De Nederlandse Warrior Cats Fanfiction wiki
Advertisement

‘In elke duisternis, brandt er een vuurvliegje ergens, Vliegpoot. Je moet alleen je ogen wel eerst openen om het te kunnen zien.  ’

Hazenoor tegen Vliegpoot in Glad IJs, hoofdstuk 9

Hallo allemaal! Welkom bij Glad IJs, het eerste deel van de Vliegpoots Wraak-trilogie!

Glad IJs cover 2.jpg
Glad IJs
Deel 1 van de Vliegpoots Wraak-trilogie
Algemeen
Auteur: Donderslag
Vormgever: Moonkitty1 & Morgenpoot
Details
Datum van uitgave: 7 sept 2019 - 23 dec 2021
Uitvoering: E-Book
Hoofdstukken: 10
Chronologie
Voorganger: Biesneus' Macht
Opvolger: Ochtenddauws Teken



Gemaakt door Morgenpoot!

Glad IJs[]

‘Je leeft nu, geniet ervan, want morgen kan het weer een ander verhaal wezen.’

Vliegkit is een kleine kit die erg gepest wordt door de leerlingen en zijn holgenoten. En als hij dan eindelijk leerling wordt, is het er niet beter op geworden. Totdat vreemde katten hem de mogelijkheid geven om sterker te worden dan hun allemaal, zodat ze hem niet meer kunnen pesten. Hij gaat akkoord met hun, maar als het nog steeds niet helpt verzint hij een gruwelijk plan die het tij zal keren.

De Clans[]

Donderslags fanfictions/Glad IJs/De Clans

Ter info[]

Proloog[]

Met de laatste kreet was het gebeurd. Eindelijk was de moederkat bevallen van haar drie jongen. De bruin gevlekte medicijnkat naast haar keek liefdevol naar de kleine bolletjes vacht die naast hun moeder lagen. Geen van allen bewoog en hun moeder liet snel de tak uit haar mond vallen om haar jongen te wassen. De medicijnkat stapte ook naar voren en begon met likken. Maar toen er daarna nog steeds geen teken van leven was keek de moederpoes haar zorgelijk aan.

‘Zijn ze dood?’ vroeg ze. Haar stem beefde en het was geen geheim dat ze bang was. Het was even stil. De vogels waren gestopt met fluiten en het bos voelde niet meer zo levendig als dat het was. Een koude bries waaide door de kraamkamer en een rilling liep over de rug van de donkergrijze poes die zonet was bevallen. Ze was uitgeput en zou niets liever doen dan slapen op dit moment, maar ze moest weten of haar kits in orde waren.

‘Deze leeft!’ riep Harpijvleugel opgelucht. De bruine moederkat had haar geholpen met het wassen van het derde en laatste kit. De moeder van de kleine kit keek hoopvol naar hun toe en trok hem met zijn staart dicht tegen haar aan. Zijn ogen waren nog dicht, maar toch leek het alsof hij zijn moeder blik ontmoette. Er vloog een vliegje naar zijn neus toe en instinctief mepte het katertje ernaar. Dat belooft een levendige krijger te worden! Of medicijnkat, mij maakt het niks uit wat hij wordt, zolang hij maar gelukkig is.

Ze ging verder met het likken van haar tweede kit, maar er kwam geen beweging in. ‘Het spijt me, Sinteldauw, maar ik vrees dat de andere twee dood zijn,’ zei de medicijnkat bedroefd. De poes duwde het andere kleine katertje naar haar toe. Hij was zwart en had een heleboel haar. Een pijnlijke scheut schoot door haar heen. Hij zou nooit een krijger worden en kits krijgen, hij zou nooit een leven hebben. Hopelijk zien we elkaar ooit in de SterrenClan, dacht ze terwijl ze hem nog een laatste lik gaf. Haar andere kit was een poesje en die lag levenloos tussen haar twee poten. Ze leek erg op Sinteldauw zelf, maar had een pluizige staart. Ze boog haar nek en raakte het koude neusje aan met de hare. ‘Het spijt me,’ fluisterde de verdrietige moederkat zachtjes, ‘Je had beter verdient.’

‘Heb je al een naam voor hem bedacht?’ vroeg Mirrehars na een tijdje. Sinteldauw knikte. ‘Voor alle drie.’ Ze streek met haar staart over het dode katertje. ‘Hem noem ik Boskit, ter ere aan zijn dikke, pluizige vacht. En het poesje noem ik Dauwkit, zodat ze altijd nog iets van mij bij haar heeft in de SterrenClan.’ Ze staarde nog lang naar haar dode jongen en kon niet bedenken dat vele andere moederkatten óók deze pijn hadden gevoeld. Gelukkig heb ik er nog één over.

‘En de levende?’ vroeg Harpijvleugel. ‘Die heet Vliegkit,’ antwoordde Sinteldauw en ze gaf haar enige jong een vlugge lik. ‘Gelukkig is het Groenblad, dus ziet het er goed uit voor het jong,’ ging Mirrehars verder. ‘Ik weet zeker dat hij een goede krijger zal worden!’ De donkergrijze poes knikte dankbaar naar de bruine poes. ‘Bedankt, Mirrehars. En ik zal ervoor zorgen dat dat zal gebeuren!’

Buiten het hol stonden een aantal andere katten. Harpijvleugels jongen en die van Krekelsprong strekte zich uit om mee te kunnen kijken. ‘Mogen we al naar binnen?’ vroeg Arendkit luid. ‘Ja! We willen onze nieuwe holgenoten ontmoeten!’ riep Rafelkit. Ook Kuifkit en Steenkit knikten heftig mee.

‘Kom nou, geef Sinteldauw eens wat rust,’ miauwde Krekelsprong streng en ze gaf de kits een zwaai om de oren. Harpijvleugel trippelde naar buiten en keek ook boos naar de jongen. ‘Ze heeft net twee jongen verloren, dus voorlopig doen jullie rustig en blijven jullie uit de kraamkamer – maar wel in het kamp!’ voegde ze nog snel toe.

Kervelkit en Naaldkit zuchtte. ‘Dit is zo oneerlijk! Waarschijnlijk is dat jong ook niet eens leuk, Lijsterkit en Lindekit zijn ook al zo irritant als we moeten slapen!’ mopperde het kleine, donkerzandkleurige katertje. Zijn zusje knikte. ‘Inderdaad! De eerste nachten bleven ze maar wakker en waren aan het krijsen!’

‘Zo waren jullie anders ook hoor!’ plaagde Arendkit hun. ‘Ja! Jullie waren echt verschrikkelijk!’ Kuifkit zette zijn vacht op en sprong op de twee kits. Naaldkit, die ongeveer even groot was terwijl ze twee manen verschilden, gilde speels. ‘Dit is zo oneerlijk!’ klaagde Kervelkit. ‘Jullie zijn al bijna leerlingen!’ Zijn andere zusje, Venkelkit, kwam zich er ook mee bemoeien. ‘Maar wij zijn met meer! Kom op Rafelkit! Aanvallen!’ joelde ze.

