poten kleefde en haar naar beneden zoog. Vlekkenloof was gelukkig vooruit gestuurd als verkenner en zocht de plekken uit waar de RivierClankrijgers zonder al teveel problemen doorheen konden lopen - het zou Bosbesvlek nog niks verbazen als er weleens SchaduwClankatten verdronken waren in dit gedeelte van het territorium. Natpoot en Taanpoot komen met hun kop nauwelijks boven de blubber uit. Een kleinere leerling kan hier echt niet doorheen waden.

‘We komen nu gevaarlijk dichtbij hun kamp’, fluisterde Vlekster. ‘Vanaf nu is dit het geluidsniveau. Iedere kat die schreeuwt of überhaupt overbodig praat, kan direct terug naar de Hoogstenen. Gesnopen?’ Hij kreeg een hoop gespannen knikjes terug. Bosbesvlek drukte zich iets dichter tegen Echo aan, die haar een zenuwachtige blik terugwierp. ‘Succes’, murmelde de oud-Stamkat nauwelijks hoorbaar. Succes, dat zullen we inderdaad nodig hebben. Als we dit gevecht verliezen, dan kunnen we echt nooit meer terugkomen hier. Bosbesvlek knikte haar zus en Kalmschijn even kort toe, waarna ze strak naar voren keek. ‘Start fase één’, hoorde ze Vlekster nog mompelen. Dit plan hadden de krijgers van tevoren besproken; fase één hield in dat Ringstaarts groep, de achterhoede, zich naar de achterkant van het kamp begaf. Bij fase twee zou Vleksters voorhoede klaar gaan staan en aanvallen en fase drie was dat de achterhoede het gevecht in zou komen.

‘Fase twee’, siste Vlekster geconcentreerd. Bosbesvlek drukte haar neus even in Kalmschijns vacht en drong zich naar voren, samen met de andere katten die waren gekozen voor de voorhoede. Het was nu puur wachten op Vleksters staartsignaal, dan zou Bosbesvleks groep zich door de struiken wurmen en het kamp binnenstormen. Haar hartslag versnelde totdat ze dacht dat Grotster het zelfs vanaf zijn luxe leidershol moest kunnen horen, en opeens leek alles zich vertraagd af te spelen. Ringstaart verscheen in zijn positie, Vleksters staart schoot omhoog en hij lanceerde zichzelf over het struikgewas heen. Nu was de tijd van aarzelen voorbij. Bosbesvlek negeerde de pijnlijke doorns die langs haar achterpoten schraapten toen ze over de bosjes klauterde en stormde de kleine helling af, het kamp in. Eindelijk zou ze wraak nemen voor alles wat de SchaduwClankatten haar Clan hadden aangedaan. Dit was het moment van de waarheid.

Ze zag dat de SchaduwClan geen idee had wat hun overkwam en meteen brak er chaos uit. Enkele krijgers probeerden weg te vluchten - de lafaards! - maar de meesten stelden zich verdedigend op en wachtten tot de RivierClankatten hun besprongen. Bosbesvlek zag een lichtrode poes met ambergele ogen in de vechthouding duiken. Ze herkende haar ergens van, maar waarvan wist ze niet meer. Wat Bosbesvlek wel wist, was dat dit nu haar tegenstander werd. Ik zal haar laten zien dat de RivierClan klaar is om terug te keren! Met een luide brul zette ze zich af en plantte haar voorpoten op de schouders van de SchaduwClankrijger. Die worstelde zich los, haar lichaam kronkelend als een slang. De lichtrode kat haalde Bosbesvleks neus open en probeerde buiten het bereik van diens klauwen te komen, maar was niet snel genoeg. Bosbesvlek slaagde erin om haar te tackelen en jaagde haar met een vlugge beet de struiken in. Het gevecht is begonnen.

Hoofdstuk 31 Edit

Het kamp was veranderd in een waar bloedbad en Donderdreun vroeg zich af of hij hallucineerde. Dit kan niet echt zijn, zei hij ongelovig tegen zichzelf. Wie zijn deze aanvallers? Met een schok die zijn hart verlamde, realiseerde hij zich dat dit de verloren gewaande RivierClan moest zijn. Grotster had al die tijd gelijk! Regenveer is het Water helemaal niet; het is gewoon Morgensters Clan die ons ten gronde zal richten! Donderdreun liet het besef even tot zich doordringen. Had hij Regenveer al die tijd fout beoordeeld? En erger nog: had hij Morgenster al die tijd onderschat?

Veel tijd om dit te verwerken had hij niet. Donderdreun voelde scherpe klauwen in zijn flank prikken en krijsend rolde hij weg van zijn belagers poten. Met een kleine steek van verdriet herkende hij de RivierClankat. Het was Kalmpoot, die in zijn kittentijd ervoor had gezorgd dat Donderpoot en Havergoud gevangen waren genomen. Nu was er echter niks meer over van de kleine, donzige kitten waarmee Donderdreun min of meer vriendschap had gesloten. Kalmpoot was veranderd in een gespierde, gevaarlijke krijgskat die vastberaden leek om zijn tegenstander een paar pijnlijke wonden bij te brengen. Gelukkig ben ik ook een betere vechter geworden, bedacht Donderdreun zich grimmig. Kalmpoot zal nog wat beleven.

