Wikia


FVHZ Roetvogelbanner IJsdroom
HOOFDSTUK 1

De golven sloegen tegen de kliffen aan terwijl de jonge grijze kater keek naar het overgebleven schuim dat over de stenen droop.

‘De zee is onrustig vandaag,’ miauwde hij bedachtzaam.

Een andere kat kwam naast hem zitten en staarde naar de horizon, een vlakke lijn die afstak tegen de diepblauwe hemel. ‘Inderdaad.’

Zijn blik viel op de kleine witte bloemen van een plant die tussen de rotsen genesteld zat, zijn donkere bladeren glinsterend met waterdruppels.

‘Maak je geen zorgen,’ miauwde de grijze kater terwijl hij opstond en terugkeerde naar de zanderige duinen. ‘De planten zullen de storm overleven.’

Zijn metgezel knikte na een korte aarzeling. ‘Je hebt gelijk. Maar het is onze taak om ze koste wat het kost te beschermen. Ik blijf hier.’

Het ruisen van de bries en het bulderen van de zee was alles wat hij hoorde terwijl de donkere stormwolken zich boven zijn kop verzamelden.

Dit was zijn taak, hetgene waar hij zijn hele leven aan toewijdde. Een beetje regen zou hem niet tegenhouden.

♦♦♦

Het geluid van Sneeuwvos’ ademhaling was in koor met Roetvogels’ pootstappen, besefte hij. Het gekraak van twijgjes en het zuigende geluid van zompig gras was het enige dat de stilte van de patrouille doorbrak. Taanster liep voorop, haar ogen twinkelend met zelfvertrouwen.

Hun commandant Rietsprong volgde en zijn partner Roodsteen kwam vlak achter hem aan. Ze was een poosje geleden bevallen van zijn jongen, die spoedig leerlingen zouden worden; Kwartelkit en Zwaankit.

Roetvogel mocht de twee niet bepaald. Hij vond dat ze zijn rust verstoorden. Hij had niemand anders nodig buiten zijn zusje, bedacht hij terwijl hij naar Sneeuwvos keek. Dat was altijd zo geweest.

Ze waren als kittens gevonden door de WindClancommandant, en die had hen later naar de RivierClan gebracht toen die al haar krijgers was verloren in een vreselijk gevecht met de DonderClan.

Hij had zich nooit thuisgevoeld in de RivierClan gedurende zijn kittentijd en het begin van zijn leerlingentijd. Sneeuwvos was al direct erg populair geworden maar gelukkig had ze hem nooit verlaten.

Ze vond het vooral goed met Eekhoorntand, maar dat was vanwege de onuitgesproken wens van Taanster dat alle poezen in de RivierClan voor kittens zorgden. Ze waren al met weinig, maar gelukkig waren Kwartelkit, Zwaankit en Oeverpoot er nog.

Roetvogel vond het maar onzin. Hij wist dat Taanster ook van hem verlangde dat hij – als Sneeuwvos er niet mee doorging – een nestje kreeg met Vissenglans, de zus van Eekhoorntand.

Hij mocht haar echter helemaal niet. Ze was een uitslover en veel te trots op het feit dat ze een dochter was van Goudvis, die een nobele krijger was geweest en was gestorven bij het verdedigen van de kraamkamer.

De twee hadden nog een zus gehad; Kastanjepoot. Roetvogel had haar altijd lief gevonden, ook al sprak hij niet zoveel met haar.

Het had desondanks vreemd aangevoeld om haar dode lichaam in het midden van de open plek te zien liggen.

Roodsteen was ontroostbaar geweest, dat had hij tenminste verstaan - ondanks zijn slechte begrip voor de emoties van anderen.

Hij schrok op uit zijn gedachten toen een zilvergrijze vorm hem voorbij sprong: Oeverpoot. Op het moment de enige RivierClanleerling. Hij en de jonge kater begrepen elkaar, maar er was geen echte vriendschappelijke band tussen de twee. Sneeuwvos zei altijd dat het door het leeftijdsverschil kwam.