Sinteldauw snorde bij het zien van de kits. ‘Hopelijk wordt jij ook zo gelukkig later,’ fluisterde ze tegen haar kit. Het donkergrijs gestreepte katertje kroop dicht tegen zijn moeder aan en krulde zich op. Voor een moment vergat ze alles. Het voelde zo fijn om haar jong dicht tegen haar aan te hebben. Ze had lang op de juiste partner gewacht en wilde dolgraag kits hebben. En nu was ze eindelijk moeder! Niks zou het voor haar meer kunnen verpesten – zelfs haar gestorven kits niet.

Opeens was het gekrijs van de kits gestopt en weken ze uiteen voor een grote gestalte. De grond begon te trillen toen de massieve kater naar haar toe trippelde. ‘Sinteldauw, we moeten praten,’ gromde de kater. Hij had een zware, intimiderende stem die haar soms nog even deed schrikken. Mirrehars, die er nog steeds was, keek verbaast op. ‘Dat zal even moeten wachten, Havikster. Ze is net bevallen van haar kit! Ze moet rust hebben en haar jong ook!’

‘Ik heb lang genoeg gewacht,’ snauwde de Clanleider. ‘Kom mee Sinteldauw.’ Ze bleef even zitten en keek de medicijnkat angstig aan. Mirrehars schonk haar een medelevende blik. Beide wisten ze waar hij het over ging hebben, en dat beloofde niet veel goeds. ‘Ik kan niet wachten tot Populierloof leider wordt,’ fluisterde ze zachtjes in zichzelf.

Zuchtend stond de moederkat op en liet het kleine katertje achter bij Mirrehars. Ze strompelde achter Havikster aan het kamp uit. Hij nam haar mee naar een grote, dikke eik met enorme takken en prachtige, groene bladeren. Ze kende deze plek maar al te goed. De boom bracht goede herinneringen met haar mee en even voelde Sinteldauw zich weer een leerling. Hier had ze altijd stiekem afgesproken, toen ze haar mentor wilde ontlopen. Jaagsprong was een geweldige mentor voor haar geweest en ze zou hem daarvoor altijd dankbaar zijn. Hij had haar geleerd om haar hart te volgen en genieten van het moment, niet denken aan de toekomst.

‘Je leeft nu, geniet ervan, want morgen kan het weer een ander verhaal wezen.’

Die woorden had ze altijd onthouden. En later had ze de wijze lessen van haar mentor overgebracht op haar eigen leerling, Kloofhart, die tevens ook nog eens haar kleine zusje was.

‘In Groenblad is hij op zijn mooist, vind je niet?’ vroeg ze voorzichtig, in de hoop de spanning tussen hen wat te verminderen. Havikster reageerde niet en ging zitten. Hij richtte zijn blik strak op haar en leek niet te merken dat er blad op zijn staart viel. Sinteldauw schuifelde ongemakkelijk op haar voorpoten en ging toen ook zitten.

‘Je hoeft niet je best te doen om de sfeer goed te houden, Sinteldauw, die is toch altijd al slecht geweest,’ gromde hij. De poes schrok van de toon waarop de leider sprak en haar nekharen kwamen langzaam overeind. ‘Havikster, dat is niet …’ begon ze, maar haar leider deed haar zwijgen met slechts een zwaai van zijn staart. ‘We weten beiden waarom ik je hier geroepen heb, dus vertel,’ ging hij verder. Sinteldauw slikte even. ‘Wat bedoel je? Waar moet ik over vertellen?’

Havikster ontblootte zijn klauwen en plukte stukjes gras uit de zachte grond. ‘Doe niet zo dom, Sinteldauw, je weet waarover ik het heb!’ Ze trok ongemakkelijk met haar oren. ‘Ik weet niet of dat van toepassing is. Het is best onbeleefd om zoiets te vragen, weetje, Havikster!’ snauwde ze. De Clanleider sprong overeind. ‘Vertel me gewoon wie de vader is! Was hij een poesiepoes? Een zwerfkat? Een eenling?’

De moederkat deinsde achteruit. ‘Dat gaat je niks aan! Het doet er niet meer toe! Hij betekent niks meer voor me, het enige waar ik nog om geef is Vliegkit!’ Havikster snoof. ‘Heb je je zoon zo genoemd? Naar het irritante beest dat om je oren zoemt?’ Sinteldauw merkte dat ze boos begon te worden en zette haar haren kwamen overeind. ‘Hoe durf je hem zo te beledigen! Ik heb hem Vliegkit genoemd omdat de vlieg de levendigheid in hem naar voren bracht! Waarom hebben jouw ouders je Havikster genoemd? Omdat je net zo gemeen bent als een havik?’

Havikster staarde haar woedend aan. ‘Weet je zeker dat je je leider zo wil beledigen?’ vroeg hij kwaad. Sinteldauw zuchtte. Ze wist dat ze niks tegen hem kon beginnen en een gevecht zou ze nooit winnen, zeker niet nu ze zo zwak was. ‘Het spijt me, Havikster, ik ben gewoon heel erg moe en ik moet naar Vliegkit toe.’ Ze draaide zich om en rende terug naar het kamp. Maar Havikster ging haar achterna. ‘Jij gaat helemaal nergens meer heen, Sinteldauw!’ brulde hij. Maar de moederpoes luisterde niet meer. Ik moet zorgen dat ik bij Vliegkit kom!

Haar hart bonsde in haar keel. Ze wist waar haar leider bekend om stond en zou Vliegkit nooit alleen bij hem achterlaten. Mirrehars kwam uit de kraamkamer getrippeld en keek haar verbaasd aan. ‘Is alles goed gegaan?’ vroeg ze bezorgd. Sinteldauw antwoordde met een vlug knikje en ging toen rustig het hol binnen.

‘Sinteldauw!’ riep Havikster boos toen hij het kamp in kwam lopen. ‘Kom hier!’ Harpijvleugel, een goede vriendin van haar, keek geschrokken naar buiten. ‘Ik zou maar snel gaan, Sintel, hij is echt heel boos.’ Ze merkte dat ze stond te trillen op haar poten en liep langzaam naar buiten. Havikster was inmiddels op de Grote Boom gesprongen en zijn stem galmde door het kamp toen hij een Clanvergadering bijeen riep.

Toen iedereen er was voelde Sinteldauw ogen in haar rug prikken. Allemaal waren ze nieuwsgierig naar wat hun leider hun te vertellen had en het was natuurlijk als een lopend vuurtje gegaan dat het waarschijnlijk iets met haarzelf te maken had. ‘Ik heb jullie bijeengeroepen, omdat ik iets aan jullie moet vertellen,’ begon de Clanleider. Harpijvleugel en Krekelsprong kwamen uit de kraamkamer getrippeld en luisterde aandachtig mee. Achter hen verschenen hun kits ook en die keken vol bewondering naar de robuuste leider.

‘We hebben een verrader in ons midden,’ verklaarde hij luid en duidelijk. Sinteldauw hoorde nog maar vaag een paar geschokte kreten, want haar hart was hevig in haar keel aan het bonzen en ze kreeg nauwelijks nog lucht.

‘Wie is het?!’ vroeg Meidoorntak met zijn vacht dik opgezet. Hij vertrouwde duidelijk niemand meer en keek met versmalde ogen naar de andere katten.