De RivierClankat steigerde op zijn achterpoten en slaakte een strijdkreet. Donderdreun bleef laag bij de grond, zodat hij gecontroleerde bewegingen kon maken. Kalmpoot zette zich nu af en zeilde over zijn tegenstander heen, maar Donderdreun was daarop voorbereid en kraste met zijn nagels over de roodbruine buik. Bloed welde op uit een lange snee. De RivierClankrijger grauwde van frustratie, maar kwam redelijk soepel op de grond terecht en wist buiten het bereik van Donderdreuns tanden te komen. Hij is zo ongelooflijk snel! dacht hij verwonderd. Dus ik moet mijn kracht gebruiken in plaats van mijn behendigheid. Ik denk namelijk dat ik iets sterker ben dan Kalmpoot… maar ik weet het niet zeker. Donderdreun besloot de gok te wagen en deed een brute uithaal naar Kalmpoots schouders. Het was zeker geen goed doordachte, mooie manoeuvre, maar het werkte wel. De RivierClankat viel op de grond, klauwde om zich heen en beet Donderdreun in zijn oor. Het had geen effect; na een paar wanhopige pogingen moest Kalmpoot de strijd opgeven en hij krabbelde woedend weg, richting de schaduwen van de kampwand.

Donderdreun was zwaar toegetakeld. Dat voelde hij eigenlijk aan elk lichaamsdeel en dan met name aan zijn linkeroor, waar vast een lelijke wond op zat. Het volgende gevecht ga ik niet winnen, dacht hij versuft. Ik kan gewoon niet voldoende terugvechten… maar ik ben ook nog niet zo ernstig gewond dat ik moet opgeven. Dus nu is het puur kijken voor een gelijkwaardige tegenstander. Iedereen was alleen al in gevecht. Zelfs Musveder en Vlekkenvacht, de oudsten, namen het samen op tegen Schemerstaart. Ze leken zich prima te redden met z’n tweeën. Donderdreun wilde hun niet voor de poten lopen, dus scande hij de rest van het kamp af, op zoek naar krijgers die hulp nodig hadden. Opeens gleed er een ijskoude rilling over zijn ruggengraat; waar was Grotster? De Clanleider vocht altijd middenin het kamp om op de situatie van zijn Clan neer te kunnen kijken. Nu was hij echter nergens te bekennen. Oh SterrenClan, zeg me dat ik het fout heb… Donderdreuns adem stokte in zijn keel toen hij nog een keer rondkeek en een afschuwelijke conclusie trok: Regenveer ontbreekt ook.

Hoofdstuk 32 Edit

Het gevecht was in volle gang en Heemstpoot wenste dat Dasneus hier was. Elk moment kwamen er nieuwe gewonden terug van de strijd. Allemaal hadden ze intensieve zorg nodig, en twee medicijnkatten waren eigenlijk niet genoeg om die te bieden. ‘Kalmschijn heeft flink wat schrammen, maar hij komt er wel bovenop’, briefde Beekgloed even snel informatie door. ‘Hoe is het met Schemerstaart?’ Heemstpoot haalde zijn schouders op. ‘Redelijk. Geen fatale verwondingen, maar hij wil weer terug het gevecht in en dat lijkt me niet verstandig.’ Beekgloed zuchtte even kort. ‘Laat mij maar met hem praten. Mijn broer heeft zich al manen verheugd op deze veldslag en hij is vast niet blij dat twee oudsten hem bijna hebben vermoord.’

Heemstpoot leidde zijn mentor snel naar Schemerstaart, die ergens onder een struik lag. De grijs-witte kater gromde boos toen hij zijn zus zag. ‘Ik red me wel. Ga die andere gewonden toch verzorgen.’ Beekgloeds groene ogen glommen zorgelijk en ze murmelde: ‘Dat ga ik pas doen als jij uitrust. Je hebt goed gevochten en het is gewoon pech dat je niet meer kunt doen voor de Clan.’ Schemerstaart antwoordde niet. Op dat moment ritselden de bosjes en kwam er een kat uit strompelen die volledig onder het bloed zat. Een afschuwelijk lang ogenblik was Heemstpoot bang dat de ernstig gewonde kat Tortelpels was. Onder het bloed, hing echter een sterke SchaduwClangeur. ‘Musveder!’ grauwde Schemerstaart en sprong op, hoewel er een flits van pijn door zijn ogen schoot.

‘Alsjeblieft’, kraakte de oudste. ‘Ik heb hulp…’ Ze kon haar zin niet afmaken, want tot Heemstpoots schrik, sprong Schemerstaart op haar af. Stuntelig vanwege zijn verwondingen, begon hij haar vacht te bewerken met zijn klauwen. ‘Dit is voor alles wat jij en je Clangenoten ons hebben aangedaan!’ grauwde hij. Speeksel vloog uit zijn bek en in zijn ogen blonk koud vuur. Heemstpoot stond aan de grond genageld van afschuw en schok, maar Beekgloed ondernam actie en trok de krijgskat overeind. ‘Waar in SterrenClans naam ben jij mee bezig?’ gilde ze boos. ‘Dit is een oudste! Deze kat draagt geen enkele verantwoordelijkheid voor alles wat Grotster heeft gedaan!’ De woede trok weg uit Schemerstaarts ogen en nam plaats voor bezorgdheid. ‘Je-je hebt gelijk… denk ik… is ze…?’