Over zijn zusje gesproken; hij merkte een subtiele mank op in haar stappen. ‘Heb je je pijn gedaan?’ vroeg hij zacht.

Ze keek hem vreemd aan. ‘Niet echt,’ reageerde ze achteloos. ‘Ik heb altijd zwakke gewrichten gehad. Dat weet je wel.’

Roetvogel knikte bedachtzaam. ‘Misschien moet je Vorstceder vragen voor kruiden. Dat deed je altijd toen we jonger waren.’

De crèmekleurige vrouwtjeskat schudde haar kop. ‘Het maakt niet uit. Ik wil hem niet ten laste zijn.’

Ze keek eventjes sluw in het rond. ‘Bovendien probeert hij altijd te kletsen,’ mompelde ze dan.

Roetvogel sloeg zijn ogen ten hemel. ‘Misschien zou hij dat niet meer doen als je hem vertelde dat je het niet leuk vind om een halve dag bij hem te zitten roddelen.’

Sneeuwvos trok met een oor en likte even over haar snorharen. ‘Alsof jij een meester bent in communicatie. Het zou me al verbazen als jij zelfs maar emoties had!’

Hij gniffelde eventjes en gaf haar een por. ‘Doe niet gek.’

‘Zeker weten, want we zijn er!’

Hij keek verrast op. De wandeling was sneller gegaan dan verwacht; daar was ze, de Rode Boom. Aan de rand van een open plek vlak naast het kleine meer dat bijna alle territoria met elkaar verbond. Een gigantische sequoia, haar rode stam spookachtig paars in het maanlicht.

‘Haar kruin ziet er goed gevoed uit,’ merkte Vissenglans op terwijl ze hen voorbij liep.

‘Volgens mij is dat vanwege de warme Groenblad die we nu hebben. En het feit dat ze naast zo’n goed waterlichaam groeit!’ merkte Sneeuwvos opgewekt op.

De andere vrouwtjeskat keek haar snibbig aan en rolde even met haar ogen. ‘Niet dat ik jou iets vroeg.’

Roetvogel keek haar zuur aan, maar zei geen woord. Hij was er ook vrij zeker van dat ze zijn blik niet eens had gezien; dat was hij al gewend.

‘Kom,’ knikte zijn zus onverstoord. ‘Zullen we op zoek gaan naar Regenstap en Melkbont?’

Hij knikte zwijgend en volgde haar door de katten heen, zoekend of de WindClan al was gearriveerd. Hij rook hun geuren op de vachten van de anderen, dus waarschijnlijk waren ze vlak voor de RivierClan aangekomen.

Zijn Clan en de WindClan hadden een vrij vriendschappelijke relatie. Taanster had een afkeer jegens de SchaduwClan vanwege hun nalatigheid in hun lijden, en contact met de DonderClan was al helemaal ongewenst.

De oorlog tussen hen en de WindClan mocht dan wel voorbij zijn waardoor hun agressie was gedaalt, maar de RivierClan had hen nooit vergeven en er waren nog steeds spanningen op de grenzen.

Vanuit zijn ooghoek spotte hij een roste cyperse vorm die hij herkende als Lichtbries, de partner van WindClancommandant Schemermaan. Hij was vrij populair bij de andere Clans en Roetvogel wist dat Sneeuwvos met hem bevriend was. Zij had altijd al serieuzere vriendschappen gehad met katten uit andere Clans.

Hij nam aan dat haar hart gewoon niet thuishoorde bij de katten van de RivierClan. Hun interacties waren veel hechter, eerder als één grote familie dan een groep met een hierarchie. Zelf had hij er niets tegen, maar zijn zus was iemand die altijd ongewenste aandacht trok en eigenlijk liever alleen was.

Lichtbries foeterde een jongere kat uit. Het duurde even voor Roetvogel zag dat Schemermaan haar plekje bij de andere commandanten had verlaten om naar hem en de leerling toe te lopen. Haar partner zag er niet onvriendelijk uit, slechts streng. Was het misschien één van hun jongen?