‘Sinteldauw,’ antwoorde Havikster kalmpjes, terwijl hij zijn ogen op haar richtte. Zijn blik was emotieloos, maar zijn ogen spuwden vuur. ‘Wat?!’ riep Harpijvleugel uit. ‘Dat kan niet!’ viel Mirrehars haar bij. Sinteldauw keek haar twee vriendinnen dankbaar aan, maar zei verder niks.

‘Wat heeft ze gedaan dan?’ vroeg Doornstip met een boze blik naar Sinteldauw. ‘Ze heeft gekozen voor het leven van een poesiepoes!’ grauwde Havikster. Ze voelde haar haren omhoog komen en ontblootte haar klauwen. ‘Dat is niet waar!’ schreeuwde ze en ze sprong overeind. ‘Je hebt anders wel een kit van eentje gekregen!’ wierp haar leider tegen.

Sinteldauw keek om haar heen om te zien of haar Clangenoten hun leider geloofden. Ze zag vele boze en geschokte blikken en maar enkele medelevende. ‘En wat dan nog? Ik heb je al verteld dat hij verleden tijd is!’

‘Daar gaat het mij niet om!’ snauwde hij. ‘Je hebt je Clan verraden en daarom zal ik je straffen. Vanaf nu, Sinteldauw, ben jij geen HemelClankat meer. Je bent voorgoed verbannen!’ Haar ogen werden wijd van schrik. ‘Dat kan je niet menen!’ riep ze uit. ‘Je bent zo jaloers, Havikster, je zal de HemelClan nog een vernietigen met je tirangedrag!’ ‘Genoeg!’ brulde hij. ‘Ik wil geen woord meer uit je mond horen komen. Populierloof, escorteer haar samen met Doornstip en Meidoorntak het territorium uit.’ Hij keek het kamp rond. ‘En als iemand van jullie haar daarna nog een keer op ons gebied treft, heb je toestemming om haar te vermoorden!’

Ze voelde hoe haar poten onder haar het wilde begeven, maar ze moest zich sterk houden. Snel rende ze naar de kraamkamer en pakte haar kleintje op. ‘Kom op, Vliegkit, dit is niet meer ons thuis.’ Ze keek nog even om naar Harpijvleugel en de andere moederkatten. De kits waren naar binnen gevlucht en staarde haar geschrokken aan. ‘Verrader!’ spuugde Rafelkit. De woorden troffen Sinteldauw en ze voelde zich in stukken worden gescheurd. ‘Maak dat je wegkomt!’ snauwde Kervelkit. ‘En neem die stomme zoon van je ook mee!’ riep Naaldkit er nog achter aan. Ze keek naar Krekelsprong, om te kijken of ze haar kits nog zou straffen voor hun woorden. Maar de moederkat staarden bedroefd naar grond en zei niks.

‘Zo is het genoeg!’ snauwde Harpijvleugel. Ze ondersteunde haar vriendin en hielp haar naar de uitgang, waar Havikster en de patrouille op haar zaten te wachten. ‘Dat jong blijft hier,’ commandeerde de grote, donkergrijze kater. Sinteldauw staarde hem ongelovig aan. ‘Havikster …’ begon Harpijvleugel. Ook Mirrehars kwam erbij. ‘Je kan zo’n jonge kitten niet van zijn moeder gescheiden, hij is nog geen dag oud!’ Maar niks hielp en Havikster keek alleen maar naar Sinteldauw.

Grijsschemer, Harpijvleugels partner, haalde zijn partner bij haar weg. ‘Kom op, Harpijvleugel, dit is niet ons gevecht. Hou je erbuiten.’ De bruine poes keek haar partner verontwaardigd aan, maar liep toen mee. ‘Vaarwel, Sinteldauw, moge de SterrenClan je pad verlichten,’ miauwde ze nog over haar schouder. Sinteldauw voelde hoe ze ineen begon te krimpen en legde haar zoon zachtjes op de grond nee.

‘Vliegkit blijft bij mij,’ zei ze met een vaste stem. Ze keek Havikster een lange tijd aan, zonder ook maar een haar te bewegen. ‘Ga je gang,’ siste hij. De donkergrijs gestreepte kater keek van links naar rechts naar Meidoorntak en Doornstip. De twee krijgers stapte naar voren en duwde Sinteldauw weg van haar kit. ‘Nee!’ schreeuwde ze. Ze ontblootte haar klauwen en spartelde wild heen en weer. ‘Laat me gaan! Hoe kunnen jullie dit doen!’ Ze haalde haar nagels over de schouder van de grote, lichtbruine kater, die het uitschreeuwde van de pijn, en sprong langs Doornstip terug naar haar kit. Maar Populierloof blokkeerde haar pad.

‘Populierloof, hoe kan je me dit aandoen!’ Haar stem beefde terwijl ze haar vriend aankeek. ‘Het spijt me zo erg, Sinteldauw,’ fluisterde hij. Ze schudde haar hoofd heen en weer. ‘Mij ook,’ zei ze. Sinteldauw gaf hem een harde duw en smeet hem op de grond. ‘Maar je zult me moeten doden om me te scheiden van me zoon!’

Opeens voelde ze klauwen diep in haar schouders worden geboord. ‘Dat is dan ook precies wat we zullen doen!’ spuugde de kater boven haar in haar oor. De geur van Havikster omhulde haar en ze voelde hoe haar lichaam slap werd en ze naast haar zoon gesmeten werd. ‘Vliegkit is onschuldig, daarom blijft hij bij ons. Hij is in de HemelClan geboren en hij zal nooit weten wie zijn moeder was, wees daar maar zeker van!’ gromde Havikster. Het kleine katertje kroop langzaam naar haar toe en Sinteldauw strekte zich uit om haar zoon nog één keer te kunnen aanraken. Ze opende haar mond nog een laatste keer om afscheid te kunnen nemen.

Je leeft nu, geniet ervan, want morgen kan het weer een ander verhaal wezen.'

1. In een kloof gevallen[]

Kittens rolden door de kraamkamer, elkaar schoppend en slaand. Kervelkit sprong op Naaldkit en duwde haar krachtig weg. Het donkerlichtbruine poesje gromde diep en dook op haar broertje af met een luide aanvalskreet. Vliegkit keek vanaf zijn nest toe naar de stoeiende nestgenoten en merkte niet dat Venkelkit hem van achteren besloop.

‘Mrauw!’ brulde ze toen ze op hem sprong en hem tegen de grond drukte. Vliegkit deed zijn uiterste best om haar van zich af te schudden, maar niks leek te helpen. ‘Ha!’ lachte Rafelkit hem uit. ‘Vliegkit kan niet eens winnen van Venkelkit!’ Van achter hem lachten zijn pleegbroer en -zus, Lindekit en Lijsterkit, hard mee. Vliegkit slikte even en gaf op. Toen Venkelkit van hem af sprong keek ze hem met glinsterende ogen aan. ‘Daar had ik je even goed te pakken, hè?’ Hij knikte. ‘Jazeker! Maar als ik je eerder had doorgehad, was je kraaienvoer geweest!’ Hij wist dat Venkelkit het niet bedoeld had om hem te plagen door van hem te winnen. Zo was zij niet, in tegenstelling tot de andere kits in de kraamkamer.