Hij kon blijkbaar niet goed uit zijn woorden komen, maar Heemstpoot wist precies wat de krijgskat bedoelde. Helaas zag hij aan Musveders glazige ogen dat hij nu een antwoord moest gaan geven wat Schemerstaart niet zou plezieren - of wie weet ook wel. ‘Ze is dood’, miauwde Heemstpoot met een trillende stem. ‘Gefeliciteerd, Schemerstaart. Je hebt zojuist een onschuldige oudste vermoord.’ De grijs-witte kater probeerde te praten, maar er kwam enkel een ongelovig gepiep uit zijn keel. ‘Dit-dit was niet mijn bedoeling… ik was mezelf niet…’ Heemstpoot wist dat hij Schemerstaart niet gerust moest gaan stellen. Het was aan de SterrenClan om over de moordenaar te oordelen. En bovendien heb ik belangrijkere dingen te doen. Nog steeds een beetje verdoofd van de schrik en de woede, trippelde hij op Kalmschijn af. ‘Wat gebeurde daar?’ hijgde de roodbruine kater. ‘Is er iets met Schemerstaart gebeurd?’ Heemstpoot wierp de gewonde krijgskat een schuwe blik toe. ‘Nee, niet met Schemerstaart, maar met een SchaduwClankat. Ik zal het je vertellen wanneer ik bij Zalmstroom langs ben gegaan.’ Op weg naar zijn volgende patiënt, spookten er allerlei vragen door zijn hoofd. Zouden de RivierClankatten ditmaal bestempeld worden als moordenaars?

Hoofdstuk 33 Edit

Het was verbazingwekkend hoeveel SchaduwClankatten Bosbesvlek nog herkende. De meesten niet bij naam, maar toch, ze vocht niet tegen volstrekte vreemden en dat was lastig. Ergens wilde ze deze katten niet zomaar pijn doen. Ergens wilde ze niet Grotsters weerspiegeling zijn, en katten vernederen en kwellen. Maar ze wilde bovenal winnen, want een verlies zou fataal aflopen voor de RivierClan. ‘We zijn goed bezig!’ brulde Vlekster boven het strijdgewoel uit. De Clanleider vocht bovenop de Hogesteen (of hoe dat ding hier ook mocht heten) en had Moerasdamp knock-out gekregen door hem met zijn kop tegen de rots aan te smijten. Tenminste, Bosbesvlek hoopte dat hij buiten westen was, anders zou hij dood moeten zijn en dat wilde ze niet. Moerasdamp is altijd al één van de aardigere SchaduwClankatten geweest.

Ze stond nog na te hijgen van haar vorige gevecht, toen haar oog viel op Tortelpels. De grijs gestreepte kater worstelde onder het lichaam van Metaalpoot, een prachtige, gespikkelde kater. Bosbesvlek herinnerde zich dat het Donderpoots broer was en dus zouden de twee katten min of meer even oud zijn. Evenveel ervaring, dus een gelijke strijd, giste ze. Maar Metaalpoot was minstens een kop groter dan Tortelpels en hield hem zonder al teveel moeite in bedwang. Bosbesvlek zag huiverend hoe de krijgskat zijn blinkende tanden liet zien, klaar om een pijnlijke - en wellicht dodelijke - beet toe te brengen. ‘Nee!’ riep ze uit en vloog op de twee af.

Metaalpoot keek snel op, maar dook niet op tijd weg. Bosbesvlek ramde hem vol in zijn flank en samen rolden ze een paar staartlengtes over de grond, voordat ze weer overeind konden krabbelen. Tortelpels kroop bloedend weg. Het is nu alleen jij en ik! dacht ze vurig. En ik ga je heel, heel nare verwondingen geven. Dat krijg je als je mijn vrienden aanvalt! Ze sprong op Metaalpoot af en greep hem bij zijn nekvel, maar ze had zijn gewicht onderschat. De SchaduwClankat was te zwaar om weg te smijten en dus moest ze hem laten gaan, waarna ze een krabbel op haar voorhoofd kreeg. Bloed droop in haar ogen en ze knipperde het weg, de pijn negerend. ‘Vossenhart!’ schold ze woedend. ‘Durf je geen eerlijk gevecht aan te gaan?’ Metaalpoot slaakte een strijdkreet en zette zich af, maar Bosbesvlek was sneller. “Vertrouw niet alleen op kracht. Dat maakt je niet sterker, maar zwakker”, herinnerde ze zich Zonnesnors quote. Die bleek nog nooit zo toepasselijk; met een behendige tackle wist ze Metaalpoot te vloeren.

De gespikkelde krijger knalde met zijn buik naar beneden op de harde grond. Bosbesvlek plantte haar klauwen op zijn schouders en drukte hem tegen de aarde aan, zodat hij nauwelijks adem meer kon halen. Even twijfelde ze of ze hem moest laten stikken; tenslotte zag het ernaar uit dat hij Tortelpels ook had willen vermoorden, toch? Terwijl Metaalpoot naar adem snakte, hoorde ze een paniekerige uitroep: ‘Laat hem gaan!’ Heemstpoot? ‘Waarom?’ krijste Bosbesvlek woedend tegen de leerling-medicijnkat. De goudbruine kater had zijn ogen wijd open van de adrenaline en verklaarde hijgend: ‘Omdat Dasneus verliefd op hem is.’ Dat besef kwam als een bliksemflits binnen bij Bosbesvlek en meteen verslapte ze haar greep. Metaalpoot kwam rochelend overeind, zijn groenbruine ogen glazig en zijn poten slap. Toch leek hij gehoord te hebben wat Heemstpoot zei, aan zijn geschrokken blik te zien. SterrenClan-verdomme, dacht Bosbesvlek boos. Heb ik nu net mijn broers grootste geheim onthuld?