Hij had tijdens de vorige Bladkaal gehoord dat Schemermaan in verwachting was geweest van Lichtbries, maar hun eerste zoon had hij nooit ontmoet. Later hadden ze nog een kitten gekregen, maar die was nog veel te jong om zelfs maar het kamp te verlaten.

Roetvogel schrok op uit zijn overpeinzingen toen Sneeuwvos hem een por gaf en gebaarde naar een knappe gevlekte kater. Regenstap zat naast Grijspoot, een andere WindClanleerling. De twee waren blijkbaar onafscheidelijk en Roetvogel vroeg zich af of ze misschien ooit meer zouden zijn dan vrienden.

‘Hallo!’ miauwde Sneeuwvos vrolijk tegen de WindClankater.

Die keek hen ietwat ongeïnteresseert aan, maar Roetvogel wist best dat hij niets tegen hun gezelschap had. Ze kenden elkaar al van toen ze kittens waren, omdat Regenstap hun pleegbroer was geweest toen ze nog in de WindClan woonden.

‘Alles goed?’ miauwde Regenstap terwijl hij met zijn staart op een plekje naast zich sloeg. Grijspoot zag er geërgerd uit, maar Roetvogel zou zijn kostbare tijd met zijn vriend niet opgeven voor een leerling die elke dag met hem kon optrekken.

‘Ja,’ miauwde hij rustig terwijl hij zijn staart om zijn poten sloeg en naar de vele Clankatten keek.

‘Ik hoorde dat jij de mentor was van die nieuwe leerling vorige maan, Regenstap,’ merkte Sneeuwvos op.

‘Dat klopt,’ knikte hij. ‘Vlampoot.’

‘Is dat niet Schemermaans jong?’ vroeg Roetvogel.

‘Ja,’ bevestigde Grijspoot knorrig. ‘Ik mag hem echt niet.’

Regenstap gniffelde plagerig en schudde even met zijn kop. ‘Grijspoot is gewoon jaloers. Wat jij allemaal zou doen om de zoon van een commandant te zijn, hm?’

De WindClanleerling maakte een snuivend geluid en gaf hem een ruwe duw, maar Regenstap leek onaangedaan en richtte zijn aandacht op Roetvogel. ‘Ik hoorde dat jullie je zorgen maken over komende Bladkaal.’

De grijze krijger wisselde een ernstige blik uit met Sneeuwvos. Haar hemelsblauwe ogen zagen er droevig uit toen ze reageerde. ‘Ja, dat klopt.’

‘Ha,’ bromde Grijspoot hooghartig. ‘Bij ons op het hoogland is Bladkaal altijd véél erger!’

‘Alsof jij dat kunt weten,’ proestte Regenstap lachend. ‘Jij hebt nog nooit een fatsoenlijke Bladkaal meegemaakt, luiwammes!’

Roetvogel schrok op toen Sneeuwvos wegliep, haar staart slepend over het droge gras. Hij liet Regenstap en Grijspoot achter en volgde zijn zusje tussen de menigte door.

‘Geef me een momentje,’ snauwde ze naar hem.

‘Ik ben je broer,’ reageerde hij scherp. Ze schrok zo te zien op van zijn toon; een felheid waar ze niet aan gewend was.

Ze bleven eventjes staan, stilzwijgend tussen de katten die zorgeloos met elkaar kletsten. Toen Sneeuwvos in beweging kwam botste ze bijna tegen een jongere rost-witte kat op die haar met vlammende amberkleurige ogen aangluurde voor hij wegsprong.

Roetvogel keek hem gepikeerd na, maar richtte zijn aandacht weer op zijn zusje. ‘We zullen Bladkaal overleven, dat beloof ik je. Wij allemaal.’

‘Het maakt me niet uit wat er met de RivierClan gebeurt,’ snauwde ze zacht. Hij kon de twijfel in haar stem echter horen.