Gelukkig zijn Kuifpoot, Arendpoot en Steenpoot uit de kraamkamer vertrokken, toen was het nog erger! Hij trippelde naar zijn nest in het hoekje van het hol. Hij sliep niet naast Kikkerplons of Krekelsprong, beiden vonden dat ze al genoeg monden te voeden hadden en dat Vliegkit het prima zelf kon. SterrenClan zij dank had hij Harpijvleugel nog om voor hem te zorgen. Ze had nog wat melk over en had hem zijn eerste manen gevoed. Daarna was hij gedwongen om water te drinken en prooi van de prooihoop te eten. Dat zag hij als de reden waarom hij zo klein was, of zijn moeder was gewoon niet groot, maar dat kon hij niet weten, want niemand wilde hem over haar vertellen.

Hoe vaak hij ook aan Jaagsprong, Distelkrul, Esdoornlicht en Harpijvleugel had gevraagd om wat over haar te zeggen, geen van allen antwoorden erop en gingen door met wat anders. Hij vroeg zich af wat zijn moeder misdaan kon hebben en waarom hij niet eens haar naam mocht weten. Was ze een poesiepoes? Of een zwerfkat? Dat zou tenminste verklaren waarom Krekelsprongs en Kikkerplons’ jongen hem zo noemden. Niet dat de kits van Harpijvleugel zoveel beter waren.

‘Zullen we naar de oudsten toegaan?’ vroeg Venkelkit. ‘Ik heb zin in een verhaal!’ Vliegkit knikte blij. Eindelijk zou hij van de rest af zijn en alleen met Venkelkit zijn. De andere kits vonden het maar stom, die oudstenverhalen, en zeiden dat die alleen voor poesiepoezen waren. Eerst werd Vliegkit er altijd boos om, maar nu haalde hij zijn schouders op en negeerde het. Venkelkit ging er soms nog tegenin, maar liet het ook weer snel gaan.

Tot zijn teleurstelling, bleek Kuifpoot op tekenjacht te zijn en dat zou betekenen dat hij nog steeds al het getreiter van hem zou moeten aanhoren. Zuchtend trippelde hij het hol binnen. ‘Ha, die Vliegkit en Venkelkit! Weer klaar voor een verhaal?’ Esdoornlicht strekte zich uit en stootte Jaagsprong aan. ‘Wakker worden, lummel.’ De oude bruine kater keek verwilderd op. Hij had wat mos tussen zijn gescheurde oren zitten en schudde het snel van hem af.

Kuifpoot keek hun geïrriteerd aan. ‘Oh nee toch, ze waren net lekker rustig vandaag! Waarom moeten jullie twee mislukte muizen altijd alles verpesten?’ Mislukte muizen, dat was het woord dat ze gebruikten voor Vliegkit en Venkelkit. Hij was klein en Venkelkit had kleine oren, dus het was een perfecte match. De lichtbruine poes naast hem opende haar mond om wat terug te zeggen, maar Distelkrul was haar voor. ‘Verder met werken jij!’ gromde hij. De grijsbruine kater was niet gediend van het pestgedrag en had het al vaak opgenomen voor Vliegkit en zijn vriendin. Dat was ook één van de redenen dat Vliegkit hier graag en vaak was. De HemelClanoudsten waren altijd zo aardig tegen hem en namen het altijd voor hem op.

‘Wat willen jullie twee horen?’ vroeg Esdoornlicht terwijl ze zichzelf zo comfortabel mogelijk maakte in haar nest. ‘Een spannend verhaal!’ riep Venkelkit meteen. Jaagsprong knikte, daar hebben we er genoeg van, of niet soms, Distel?’ De donkergroene ogen van de kater glommen helder. ‘Ik weet inderdaad nog wel een leuke. Wie wil er het verhaal van Fazantenveer horen?’ Fazantenveer? Dat is de DonderClanmedicijnkat! ‘Ik!’ riep hij en Venkelkit deed met hem mee. Kuifpoot zuchtte. ‘Ik niet!’ bromde hij zachtjes. Met zijn donkergrijze staart wipte hij wat mos tegen Vliegkit aan, waardoor hij omviel. Hij slikte een grom in en stond weer op zonder wat te zeggen. Dat maakt het alleen nog maar erger. Ik moet genieten van het leven, niet het haten!

Esdoornlicht haalde die adem en begon met het vertellen over het verhaal van de DonderClanmedicijnkat. ‘Ooit was er een kater in de DonderClan genaamd Hazelsnuit. Het was echt een geweldige kater en ik herinner me hem nog goed. Hij was al een medicijnkat toen ik Esdoornkit was, al had hij toen volgens mij nog een partner om hem te helpen. Hazelsnuit leefde in ieder geval heel erg lang en diende zijn Clan goed. Altijd hoorde je wel verhalen over hem en de andere medicijnkatten konden hem allemaal goed met hem vinden. Ik weet nog dat Mirrehars, toen Mirrepoot, samen met haar mentor, Boomklever, naar ons toekwam en hoe ze vertelde dat ze de DonderClanmedicijnkat zo geweldig vond. Maar doordat Hazelsnuit zo lang leefde, had hij op een gegeven moment ook een leerling zoeken. Er waren helaas geen geschikte katten in de DonderClan en manen streken voorbij.’ De geelbruine poes tikte Distelkrul aan die bijna in slaap was gevallen. ‘Jouw beurt!’ grijnsde ze. Distelkrul knipperde een paar keer met zijn ogen en schudde toen de slaap van zich af. ‘Waar waren ook al weer?’ Hij keek vragend naar Venkelkit en Vliegkit. ‘Ik doe dit alleen om te kijken of jullie wel goed geluisterd hebben hoor!’ zei hij vlug erna. Venkelkit lachte. ‘Het ging over Hazelsnuit die heel lang leefde en maar geen leerling kon vinden!’ De grijsbruine oudste knikte. ‘Aha! Nou goed.’ De oude kater slikte even en gaapte daarna ook nog.

‘Toen werd er een jonge kitten leerling. Ze heette Fazantenpoot en was vastbesloten om krijger te worden samen met haar medeleerling, Kievitpoot. Ze behaalden hun krijgersnamen en niet veel na hun ceremonie, was Fazantenveer bevallen van Putterkit, die jullie vast nog weleens een keer zullen ontmoeten. Kievithart was zo gelukkig en niks kon het meer kapot maken. Maar Hazelsnuit had zijn zoektocht opgegeven en vroeg aan één van de krijgers om zijn leerling te worden. Niemand wilde zijn krijgersleven opgeven en nog steeds was er geen toekomstige medicijnkat voor de DonderClan. Toen besloot Fazantenveer om zich op te offeren voor haar Clan. Natuurlijk was Kievithart het er niet mee eens, dat zou namelijk betekenen dat ze geen tweede nestje samen zouden krijgen en dat iemand anders Putterkits moeder zou moeten worden. Zwaanspikkel nam de jonge kater onder haar hoede en zo leek het grootste gedeelte opgelost.’