Hoofdstuk 34 Edit

Allerlei verschillende gedachten schoten door Donderdreuns kop. Dit hele gevecht wees erop dat de RivierClan het Water uit de profetie was, maar hoe toevallig kon het zijn dat Grotster en Regenveer beiden ontbraken… Misschien zijn ze bij Donkerroos, dacht hij, in een wanhopige poging om zichzelf gerust te stellen. Ik kan dat in ieder geval controleren. Met zoveel twijfels ben ik toch niet in staat om te vechten. Haastig rende hij op het medicijnhol af, wat werd bewaakt door de vastberaden Tuimelvoet en Kikkerpoot, die voortdurend heen en weer bewoog. ‘Wie zijn hier binnen?’ vroeg hij dringend aan Tuimelvoet, die even nadacht. Schiet op! ‘Zijn Grotster en Regenveer hier?’ probeerde Donderdreun specifieker te zijn. Kikkerpoot drong zich wat nerveus naar voren. ‘Grotster was hier een tijdje geleden om bij de gewonden te kijken, maar hij is al snel weer weggegaan. Regenveer heb ik niet gezien.’

Nu wist Donderdreun dat er iets echt goed fout was. ‘Dankjewel’, hijgde hij. ‘De SterrenClan zal jullie eren, of wat dan ook.’ De twee wachters keken elkaar een beetje verward aan, maar meer uitleg vond Donderdreun niet nodig. Hij moest en zou die twee katten vinden. Ze zijn niet in de strijd, niet in het medicijnhol… waar zouden ze kunnen zijn… het leidershol? Hij vond het een vreemde optie, want waarom zou Grotster tijdens een gevecht in het leidershol zitten? Toch besloot hij om het te controleren. Op een draftempo begaf hij zich naar het ruime leidershol, waar hij al een tijdje niet meer was geweest. Angstig snoof hij de geur op; hij rook Grotster en nog wat andere katten, waaronder een vers spoor van Regenveer. En er was nog iets sterks, iets dat hem deed verstijven. Hij rook bloed.

Schreeuwend stormde hij het leidershol binnen. Daar lag Grotster, levenloos met zijn ogen dicht. Is hij een leven aan het verliezen? Of heeft iemand die al van hem afgenomen? Onmiddellijk liet hij zijn blik glijden naar Regenveer, die in elkaar gedoken naast het lichaam zat. ‘Donderdreun!’ Donderdreun voelde al zijn woede, alle haat die hij tegenover deze krijger had gehad, opwellen. Binnenin hem werd een razende storm ontketend, eentje die niemand meer zou kunnen stoppen. ‘Jij verrader!’ gilde hij en sloeg zijn nagels in Regenveers vacht. ‘Ik had het gewoon al die tijd goed! En Grotster geloofde je nog!’ Regenveer sprong op, zijn gele ogen wijd open. ‘Je begrijpt het niet! Ik ben geen verrader!’ schreeuwde hij woedend. Donderdreun kon zijn oren niet geloven. Deze kat bleef ontkennen, zelfs nu hij op heterdaad was betrapt? Zelfs nu het bewijs zich opstapelde? Hij heeft echt geen idee dat ik hem al die tijd al doorheb. Sinds ik hem tegen Scherpsteek tekeer hoorde gaan. Dit is een krijger voor wie ambitie belangrijker is dan loyaliteit, en dat is niet de goede prioriteit.

Hij drukte Regenveer tegen de grond. De grijze kater sloeg zijn nagels uit en wierp Donderdreun van zich af, maar ging gek genoeg niet in de aanval. In plaats daarvan ging hij in de ingang van het hol staan, klaar om zich terug te trekken. ‘Je snapt het niet!’ riep Regenveer ongelovig uit. ‘Ik heb dit niet gedaan. Ik trof Grotster gewoon zo aan! Ik weet niet wie hem heeft vermoord!’ Het klonk oprecht. Donderdreun wist niet wat hij ervan moest denken; het was toch allemaal te toevallig, die profetie over Water en nu Regenveer, die praktisch had toegegeven dat hij alles zou doen om leider te worden? Maar hij liegt niet. Ik hoor het aan zijn stem, aan alles… Opeens zag hij een gestalte verschijnen achter Regenveers rug. De schaduw haalde vliegensvlug uit met zijn klauwen en het levenloze lichaam van de “verrader” zakte neer op de grond. Donderdreun had het gevoel dat hij ging flauwvallen toen hij zag wie de ingang van het hol blokkeerde, wie Regenveer gedood had. Er waren maar vier woorden die hij uit zijn mond kon krijgen: ‘Heb jij Grotster vermoord?!’

Hoofdstuk 35 (Sintelstorm) Edit

Sintelstorm had gedacht dat het makkelijk voor hem zou worden. Vechten tegen de katten die hem onterecht hadden verbannen, die lachend hadden toegekeken hoe hij het kamp verliet om nooit meer terug te keren. Nu besefte hij zich dat dit een stuk lastiger voor hem was dan verwacht. De SchaduwClankatten hebben me dan wel in de steek gelaten, maar ik ben met ze opgegroeid! Ik kan ze geen pijn doen! Aan de andere kant wilde hij geen lafaard zijn en de strijd verlaten, want dan zou hij in ieder geval nooit meer welkom zijn in beide Clans. Ik wil niet terug naar mijn eenlingenleven, bedacht hij zich knarsetandend. Ik heb het zo gemist om in een Clan te wonen, waar we voor elkaar zorgen en elkaar steunen…