‘Ik weet dat je niet altijd dol bent op alle aandacht van je vrienden. Maar ik weet ook dat de RivierClan je thuis is,’ mauwde hij ernstig. ‘Of je er nu van houdt of niet; het is waar we zijn opgegroeid.’

Een luide kreet galmde van de Rode Boom af toen ook de laatste katten waren aangekomen. De Grote Vergadering zou beginnen.

‘Kom op,’ mauwde hij roerloos tegen zijn zus. ‘Laten we gewoon deelnemen aan de Vergadering, goed?’

Ze wierp hem een twijfelende blauwe blik toe voor ze ten slotte knikte. Roetvogel volgde haar naar Mistloper en Sparkrul, die hun mentoren waren geweest.

De oudere katten zeiden niet veel toen ze gingen zitten en Roetvogel voelde hoe hij zich niet kon concentreren op het geluid van Schroeisters stem terwijl hij verslag deed over de voorspoed van de SchaduwClan; niet dat er veel bijzonders gebeurde bij hen. Ze waren de meest welvarende Clan in het gebied.

De jonge RivierClankrijger keek naar de Rode Boom, waar de vier leiders zaten: Geelster van de WindClan, die er altijd net zo emotieloos uit zag als hij zich voelde. Murmelster van de DonderClan, die zeer onverwachts leider was geworden vlak voor het einde van zijn oorlog met de WindClan. Roetvogels eigen leider Taanster, die berekenend naar de andere katten keek en ten slotte Schroeister die vol trots vertelde over de nieuwe kittens die geboren waren in de SchaduwClan en de drie vossen die zijn patrouilles hadden verjaagd.

Aan de voet van de boom zaten zwijgzame Rietsprong, mysterieuze Schemermaan, charmante Appeldoorn en geliefde Spikkelsteen. De commandanten die veel invloed hadden op patrouilles, grenzen, gevechten en jachtresultaten.

Roetvogel was blij dat hij niet zo’n hooggeplaatste positie had. Het leek hem helemaal niets.

Een stukje verderop, lager en in de schaduwen van de bladeren, zaten de medicijnkaten vrolijk te kletsen, geen aandacht schenkend aan Schroeister en zijn onnodige mededelingen. Bruintint was de enige die oplette, maar Vorstceder leek zijn best te doen om haar af te leiden – iets waar ze niet tevreden mee was.

Blauwglans en Melkbont van de WindClan praatten op zachte toon met elkaar; Roetvogel wist hoe hecht de twee poezen waren.

Dan was er nog Netelpoel met haar gloednieuwe leerling Kleinpoot. Roetvogel had gehoord dat ze haar vorige leerling was verloren in een ongeluk. Hij nam aan dat ze erg blij was nu ze een nieuwe opvolger had.

De SchaduwClanmedicijnkat Hulstglans keek met intelligente ogen naar de andere medicijnkatten, maar Roetvogel zag dat hij aan het dagdromen was. Zijn leerling Mistelbes zag er al iets volwassener uit, maar de ondeugende schittering in haar ogen ontging hem niet.

De RivierClankrijger draaide zich om toen hij gemurmel achter zich hoorde opstijgen. Lichtbries sprak tegen de leerling van voorheen – en Roetvogel herkende hem als dezelfde kat die tegen Sneeuwvos was opgebotst en haar vuil had aangekeken.

‘Ik wil straks gewoon gaan jagen!’ siste de wit-roste kat geërgerd. ‘Jij kunt toch helemaal niet beslissen of ik dat wel of niet mag doen?’

‘Er zijn dassen op het territorium,’ reageerde Lichtbries streng. ‘Je gaat onder geen beding in je eentje naar buiten.’

De jonge kater spuugde kwaad en draaide zich met een ruk om, verdwijnend tussen een groepje DonderClankatten.

‘Vlampoot!’ riep Lichtbries gefrustreerd, maar de kater was al weg.