Jaagsprong stak zijn staart in de lucht. ‘Mijn beurt!’ Naast hem stond Kuifpoot op en schudde zich uit. ‘Eindelijk kan ik gaan!’ verklaarde hij blij. Esdoornlicht versmalde haar ogen en staarde hem aan. ‘Ga dan, je verpest de sfeer!’ Met een woedende blik draaide de leerling zich om en draafde weg. ‘Leerlingen van tegenwoordig toch ook!’ gromde de poes. ‘Geen greintje respect voor ons! Jullie zullen later niet zo worden toch?’ Vliegkit schudde heftig van nee. ‘Echt niet! Ik zal jullie altijd komen opzoeken en met plezier jullie teken weghalen!’ Venkelkit knikte. ‘Ik ook!’ Er verscheen een grijs op het gezicht van de geelbruine poes. ‘Goed zo.’

‘En nu stil! Ik ga vertellen!’ In de ogen van Jaagsprong dansten de pretlichtjes in het rond en hij zwiepte enthousiast met zijn staart. ‘Helaas had de DonderClan nog meer pech, want nog geen maan daarna, stierf Hazelsnuit, in die tijd zelfs Grijssnuit! En toen Fazantenveer het meest de hulp van haar familie nodig had, lieten ze haar in de steek. En ondanks dat Putterkit het zijn moeder niet kwalijk nam, zat het hem nooit lekker, daarbij was hij ook nog eens een schildpadkater en zou nooit kinderen krijgen, zijn toekomst zag er dus niet zo mooi uit. Kievithart wilde ook niks meer met zijn partner te maken hebben en trok meer op met Eekhoornpluim, zijn nieuwe partner. Het zou me niet veel verbazen als zij binnenkort naar de kraamkamer zou vertrekken.’ Venkelkit keek met open mond naar de kater. ‘Dat is zo gemeen van Kievithart! Arme Fazantenveer, hoe is het met haar afgelopen?’ ‘Ze is erg goed geholpen door de SterrenClan en doet het uitstekend! Ze heeft geleerd voor zichzelf te zorgen en hoeft de liefde van haar familie niet meer zo nodig, al kan ik me voorstellen dat het een litteken op haar hart heeft overgelaten.’

‘De DonderClan is echt gemeen!’ snoof Vliegkit. ‘Inderdaad!’ stemde Venkelkit ermee in. Distelkrul knikte. ‘Zeker weten! Maar het zijn wel goede krijgers, ik hoop dat Havikster geen ruzie met ze zal zoeken.’ Havikster! Het gevoel van trots vloeide door Vliegkits borst heen. Hij mocht dan niet weten wie zijn moeder was, maar één ding wist hij zeker over haar. En dat was dat Havikster van haar hield, want hij was zijn vader. Al was Havikster er niet vaak en besteedde nauwelijks aandacht aan hem, soms werd hij uitgenodigd in zijn hol en gingen ze met elkaar stoeien. Altijd wees Havikster hem erop dat Vliegkits donkergrijze strepen een teken waren dat hij de zoon van hem was. Maar blijkbaar is het niet goed genoeg, want de anderen pesten mij nog steeds.

‘Waarom halen jullie anders niet even wat prooi voor ons?’ stelde Esdoornlicht voor. ‘Ik rammel!’ Jaagsprong likte zijn snuit. ‘Doe maar een eekhoorn en een vogel, daar houden we allemaal wel van!’ Venkelkit sprong overeind en Vliegkit volgde haar. Samen trippelden ze over de open plek naar de prooihoop bij de boom in het midden van het kamp. Er zat een groot gat in de boom waar Havikster sliep en zijn toespraken hield en meestal sliep.

‘Daar is een eekhoorn!’ Venkelkit pakte het rode beestje op uit de stapel. ‘Oh, en hier is een ekster, daar houdt Distelkrul heel erg van!’ Vliegkit klemde de zwart en witte vogel tussen zijn kaken ging op weg naar het oudstenhol.

‘Bedankt!’ riep Esdoornlicht hen na toen ze de prooi naar haar hadden gebracht. Venkelkit trippelde terug naar de kraamkamer. ‘Ik moet vast terug,’ zei ze. ‘Mijn ceremonie is vandaag!’ Een steek van jaloezie en teleurstelling schoot door Vliegkit heen. Dat is waar ook! Zij mocht al lekker leerling zijn en trainen, terwijl hij nog steeds in de kraamkamer moest zitten samen met de gemene Lindekit en Lijsterkit! Als ik nou al kon vechten zouden ze me vast minder plagen!

Maar hij zou nog een maan moeten wachten tot zijn leerlingenceremonie. Zuchtend strompelde hij over de open plek. Mirrehars kwam vanuit het medicijnhol naar hem toegelopen. ‘Hallo, Mirrehars!’ miauwde hij vrolijk. De HemelClanmedicijnkat was ook heel erg aardig en bekommerde zich altijd om hem. ‘Vliegkit! Hoe gaat het?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Het gaat wel, ik verveel me alleen een beetje.’ ‘Wil je misschien met mij mee kruiden verzamelen dan?’ vroeg ze. Vliegkit keek opgewonden op. Dat zou geweldig zijn, het zou zijn eerste keer buiten het kamp wezen! ‘Graag!’ antwoordde hij.

‘Laten we gaan dan!’ De bruin gevlekte poes wenkte met haar hoofd dat hij haar moest volgen en samen trippelde ze naar de kampuitgang. Toen stond ze opeens stil. ‘Wat is er?’ vroeg hij. ‘Ik moet waarschijnlijk toestemming vragen aan Havikster,’ miauwde ze. Het was Vliegkit opgevallen dat elke keer dat de HemelClanleiders naam aan bod kwam, haar ogen verduisterden en haar blik somber werd. Ik ben benieuwd wat er tussen hun speelt.

‘Waar gaan jullie heen?’ klonk het achter Vliegkit. Hij draaide zich om en zag een grote, lichtgrijze kater achter hem staan. ‘Oom Schervenklauw!’ piepte hij. Hij sprong naar de kater toe en drukte zich tegen hem aan. Schervenklauw was er samen met Harpijvleugel altijd voor hem geweest en had altijd voor hem gezorgd. Als Havikster er niet was, vervulde zijn broer Haviksters rol als vader. ‘We waren van plan kruiden te plukken, maar ik moet denk ik eerst Havikster om toestemming vragen. Schervenklauw snoof. ‘Het kan toch niemand kwaad doen? Waarschijnlijk zegt hij toch nee, dus wat maakt het uit.’ Met zijn staart duwde hij Vliegkit vooruit. ‘We gaan gewoon! Ik bescherm jullie wel!’

Mirrehars twijfelde even, maar besloot toen om toch mee te gaan. ‘Ach, wat maakt het ook uit, het is niet dat hij me wat kan maken!’ Schervenklauw knikte. ‘Precies!’ Vliegkit sprong tussen hen in. ‘En anders zullen we hem laten boeten, toch Schervenklauw?’ De lichtgrijze krijger grijnsde. ‘Zeker weten!’ snorde hij. Vliegkit wist dat Schervenklauw één van de beste krijgers van de Clan was en dat, als hij eerder was geboren, hij de leider van de HemelClan was geweest in plaats van Havikster.