Opeens hoorde hij een kreet van iemand in doodsnood. Sintelstorms haren rezen overeind bij het besef dat hij de stem herkende, maar hij wist niet precies wie het was. Een SchaduwClankrijger? Zijn de RivierClankatten aan het moorden geslagen? Niemand leek het geluid echter gehoord te hebben, want iedereen was druk in een gevecht verwikkeld. Sintelstorm bleef even twijfelen, keek in de richting waar de angstkreet vandaan was gekomen, en hakte tenslotte de knoop door. Hij moest deze kat helpen. Geconcentreerd spitste hij zijn oren en ving nu flarden van een conversatie op. Er schreeuwde weer een kat, een ander ditmaal, en hij hoorde een vlaag van pijn in diens stem. Ik kan niet verstaan wat ze zeggen, maar die geluiden moeten uit het leidershol komen… is Grotster weer een slachtoffer aan het maken? De vorige keer heeft hij toch Bosbesvlek verwond? Dat gaat deze keer niet gebeuren! dacht Sintelstorm, vastberaden om zijn vriendin te wreken.

Woedend sprintte hij Grotsters hol binnen en meteen leek zijn bloed in ijs te veranderen. De doodskreet was van Regenveer geweest, maar blijkbaar was Sintelstorm te laat gekomen; de grijze kater lag levenloos bij de ingang van het hol. Tegen de achterwand aan, lag de bewegingloze Grotster. Even dacht Sintelstorm dat de Clanleider dood moest zijn, maar toen zag hij zijn flank heel licht rijzen en dalen. Misschien had de leider nog een leven over - maar als hij Regenveer niet vermoord had, wie dan wel? Sintelstorm merkte een flits van beweging op vanuit zijn ooghoek en keek direct naar rechts, waar twee andere katten lagen. Hij zag een nachtzwarte kater, wiens amberkleurige ogen zochten voor hulp. Het slachtoffer werd tegen de grond gedrukt door een kat die Sintelstorm pijnlijk bekend was: Golvenslag.

‘Zij heeft Regenveer en Grotster vermoord!’ krijste de zwarte kat wanhopig. ‘Help!’ Sintelstorm was even met stomheid geslagen. Wat?! Maar Golvenslag is Grotsters dochter! En bovendien één van de meest gerespecteerde krijgers van de SchaduwClan! Zijn hartslag begon te versnellen toen hij Golvenslags amberkleurige ogen zag, die gevuld waren met een vuur dat Sintelstorm niet van haar gewend was. ‘Waarom?’ ademde hij ongelovig. De grijze poes spuugde boos en liet de zwarte kater gaan, die direct het hol uit vluchtte. ‘Het heeft geen zin meer’, grauwde Golvenslag. ‘Als Moerasdamp je nou gewoon had vermoord toen hij de kans had, dan zou hij nu leider zijn geworden en ik zijn commandant.’ Sintelstorm zette zijn vacht hoog op en sneerde: ‘Moerasdamp zou zichzelf nooit boven het leven van zijn leider plaatsen. Maar wat jou betreft…’ Golvenslag wachtte zijn conclusie niet af. Ze wilde hem aanvallen, maar gleed uit in een plas van Grotsters bloed en knalde op de grond. Sintelstorm wist wat hem te doen stond, en op dat ene moment kwam al zijn loyaliteit aan de SchaduwClan weer terug. Dit is waar ik thuis hoor! Met een schreeuw van triomf gaf hij Golvenslag de genadebeet.

Hoofdstuk 36 Edit

‘Stop het gevecht!’ onderbrak een stem plotseling het strijdgewoel. Een aantal katten hoorden het en gehoorzaamden aarzelend, maar de meesten vochten gewoon door, blind en doof voor hun omgeving. Heemstpoot keek op van de gewonde Kalmschijn en zag dat degene die de oproep tot een wapenstilstand had gedaan, Sintelstorm was. Waarom Sintelstorm? Die heeft hier helemaal niks over te zeggen! Maar op dat moment kwam Donderpoot naast de grijs gestreepte kater staan. Zijn ambergele ogen waren wijd open van schok, en zijn zwarte vacht hing onder het bloed. ‘Donderpoot!’ kon Heemstpoot het niet laten om te roepen. De zwarte kater keek op en kruiste zijn blik, waarna een glimlach op zijn gezicht verscheen.

‘Vlekster, stop het gevecht!’ herhaalde Sintelstorm. ‘Grotster is ernstig gewond!’ De RivierClanleider gaf zijn tegenstander, Scherpsteek, nog een rake klap voordat hij zich tot zijn krijger wendde. ‘Goed werk, Sintelstorm’, prees Vlekster hem. ‘Ik neem aan dat we het gevecht hierbij gewonnen hebben.’ Heemstpoot kon zijn oren niet geloven toen Sintelstorm antwoordde: ‘Ik heb niet met hem gevochten. Golvenslag heeft Regenveer vermoord en ze zou hetzelfde hebben gedaan met… deze kat hier, en Grotster. Ik heb haar gedood.’ Zijn woorden werden met een geschrokken stilte ontvangen. ‘Golvenslag?’ miauwde Moerasdamp onthutst. Hij klonk nog een beetje suf en hij had een grote wond op zijn kop. ‘Waarom zou Golvenslag onze leider willen doden?’