Dus dit was Vlampoot, besefte Roetvogel. Schemermaans eerstgeborene en oudere broer van haar andere jong, zoon van Lichtbries en leerling van Regenstap.

Hij leek hem geen aangename kat, bedacht de RivierClankrijger snuivend. Zo te zien schonk hij geen aandacht aan de zorgen van zijn vader – hij respecteerde zijn autoriteit niet eens.

‘Denk je echt dat Bladkaal goed zal verlopen?’ fluisterde Sneeuwvos plots.

Roetvogel vond haar bezorgde hemelsblauwe blik en besefte dat hij niet wist hoe hij haar moest troosten.

Hij schrok op uit zijn overpeinzingen toen Geelster verslag deed: ‘We hebben te maken met enkele dassen op ons territorium, maar patrouilles worden erop uit gestuurd om ze af te handelen. Eén van onze krijgers, Dauwhart, verwacht haar eerste nestje kittens.’

Sneeuwvos draaide zo te zien haar kop om te kijken naar de zilverkleurige vrouwtjeskat. Roetvogel volgde haar voorbeeld en merkte op dat ze al best gezwollen was. Blijkbaar was haar zwangerschap hem ontgaan.

Hij vroeg zich af of Schemermaan blij was dat ze neefjes en nichtjes zou krijgen - vast wel. Bovendien zouden die samen met haar eigen jongen opgroeien.

Hij wist als geen ander hoe fijn het was om familie bij je te hebben in de Clan.

Op het eerste zicht leken hij en zijn zusje niet erg hecht; Roetvogel was afstandelijk en serieus en de meesten voelden zich niet tot hem aangetrokken.

Sneeuwvos daarentegen was erg opgewekt en vrolijk, maar haar broer was een van de enigen die wist dat ze diep vanbinnen een verantwoordelijke krijger was die anderen niet snel vergaf.

Desondanks was ze graag op zichzelf, net als hij. Misschien was dat wel waarom ze zo goed met elkaar klikten, afgezien van hun bloedband.

Toen ze klein waren geweest had Roetvogel zich dikwijls afgevraagt of ze echt wel zijn zusje was; niemand had immers kunnen bevestigen dat ze verwant waren.

Schemermaan had hen gevonden toen ze pas twee manen oud waren en onderhand herinnerden Roetvogel noch zijn zusje zich wat voorafging.

Zijn jongste herinneringen speelden zich af in een koude grot tijdens Nieuwblad, en hij wist alleen maar dat Sneeuwvos er was geweest. Vanaf dan herinnerde hij zich nog hoe het had gevoeld om in de ijskoude vloed van bergwater gezeten te hebben – de kaken van Schemermaan die toen nog een leerling was geweest het enige wat hem van de dood had gered.

Soms had Sneeuwvos gesproken over een kat bedekt met modder die voor hen had gezorgd, maar ze herinnerde zich geen geur, vachtkleur of stem. Het was hopeloos, en ze zouden waarschijnlijk nooit weten wie hun ouders waren.

Misschien was dat wel beter.

Sneeuwvos gaf hem een por, die hem uit zijn overpeinzingen haalde. Hij keek haar zwijgend aan en ze trok even met een oor. ‘De Vergadering is voorbij,’ merkte ze op. ‘En je hebt niet anders gedaan dan dagdromen; eerlijk gezegd begrijp ik niet waarom Taanster je nog meebrengt.’

Hij rolde met zijn ogen, maar vanbinnen vonkte genegenheid voor zijn zusje. ‘Kom, laten we naar het kamp gaan,’ miauwde hij serieus.

‘Wat jij wil,’ verzuchte Sneeuwvos.

‘Hé!’ klonk een vrolijke stem. Zijn zusje keek op en hij voelde zijn energie naar zijn poten zakken toen Eekhoorntand en Oeverpoot kwamen aanrennen, vergezeld door enkele katten die Roetvogel niet kende.