‘Wat zoeken we?’ vroeg Schervenklauw terwijl hij de omgeving onderzocht. ‘Moederkruid en framboosbladeren,’ antwoordde Mirrehars. ‘Ik wist niet dat je framboosbladeren kon gebruiken,’ zei Schervenklauw verontwaardigd. ‘Ik heb het je niet eerder zien doen.’ ‘Ik heb het ook niet eerder gedaan,’ gaf ze toe, ‘Maar Helderbeek begon erover en blijkbaar gebruikte Vorstlicht het ook vaak als ze geen spinrag meer had, dus hebben ik, Fazantenveer en Oeverkruid het ook maar besloten te gebruiken.’

‘Laten we dan naar een beekje gaan!’ riep Vliegkit. ‘Moederkruid groeit daar toch? En het zal vast vruchtbare grond zijn bij water, dus zijn de framboosbladeren er ook wel.’ Schervenklauw leek onder de indruk. ‘Slim, Vliegkit. Wil je soms medicijnkat worden?’ Vliegkits donkergrijze vacht schoot overeind. ‘Echt niet! Ik wil leren vechten!’ Schervenklauw snorde en gaf hem een lik over zijn wang. ‘Je zou een prima medicijnkat maken hoor!’ miauwde Mirrehars, ‘Maar ik vond je ook al iets meer een krijger. Ik wacht wel op het nestje van Kloofhart en Schervenklauw!’

Vliegkit keek verbaasd naar de HemelClanmedicijnkat en richtte zich toen naar Schervenklauw. ‘Is Kloofhart in verwachting van jou?’ Schervenklauw schudde zijn kop. ‘Nog niet, maar we zitten er wel over te denken! Zou je het leuk vinden?’ Vliegkit was even stil. Dat zou wel betekenen dat zijn oom veel minder tijd met hem zou doorbrengen en Esdoornlicht, Distelkrul en Jaagsprong gaan ook niet voor altijd mee. Harpijvleugel had nog andere kits en Mirrehars en Havikster waren altijd druk bezig met hun taken. Niemand zou meer voor hem overblijven! Maar hij gunde het zijn oom wel. ‘Natuurlijk! U zal een uitstekende vader zijn!’

Schervenklauws ogen glansden in het zonlicht. ‘Nou kom op, anders zal Havikster nog ontdekken dat we weg zijn!’ De HemelClankrijger hurkte zodat Vliegkit op zijn rug kon klimmen. ‘Hoe je goed vast!’ Hij greep met zijn klauwen de haren van de kater goed vast en wiebelde heen en weer toen Schervenklauw in beweging kwam. Mirrehars rende naast hun. De poes bewoog soepel op de grond en leek nergens last van te hebben, maar ze was niet sneller dan Schervenklauw. ‘Kom op, Mirrehars!’ moedigde hij haar aan. De medicijnkat keek op. ‘Was dit een wedstrijd dan?’ Haar ogen begonnen te stralen en ze lachte. Toen versnelde ze haar pas en haalde Vliegkit zo in. ‘Harder Schervenklauw!’ krijste Vliegkit. ‘Dan zou ik je nog beter vast houden!’ adviseerde de kater. Vliegkit vloog op en neer maar wist zich goed vast te houden en toen ze eindelijk bij het beekje waren, sprong hij van Schervenklauws rug.

‘Dat was zo leuk!’ piepte hij. Hij huppelde naar het stroompje en nam gauw een slokje. Aan de overkant merkte hij een frambozenstruik op. ‘Kijk daar!’ riep hij naar Mirrehars en Schervenklauw met zijn staart wijzend naar de struik. Snel trippelde de poes naar hem toe. ‘Klim maar op mijn rug, Vliegkit, dan gaan we zo’n blad pakken!’ Over de rivier heen? Wat leuk! ‘Gaan we er niet invallen dan?’ vroeg hij nog snel, hij was stiekem toch wel bang om zijn vacht nat de maken. ‘Vast niet, of Mirrehars kan opeens niet meer lopen!’ plaagde Schervenklauw. ‘Het beekje is namelijk erg ondiep.’

Met zekerheid sprong hij op de rug van de medicijnkat en hield zich stevig vast. De vacht van de poes was veel gladder en het was daardoor ook moeilijk om zijn evenwicht te behouden. Maar nog geen hartslag later waren ze aan de overkant en plukte Mirrehars een paar blaadjes die ze tot een bundeltje vouwde.

Opeens keek Schervenklauw op. ‘HemelClankatten,’ stelde hij Mirrehars gerust. Vanuit de braamstruik naast Vliegkits oom verschenen Harpijvleugel, Bleekschors, Sneeuwvos en Steenpoot. ‘Wat doen jullie hier?’ vroeg Harpijvleugel streng. ‘We gingen kruiden plukken!’ antwoordde Vliegkit trots. Steenpoot keek hem jaloers aan. ‘Vliegkit krijgt alle aandacht alleen omdat ze moeder er niet is!’ siste hij boos. Harpijvleugel draaide woest haar kop naar hem om en gaf hem een harde met haar poot. ‘Stil!’ snauwde ze. ‘En jij, Vliegkit, gaat met mij mee. Kits horen niet buiten het kamp te zijn en dat weten jullie heel goed, Mirrehars en Schervenklauw!’

Vliegkit keek boos naar zijn pleegmoeder. ‘Dat is zo oneerlijk! Schervenklauw zal ons heus wel beschermen hoor!’ Sneeuwvos stapte naar voren. ‘Het blijft gevaarlijk. Wat nou als de SchaduwClan opeens weer aanvalt?’ Boos stampte Vliegkit naar de patrouille toe. ‘Het is ook oneerlijk dat jij als enigste kit uit het kamp mag!’ beet Steenpoot hem toe. Vliegkits haren kwamen overeind. Ik ben al het getreiter zat! Hij ontblootte zijn klauwen en besprong de leerling. Maar zijn aanval was tevergeefs, want Steenpoot sloeg hem gemakkelijk weg en maakte zich klaar voor zijn aanval. Gelukkig pakte Bleekschors hem bij zijn nekvel en hield hem stevig beet. ‘Hebben jullie soms bijen in je brein? Clangenoten vallen elkaar niet aan!’ miauwde hij streng.

‘Ach, kom nou. Mirrehars, Vliegkit en hadden ons echt wel gered hoor! Het is onzin dat kits in het kamp moeten blijven, met goede bescherming is er niks mis mee! Laat die kit toch lekker zijn gang gaan!’ snauwde Schervenklauw. Vliegkit kon zijn dat hij boos begon te worden, maar hij vond het ook wel aardig van zijn oom dat hij het voor hem en Mirrehars opnam. ‘Nou, dan moet hij nu mee als straf dat hij Steenpoot aanviel!’ grauwde Harpijvleugel. ‘Dat deed hij alleen maar omdat Steenpoot gemene opmerkingen maakte!’ Mirrehars keek vol ongeloof naar de bruine poes. Iedereen was stil. Het was algemeen bekend dat Harpijvleugel en Mirrehars beste vriendinnen waren en vaak met elkaar werden gezien. Dat ze nu ruzie maakten was een wonder.