Donderpoot stapte nu naar voren. ‘Ambitie. Golvenslag geloofde dat jij haar zou hebben gekozen als commandant. En volgens mij is dat nog waar ook.’ Moerasdamp hees zichzelf overeind en zakte bijna door zijn poten van de pijn en de verwarring. ‘Ja… ja, ik heb dat weleens tegen haar gezegd, ja… maar Golvenslag is een grootse krijger! Ze zou nooit haar vader doden, Donderdreun!’ Donderdreun, echode Heemstpoot in stilte. Dus dat is zijn krijgersnaam. Het past bij hem, op één of andere manier. ‘Toch probeerde ze dat’, miauwde Donderdreun. ‘Donkerroos is nu bij hem.’ Meteen brak er rumoer los. Sommige katten hielden hun koppen gebogen uit rouw om Regenveer (of wellicht om Golvenslag), maar de meesten keken Sintelstorm een beetje bewonderend aan. Heemstpoot giste dat de RivierClankrijger eindelijk had besloten waar zijn hart lag: in de SchaduwClan. Gaat hij ons nu verlaten? En belangrijker nog: wil Grotster hem wel terug?

Opeens dook Donkerroos op. ‘Grotster is stervende’, verklaarde ze vol verdriet aan de menigte. ‘Hij is op zijn laatste leven nu, maar zal zich spoedig bij de SterrenClan voegen.’ Moerasdamp sprong op, zijn mond wijd open van de schrik. ‘Wat?!’ De bruinharige kater stormde op het leidershol af, zijn staart zwiepend van ongeloof. Dus Moerasdamp wordt nu de SchaduwClanleider, dacht Heemstpoot. Ik denk dat hij het prima gaat doen. Maar waarom voel ik dan dat hij niet de aangewezen kat is voor die functie? Na even wachten, kwam Moerasdamp weer uit het leidershol tevoorschijn. Zijn ogen stonden vol tranen en zijn poten trilden, maar hij probeerde zich duidelijk groot te houden toen hij sprak. ‘Grotster is dood.’ Alle SchaduwClankatten slaakten jammerkreten. Vlekster had een verwarde uitdrukking, alsof hij de snelheid waarmee alles gebeurde, niet kon bijhouden. ‘Maar hij had een laatste wens’, ging de commandant verder. ‘Ik zal hem namelijk niet opvolgen.’ Heemstpoot was niet verrast toen Moerasdamp dat zei. Ik voel namelijk al wie de volgende SchaduwClanleider zal worden. Een duidelijker teken had de SterrenClan niet kunnen geven. ‘Sintelstorm’, verklaarde de bruine kater, ‘zal Grotsters plaats als leider innemen.’

Epiloog Edit

Bosbesvlek gaapte Sintelstorm aan. Sintelster, leider van de SchaduwClan… was dit allemaal voorbestemd? Meteen voelde ze een kleine steek in haar hart, heel even maar. Natuurlijk was ze blij voor Sintelstorm en ze wist dat hij de beste Clanleider ooit zou worden. Maar ze wilde helemaal niet dat hij wegging! Oh, er was een periode geweest dat ze hem had gehaat met heel haar hart. Nu waren ze echter zulke goede vrienden… Stel dat Vlekster en Sintelster in oorlog raken? Wat dan? Moet ik dan tegen hem vechten?

‘Waarom ik?’ ademde Sintelstorm. In zijn ogen was een mengeling van verwarring en trots te lezen. ‘De SterrenClan koos jou’, mompelde Moerasdamp. ‘Grotster zei dat hij verkeerde keuzes had gemaakt en in ieder geval op het laatst nog een goede beslissing wilde nemen.’ Daarbij gleden zijn ogen even naar Donderdreun, die onbehaaglijk terugkeek. Bosbesvlek had het idee dat de zwarte kater een speciale rol had gespeeld in dit hele gebeuren. We hebben zoveel gemist. En hetzelfde geldt voor de andere Clans.

‘Ik hoorde Vlekster’, murmelde Donderdreun een beetje gegeneerd. ‘Is Morgenster overleden?’ Vlekster keek de SchaduwClankatten koeltjes aan. ‘Ja, Morgenster is dood. Maar dat betekent niet dat jullie ook maar één stap…’ De Clanleider werd even gekalmeerd door Ringstaart, die een paar woordjes fluisterde en vervolgens verkondigde: ‘De RivierClan wil geen problemen met jullie. Wij willen alleen maar ons territorium terug, en naar wij hebben begrepen, hebben jullie er niet eens optimaal gebruik van gemaakt.’ Er was een plagende glinstering in de ogen van de commandant. ‘Waar was dit hele gedoe voor nodig?’

Er volgde geen antwoord. Uiteindelijk boog Moerasdamp zijn kop. ‘We hadden onze redenen, maar we zaten fout. Ook wij willen geen verdere schermutselingen met jullie. Toch, Sintelstorm?’ De grijze kater knipperde een paar keer met zijn ogen en verklaarde met luide stem: ‘De strijd tussen onze Clans is voorbij. Ik zal een escorte samenstellen om jullie, eh, terug naar jullie territorium te sturen.’ Vlekster snorde geamuseerd en trok met zijn oren. ‘Wat jij wilt. RivierClan, verzamel bij mij. We gaan terug naar huis.’ Bosbesvleks hart maakte een sprongetje van geluk. Terug naar ons oude territorium! Ik kan Echo eindelijk alle plekken laten zien. Ze zal haar krijgersnaam ontvangen en Dasneus zal een Maansteenceremonie krijgen en… oh, er is zoveel dat we moeten inhalen!