‘Hoe vond je het?’ vroeg een witte poes met cyperse vlekken aan Sneeuwvos.

Die haalde haar schouders op, maar glimlachte vriendelijk.

‘Het viel mee,’ hoorde hij zijn zusje miauwen terwijl hij naar de andere katten keek. Een kleine gevlekte kater en calico poes die er uit zagen als leerlingen wierpen hem een scherpe blik toe. SchaduwClan, te zien aan hoe goed ze gevoed waren. Bovendien zou hij die vachtkleuren overal herkennen; dit waren vast en zeker jongen van Roosloper, een populaire SchaduwClankrijger.

‘Dit is Ginkgopoot,’ miauwde Eekhoorntand vriendelijk terwijl hij naar de vrouwtjeskat gebaarde. ‘Haar broer is Distelpoot.’

Roetvogel knikte slechts. Hij zag de interesse al gauw van de gezichten van de twee leerlingen druipen toen ze tot de conclusie kwamen dat hij een saaie, streverige krijger was die hoogstwaarschijnlijk de rest van zijn leven alleen zou blijven.

Een bitter gevoel vulde zijn mond. Sneeuwvos had hem weleens gezegd dat hij niet zo’n negatieve conclusies over anderen moest trekken, maar als hij al zo slecht over zichzelf dacht zou het hem niet verbazen dat hetzelfde voor hen gold.

‘Ik ben Heidepoot,’ stelde de wit-cyperse WindClanleerling zichzelf voor.

Roetvogel keek haar eventjes peinzend aan. ‘Was Sleutelbloem je moeder?’

Ze aarzelde even, en knikte dan. Hij zag het zachte verdriet in haar blauwgrijze ogen terwijl ze wegkeek en voelde een zeldzame steek van schuldgevoel.

Sleutelbloem was omgekomen in een chaotische aanval van de DonderClan op het WindClankamp afgelopen Bladkaal.

Roetvogel had er niet veel over gehoord omdat het hele seizoen erg moeilijk was geweest voor de RivierClan, maar blijkbaar was Sleutelbloems dood hard aangekomen bij haar partner Hazensnor die achter was gebleven met haar jonge kittens.

‘Ze is de zus van Grijspoot,’ mauwde Sneeuwvos gauw tegen hem.

Hij keek de leerling opnieuw aan en herkende de brutale grijze leerling in haar gezicht; dezelfde fijne vormen en amandelvormige ogen. De gladde manier waarop haar kaaklijn overliep in de curve van haar oor.

‘Lichtbries heeft me weleens over jou verteld,’ glimlachte Heidepoot zoet. ‘Hij is mijn mentor, weet je.’

Roetvogel knikte opnieuw maar verloor al gauw interesse. Hij wist niet zeker of ze dat door had; vast niet, aangezien ze onverstoord verder kletste. Ze was niet de scherpste kat die hij had ontmoet.

Een stevige vorm bonkte tegen zijn rug op en hij maakte een puffend geluid terwijl hij zijn evenwicht probeerde te bewaren. Hij draaide zich met een ruk om, klaar om te snauwen tegen een of andere onvoorzichtige jonge leerling.

Hij keek echter straal in twee grote amberkleurige ogen die hem vlammend aan gluurden.

‘Wat sta jij daar nou te doen? Kun je niet zien dat katten hier langs willen?!’ bromde de wit-roste kater geërgerd.

Roetvogel knipperde verstomd met zijn ogen en speurde de menigte af. ‘Er wil letterlijk niemand langs,’ merkte hij droogjes op.

De kat – die hij al gauw herkende als Vlampoot – maakte een schamper geluid en stak hem voorbij.

‘Hé, Vlampoot,’ miauwde Heidepoot naar hem. ‘Lichtbries was naar je op zoek!’

‘Wanneer is hij dat niet?!’ bromde de WindClanleerling knorrig.