Harpijvleugel staarde Mirrehars nog lang aan en stampte daarna boos weg. Bleekschors schoot achter haar aan en Vliegkit hoorde ze in de verte nog praten. ‘Vliegkit kom mee, nu!’ beval Sneeuwvos. De kater sprong in het water en greep Vliegkit bij zijn nekvel. ‘Laat me los!’ krijste hij. Steenpoot keek hem woest aan. ‘Je jaagt alle prooiweg, vogelbrein!’ Vliegkit ontblootte zijn tanden en maakte klauwbewegingen naar de leerling. ‘Alsof jij wat had kunnen vangen!’ wierp hij terug. De haren van de grote, grijze kater kwamen rechtovereind en hij sprong op hem af. Maar Schervenklauw sprong naar voren en duwde de kater weg. Daarna keek hij Sneeuwvos aan. ‘Laat hem los!’

Sneeuwvos’ greep verslapte en Vliegkit viel hard op de grond. ‘Je had me best kunnen neerzetten hoor!’ gromde hij en stampte boos naar Mirrehars toe die ook weer aan de andere kant van het stroompje was. ‘Beveel mij niet nog een keer!’ siste de kater en hij trippelde weg, maar niet zonder Schervenklauw een harde stoot te geven. Steenpoot rende achter zijn mentor aan, maar kon het niet laten om nog een keer een blik naar Vliegkit te werpen. Schervenklauw spande zijn spieren aan en maakte zich klaar om de krijger te bespringen, maar Mirrehars hield hem tegen. ‘Dat zal alles erger maken,’ zei ze rustig. De bruin gevlekte poes ging zitten naast de beek. ‘Ik ken deze HemelClan niet meer. We waren altijd zo met elkaar verbonden, maar nu, sinds …’ Ze stopte even en sloeg haar ogen neer.

‘Sinds wat?’ vroeg Vliegkit nieuwsgierig. De poes zuchtte. ‘Niks, laat maar zitten,’ mompelde de poes terug. Hij siste geërgerd. ‘Waarom wil niemand mij ooit eens iets vertellen?’ vroeg hij zich hardop af. Schervenklauw keek hem medelevend aan. ‘Oh, Vliegkit, je zou eens moeten weten …’ murmelde hij. Vliegkit keek hoopvol naar zijn oom. ‘Wat zou ik moeten weten?’ Schervenklauw schudde zijn kop. ‘Gewoon, sinds Havikster leider is, is de Clan verdeeld geraakt. De meesten zijn trouw aan hun leider, maar sommigen weten -’

Hij stopte toen de struik achter hem bewoog. Een grote, donkergrijze kat stapte naar buiten met ogen als vuur. ‘Wat zouden sommigen moeten weten?’ vroeg een zware stem. Mirrehars ogen werden groot. ‘Havikster -’ De HemelClanleider stak zijn staart in de lucht en de poes stopte met praten. Achter hem verschenen Harpijvleugel en Sneeuwvos. Havikster keek hun alle drie lang aan en vervolgde toen half-grommend het gesprek, ‘Dus, vertel, wat heeft dit te betekenen?’

2. Hoop in zicht[]

De kraamkamer was een stuk leger geworden nadat Venkelpoot, Rafelpoot, Kervelpoot en Naaldpoot leerlingen waren geworden. Vliegkit verveelde zich constant. De oudsten waren een goede tijd-doder en Mirrehars en Schervenklauw hadden hem ook weleens opgezocht. Maar iedereen was te druk met zijn taken dus besteedde niemand meer aandacht aan hem. Lindekit en Lijsterkit waren of bezig met aandacht trekken van de leerlingen, of samen aan het spelen. Zelfs Venkelpoot was meer met hun bezig dan met hem.

Hij dacht terug aan de keer dat Havikster hem gestraft had. Schervenklauw had de laatste prooi van de prooihoop gekregen voor een maan, net zoals Mirrehars, en mocht het kamp zonder patrouille niet verlaten. Vliegkit mocht niet uit de kraamkamer voor een maan en kon niet eens naar de oudsten toe! Het was de meest verschrikkelijke maan van zijn hele leven geweest. En dan kwam er nog bij dat Venkelpoot ook boos op hem was, omdat hij haar leerlingenceremonie had gemist.

Vliegkit had er alles aan gedaan om het goed te maken, maar niks had geholpen. Gelukkig zou hij bijna leerling worden en kon hij zich eindelijk focussen op zijn training! ‘Hé, Vliegkit! Wat sta je daar te dromen? Aan de kant!’ snauwde Lindekit. De bruin gestreepte kater beukte hem aan de kant en stampte erlangs. Zijn zusje ging er snel achteraan en kon het niet laten om Vliegkit nog een keer duwen. ‘Als lopen niet lukt moet je misschien maar proberen te vliegen!’ Lijsterkit keek naar haar broertje en samen barstten ze in lachen uit. ‘Zoem, zoem, zoem!’

Een licht gegrom steeg op uit Vliegkits keel, maar hij besloot om rustig te blijven en uitte zijn woede door de aarde onder hem te kneden. Hij hoorde Kervelpoot en Naaldpoot enthousiast naar de twee kittens toe rennen. Verdrietig en jaloers tegelijk, keek Vliegkit naar het groepje. Waarom kan ik niet zo met hun opschieten? Wat heb ik misdaan? Bedroefd strompelde hij verder over de open plek in het kamp heen, zijn kop gebogen. Opeens voelde hij een harde stoot tegen zijn kop en hij vloog achteruit. ‘Kijk uit waar je loopt, irritante haarbal,’ hoorde hij Doornstip brommen. De poes stapte over hem heen en trippelde verder.

Esdoornlicht verscheen voor het hol van de oudsten. ‘Als je hem al niet zag staan, is het misschien voor jou ook al tijd om je bij de oudsten te voegen, Doornstip!’ riep ze de poes na. Vliegkit knikte dankbaar naar haar en liep naar het hol. ‘Die jonge generatie ook!’ gromde ze. Hij haalde schouders op. ‘Ik had gewoon moeten kijken.’ Het is toch altijd mijn schuld, voegde hij er stilletjes aan toe. Distelkrul verschoof zich in zijn nest. ‘Dat is niet waar! Ik kon het vanaf hier zien! Doornstip deed het met opzet!’ Jaagsprong snoof. ‘Jij bent een van de weinige die nog weet wat respect en beleefdheid is! Hopelijk hou je dat zo vol! Dat heb je vast en zeker van je moeder geërfd.’