Haar blijdschap werd meteen getemperd door Schaapbont, die aarzelend een stap naar voren zette. ‘Ik blijf hier. Bij Sintelstorm.’ Het was alsof de grond van het ene op het andere moment onder Bosbesvleks poten wegzakte, alsof de bomen opeens een andere kleur kregen en alles wat haar van kitten af aan was verteld, een leugen bleek te zijn. Ze wilde Schaapbont toeroepen, op andere gedachten brengen, maar er kwamen geen woorden uit haar keel. ‘Ik zal jullie ontzettend missen’, vervolgde Schaapbont somber. ‘Maar ik ben al gebroken met Maanvonk en Schorspluim. Ik kan geen afscheid nemen van Sintelstorm.’ De grijze kater trippelde op zijn partner af en drukte zijn neus in haar vacht. ‘Maanvonk? Schorspluim?’ miauwde Schaapbont aarzelend. De twee katers wisselden een blik, voordat ze naar voren stapten en hun vroegere liefde vaarwel zeiden. Voor Bosbesvlek was het alsof alles eindelijk op zijn plek viel; Maanvonk en Schaapbont waren vroeger partners! Nu snap ik het eindelijk…

Ze kon het niet laten om, zelfs bij dit trieste ogenblik, te glimlachen. De geheimen waren onthuld. De littekens zouden blijven, ja, maar Bosbesvlek zou ze met trots dragen. Ik ben Bosbesvlek, een RivierClankrijger. Ik heb de reis van mijn Clan meegemaakt, van begin tot eind. Ik heb nieuwe katten leren kennen - Sintelstorm en Kolibrie, om er maar twee te noemen - en ik heb afscheid genomen van oude katten. Nu is het tijd om deze reis eindelijk tot een goed einde te brengen. Ze keek de kat naast haar, Zonnesnor, gelukzalig aan. ‘We gaan naar huis.’

⊱─∘──── ✰ℳ✰ ────∘─⊰

Het licht van de Maansteen gaf de grot een prachtige, zilveren kleur. Heemstpoot genoot van de aanblik en het deed hem goed om hier weer met zijn mentor te zijn. De leidersceremonie was geweldig om mee te maken, maar vanavond zal helemaal in het teken van mij staan. En hoewel ik niet zo’n aandachtszoeker ben, is dat wel echt geweldig. Hij had de andere medicijnkatten, op Donkerroos na dan, ook al manen niet meer gezien. Beswolk was inmiddels de enige WindClanmedicijnkat, omdat Regenpoel zich bij de oudsten had gevoegd. Vlammengeest was echter nog geen spat veranderd; de rode kater wiebelde op zijn poten van opwinding. Hij is elke keer zo enthousiast alsof het zijn eerste keer is.

Dit was wel Dasneus’ eerste bijeenkomst. De zwart-witte kater had zich zorgvuldig gewassen en zat nu kaarsrecht naast de grote steen, zijn ogen glinsterend van verwachting. ‘Medicijnkatten van alle Clans!’ riep Beekgloed uit. ‘Ik ben blij om hier weer met jullie te zijn. Vandaag is het tijd voor twee RivierClanceremonies. Allereerst vraag ik Heemstpoot om naar voren te komen.’ Heemstpoot snorde luid en zette een stap voorwaarts, zodat hij haast snuit aan snuit met Beekgloed stond. De ogen van de blauwgrijze poes waren troebel van emotie toen ze het ritueel begon.

‘Ik, Beekgloed, medicijnkat van de RivierClan, doe een beroep op mijn krijgervoorouders om neer te kijken op deze leerling. Hij heeft hard getraind om de wegen van een medicijnkat te begrijpen, en met uw hulp zal hij nog vele manen de Clan dienen.’ Er was nu complete stilte, afgezien van Heemstpoots eigen, nerveuze ademhaling. ‘Heemstpoot, beloof jij de eigenschappen van de medicijnkat te accepteren en te gebruiken, en los te staan van de rivaliteit tussen de Clans?’

Heemstpoot haalde diep adem. Dit was waar hij minstens twaalf manen lang voor had getraind; eindelijk zou hij niet langer in Beekgloeds schaduwen wandelen. ‘Ik zweer het op de SterrenClan’, miauwde hij trots. Beekgloed hief haar kin op en verklaarde: ‘Met de krachten van de SterrenClan geef ik je je echte naam als medicijnkat. Heemstpoot, vanaf dit moment sta je bekend als Heemstveer, ter nagedachtenis van de dappere SchaduwClankrijger Regenveer. De SterrenClan eert je kundigheid en je intelligentie, en verwelkomt je als een volledige medicijnkat.’

De medicijnkatten waren niet langer stil. ‘Heemstveer! Heemstveer!’ Heemstveer genoot van het geroep en voelde zich gek genoeg niet eens verlegen. Regenveer, bedankt voor mijn naam. Ik beloof u dat ik hem met trots zal dragen. Beekgloed liet het scanderen na een tijdje ophouden met een zwaai van haar staart. ‘Heemstveer, jij bent klaar voor jouw eerste leerling. Ik wil dat jij Dasneus gaat trainen.’

Hij snakte even naar adem. Dit heeft ze me nooit verteld! Dasneus stond te stuiteren van enthousiasme en Heemstveer kreeg automatisch een glimlach op zijn gezicht. Mijn eigen leerling! Snel probeerde hij zich te herinneren welke woorden er ook alweer werden gebruikt voor dit ritueel. ‘Dasneus, is het jouw droom om de mysteries van de SterrenClan te betreden, als een medicijnkat?’ begon hij gewichtig.

Dasneus hield op met bewegen en keek zijn nieuwe mentor aan. Er blonk iets van nieuw respect in zijn ogen. ‘Ja, dat is mijn wens.’ Heemstveer wenkte hem om naar voren te komen. ‘Krijgers van de SterrenClan, ik stel u voor aan deze leerling. Hij heeft gekozen voor het pad van medicijnkat. Geef hem uw wijsheid en inzicht, zodat hij uw manieren kan begrijpen en zijn Clan kan genezen in overeenstemming met uw wil.’