Sneeuwvos’ snorharen trilden geamuseerd en Roetvogel keek verrast op. Zijn zusje werd niet vaak direct gehecht aan een kat. Sterker nog; maar enkele van haar vriendschapsrelaties waren diepgaand – en dan was een brutale leerling met een scherpe tong degene die haar kon doen lachen?

Hij keek Vlampoot na. De leerling was verrassend groot voor zijn leeftijd. Roetvogel berekende even de tijd na zijn geboorte en kwam tot de conclusie dat hij niet meer dan zeven manen oud kon zijn.

Zijn stevige spieren bolden op onder zijn vacht. Hij was helemaal niet fijngebouwd als Schemermaan, maar wel gedrongen en had dezelfde korte poten. Zijn formaat had hij vast en zeker van Lichtbries.

De RivierClankrijger huiverde al bij de gedachte aan hoe vreselijk Vlampoots interacties met Grijspoot moesten zijn. Medeleerlingen – en beiden enorm heethoofdig.

Met een blik op Heidepoot nam hij aan dat dat vast de reden was voor haar zachtaardigheid. Als er al dag en nacht geruzied werd tussen die twee leerlingen, was het voornamelijk aan haar om alles draaglijk te maken.

‘Neem het hem niet kwalijk,’ glimlachte ze lief naar de RivierClankrijger. ‘Hij heeft vandaag al meerdere aanvaringen gehad met Lichtbries. Hij is niet zo makkelijk in de omgang, en mijn mentor is een beetje…’

Haar stem stierf weg terwijl ze peinzend naar haar poten staarde. Eekhoorntand kwam naast haar zitten en legde een voorpoot op haar schouder met een opgewekt gesnor. ‘Waar praten jullie over?’

Roetvogel kon zijn ogen wel ten hemel slaan uit ergernis maar hield zijn gezicht zo roerloos als een steen. ‘Niets bijzonders,’ reageerde hij achteloos.

Heidepoot opende haar mond alweer; ‘Mijn mentor heeft wat paranoia na de oorlog. Schemermaan helpt hem erdoorheen, dus ben ik er zeker van dat hij op een dag weer de oude zal zijn… maar tot dan werkt hij zijn zorgen dikwijls uit op Vlampoot. Bovendien hebben zowel Lichtbries als Schemermaan het erg druk nu Groenblad volop bezig is, dus moet hij vaak op zijn jongere broertje passen en dan mist hij trainingen.’

Roetvogel knikte begripvol. Vlampoot was irritant, maar hij kende hem hoe dan ook niet goed genoeg om een oordeel over hem te trekken.

Bovendien was er weinig kans dat hij ooit nog een aanvaring met hem zou hebben. De laatste manen waren zo saai geweest dat katten over alles zouden kletsen om het gevoel te krijgen dat er iets interessants gebeurde.

Ondertussen splitsten de Clankatten op om terug te keren naar hun kampen. Sneeuwvos nam beleefd afscheid van de Wind- en SchaduwClankatten en Oeverpoot voegde zich bij de twee RivierClankrijgers.

Roetvogel had liever nog wat tijd alleen gehad met zijn zusje, maar de leerling was ook best eenzaam dus nam hij het hem niet kwalijk.

Oeverpoot was als kitten aangetroffen op Rivierterritorium en ze hadden hem onderdak gegeven. Velen zeiden dat hij een poesiepoes was, iets waar hij altijd erg fel op reageerde.

Net als Roetvogel en Sneeuwvos was zijn afkomst een mysterie. Dat hadden ze gemeenschappelijk, en dus vonden ze een serene rust bij elkaar. De wetenschap dat ze niet de enigen waren in die situatie.

Overzicht <---♦♦♦---> Volgende

Bedankt voor het lezen! ♥
Welkom bij het begin van mijn volgende standalone! Hoofdstukken 1 en 2 kunnen een beetje saai zijn vanwege introductie, maar daarna gaat het veel vlotter en daar ben ik speciaal op gaan letten na Schemering van het einde.

Community content is available under CC-BY-SA unless otherwise noted.