Nu was het tijd om samen te tongen met de SterrenClan. Heemstveer drukte zijn neus tegen het fonkelende rotsblok en wachtte tot zijn krijgervoorvaderen hem in slaap zouden brengen. Zal ik Morgenster ontmoeten? vroeg hij zich af. Of Grotster? Bij die laatste gedachte huiverde hij even. Grotster was niet zijn favoriete kat, al kon Heemstveer niet ontkennen dat hij een sterke leider voor de SchaduwClan was geweest.

‘Heemstveer’, murmelde een stem zacht. Verschrikt deed Heemstveer zijn ogen open, in de verwachting dat hij op Vierboom stond. Hij bevond zich echter gewoon bij de Moedermuil, al hing overal een soort droomachtig, blauw licht. De andere medicijnkatten lagen te slapen; enkelen maakten kleine bewegingen. Heemstveer keek om zich heen en ontdekte de gestalte van Regenveer, die op de torenhoge Maansteen zat.

‘Ik ben hier gekomen om je te waarschuwen’, fluisterde de grijze kater. ‘Er breekt een moeilijke tijd aan voor alle Clans. Veel, veel katten zullen sterven en vooral sommigen zullen het zwaar hebben. Want de profetie is nog niet vervuld.’ Profetie?! Heemstveer was met stomheid geslagen. Maakt dit allemaal deel uit van een voorspelling?

‘Water kan schaduw vernietigen’, sprak Regenveer met iets meer kracht in zijn stem. ‘Dat is min of meer uitgekomen. Golvenslag heeft SchaduwClans leider vermoord. Maar er hoort nog een zin bij de voorspelling: uit zijn as zal donder herrijzen.’ Heemstveer voelde zijn bloed in ijs veranderen. Donder… is dat wie ik denk dat het is… ‘De uitverkorene zal erg op de proef worden gesteld’, vertelde Regenveer. ‘Maar met jouw hulp, kan hij de Clans redden.’

Heemstveer zag hoe de SterrenClankat langzaam begon te vervagen. ‘Wacht! Redden waarvan? Regenveer!’ Maar antwoorden kreeg hij niet. Hij bleef alleen achter in de verstikkende duisternis, met enkel één zin die steeds werd herhaald:

“Water heeft schaduw vernietigd… maar uit zijn as zal donder herrijzen.”

Nawoord Edit

Vijf boeken.

Honderdtweeëntachtig hoofdstukken.

En meer dan honderdduizend woorden.

Ik had nooit durven hopen dat deze cijfers mijn vierde reeks, Heldere Sterren, zouden samenvatten. Sterker nog, ik was al blij als ik het af zou maken, en dat is me dus gelukt. Dat komt voor 10% door mij, en voor 90% door jullie. Want zeg eens eerlijk, als ik sinds EIZ geen enkele positieve reactie zou hebben gekregen, dan had ik dit nooit doorgezet.

Ja, ik schrijf omdat ik het leuk vind, maar jullie motivatie is wel zeker de belangrijkste drijfveer. Supererg bedankt iedereen! Donderslag, Zonnepoot, Moonkitty, Panterlicht en eigenlijk gewoon iedereen die het leest, jullie mogen jezelf gerust co-writers noemen wat mij betreft, want jullie hebben echt superveel voor de serie gedaan.

De reeks is klaar, maar de avonturen nog niet. Want we willen denk ik allemaal wel weten hoe het afloopt met Dasneus en Metaalmasker, hoe het afloopt met Tortelpels en Echo, en misschien vooral hoe het afloopt met Donderdreun. Want ik heb niet zitten liegen in het epiloog: er gaat wel degelijk heel veel bloed vloeien. Allemaal in de aankomende supereditie Maanschaduwen! Oorspronkelijk zou dat de afsluiting van mijn Warrior Cats boeken worden, maar ik heb toch besloten om door te gaan, want ik vind het echt onwijs leuk om deze boeken te schrijven.

Tot slot wil ik nog één ding van jullie vragen. Het zou super zijn als jullie me laten weten wat jullie van Heldere Sterren vonden: leukste boek, leukste personages, leukste scènes, wat kan er beter? Dit mag op mijn prikbord, in een comment of je kunt een review gaan schrijven op een pagina, ik vind het allemaal prima! Natuurlijk hoeft dit niet, maar het zou mij heel erg helpen.

Want na Maanschaduwen, komt reeks 5 eraan! Deze is getiteld Storm op Komst en ik ga het wat anders aanpakken dan mijn voorgaande reeksen. Reeks vijf kent een redelijk simpel plot, met niet veel verschillende zijverhalen, dus ik ga me eigenlijk vol focussen op de personages. Sommige oogpunten zullen qua mening lijnrecht tegenover andere oogpunten staan, dus ik ben benieuwd hoe dat gaat uitpakken (waarschijnlijk komen er weer verhitte discussies in de comments over wie het beste is hehe).

Nou, dan sluit ik hierbij Heldere Sterren officieel af. Meer dan een jaar ben ik hiermee bezig geweest, sjemig. Maar nu is het toch echt klaar. Iedereen nogmaals bedankt voor het lezen & reageren en tot in Maanschaduwen!

--Morgenpoot (overleg) 27 feb 2020 12:22 (UTC)

Galerij Edit

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.