Geschokt keek Vliegkit naar de oude kater. Dit was de eerste keer dat hij wat over zijn moeder had gehoord! Zijn hart maakte een sprongetje toen hij hoorde dat zijn moeder een goed hart had. ‘Was zij een aardige poes?’ vroeg hij voorzichtig. Jaagsprong knikte. ‘Ik was haar mentor!’ Vliegkits ogen waren rond van verbazing. ‘Echt waar?’ Distelkrul knikte. ‘Dat weet ik nog ja. Wat een schat van een kat was dat toch zeg. Een geweldige poes!’ Vliegkits poten tintelde van opwinding. Eindelijk kreeg hij wat te horen over zijn moeder! ‘Wat was haar naam?’ ‘Sinteldauw,’ antwoordde Esdoornlicht, ‘En je had nog een broertje en een zusje die helaas al meteen dood waren. Ze heetten Boskit en Dauwkit.’ Ik had nog meer familie? Waarom heeft Havikster me dat nooit verteld?

‘Waar zijn jullie bezig?’ vroeg een zware stem luid. Over de schaduw gesproken. Jaagsprong keek verschrikt op. ‘Havikster! Welkom, het is lang geleden sinds je ons hebt opgezocht! De laatste keer was in je leerlingentijd geloof ik?’ Havikster wuifde de kat weg met zijn staart. ‘Ik dacht dat we over dat onderwerp nooit zouden spreken?’ vroeg hij streng. Esdoornlicht trok met haar oren. ‘Een klein beetje informatie over zijn moeder kan geen kwaad. Hij heeft er recht op!’ De blauwe ogen van de leider fonkelde boos. ‘En jullie hebben geen recht op spreken!’ snauwde hij. Distelkrul kwam moeizaam overeind. ‘En wat wil je doen? Ons verbannen? Ons vermoorden?’ Vliegkit schrok van de woorden van de kater. Had zijn vader ooit iemand vermoord?

‘Maar pap, jij vertelt mij nooit wat over mijn moeder! Zelfs niet haar naam!’ Havikster duwde hem weg uit het hol. ‘En daar heb ik mijn redenen voor, Vliegkit, of twijfel jij soms aan je leider? Ga nu weg, ik heb even wat te bespreken met Esdoornlicht, Distelkrul en Jaagsprong.’ Vliegkit keek zijn vader gekwetst aan. ‘Ik twijfel niet aan mijn leider, maar wel aan mijn vader,’ mompelde hij zachtjes en hij keerde zich om. Harpijvleugel sprong bezorgd naar hem toe. ‘Waar ging dat over?’ Vliegkit draaide zijn kop weg. Dat gaat je niet aan! Nepmoeder die je bent! ‘Niks.’

Hij was nog altijd boos op Harpijvleugel geweest sinds dat ze hem en Schervenklauw en Mirrehars had verraadden. De poes keek hem nog lang na, maar ging toen naar de prooihoop en pakte wat voor haar en haar partner, Grijsschemer. ‘Gaat het?’ vroeg een stem achter hem. Vliegkit keek over zijn schouder. Venkelpoot! Ze praat weer met me! Hij knikte. ‘Ja hoor, het was niks ernstigs. Ze vertelden me eindelijk eens wat over mijn moeder, en toen werd Havikster boos.’ Venkelpoot legde haar staart meelevend op zijn schouders. ‘Dat begrijp ik. Het zal vast niet leuk zijn om niks te weten over je moeder.’ Vliegkit zuchtte. ‘Je moest eens weten.’ Het werd even stil tussen hun. ‘En?’ vroeg de lichtbruine poes. ‘Hoe heette ze?’ En dat vrolijkte hem meteen op. ‘Ze heette Sinteldauw! En Distelkrul zei dat ze een geweldige poes was! Jaagsprong was zelfs haar mentor! En blijkbaar had ik ook nog een broertje en zusje!’ Venkelpoot keek hem verontwaardigd aan. ‘Echt waar?’ Hij knikte trots. ‘Echt waar! Boskit en Dauwkit waren hun namen!’

‘Venkelpoot!’ riep Vederzang, Venkelpoots mentor. ‘We gaan trainen!’ Achter de poes verschenen Doornstip en Naaldpoot. ‘Kom je?’ Venkelpoot stond meteen op. ‘Sorry, Vliegkit, ik moet gaan!’ ‘Dat snap ik,’ antwoordde hij. Hij zuchtte. Gelukkig heeft ze me het vergeven. Nu heb ik tenminste weer een vriendin! Appelsneeuw kwam naar hem toegenomen. Er dansten pretlichtjes in haar ogen alsof ze net iets geweldigs te horen had gekregen. ‘Goed nieuws?’ vroeg hij. De rood en witte poes knikte hevig met haar kop. ‘Ik verwacht kits!’ miauwde ze blij. Ja! Eindelijk weer een gezellig persoon in de kraamkamer! Appelsneeuw was altijd van de neutrale partij geweest en deed gewoon aardig tegen hem. Alleen is het wel een beetje te laat, nu ik bijna leerling wordt.

‘Wie is de gelukkige?’ vroeg hij. ‘Gerststeel! Oh, wat zal hij een geweldige vader worden!’ Vreugdevol liep ze verder om aan Kikkerplons haar nieuws te vertellen. Vliegkit keek naar de Grote Boom waar Havikster, zijn vader, inklom. Met zijn luide stem riep hij een Clanvergadering bijeen. Snel stond Vliegkit op en trippelde naar de kraamkamer. De Clanvergaderingen waren niet voor kits bestemd, en Vliegkit zou waarschijnlijk op zijn kop krijgen als hij zou blijven. Naar de grond starend, liep hij naar zijn nest. Hij had niet gemerkt dat Schervenklauw naar hem toe was gekomen en schrok zich dood toen de kater voor hem sprong.

‘Waar denk jij naartoe te gaan?’ miauwde hij streng met een speelse ondertoon. Vliegkit keek verbaasd op. ‘Vergaderingen zijn niet voor kittens, toch?’ antwoordde hij. Schervenklauws ogen glinsterden. ‘Wel als het een vergadering is die speciaal voor jou wordt gehouden!’ Het duurde even voordat het tot Vliegkit doordrong waar zijn oom over aan het praten was. ‘Mijn leerlingenceremonie! Ik was het helemaal vergeten! Is het echt nu?’ Hij sprong een staartlengte in de lucht. Allerlei gedachtes spookten door hem heen. Wie zal mijn mentor worden? Wat zal ik allemaal wel niet leren? Ga ik echt vandaag al het territorium verkennen?!

‘Waar wacht je op? Ga!’ Schervenklauw neusde hem weg en nam toen zelf plaats tussen de katten. Kikkerplons kwam samen met Lijsterkit en Lindekit naar hem toe getrippeld. ‘Ga je mee?’ vroeg ze. Vliegkit knikte en ging achter ze aan. ‘Moet hij echt met onze ceremonie meedoen? Waarom kon hij niet zijn eigen hebben! Nu steelt hij ons moment!’ bromde Lindekit. Zijn zusje knikte instemmend. ‘Hij is later dan ons geboren, dus hij kan nog helemaal geen leerling worden!’ Hun moeder gaf ze beiden een tik om de oren. ‘Stil! Dit is niet het gedrag van een leerling! Als jullie zo doorgaan is het dadelijk alsnog alleen zijn ceremonie! En het verschilde maar een paar dagen, dus maak je niet zo druk.’

Vliegkit was dankbaar dat de poes het voor hem opnam, al wist hij dat Kikkerplons het niet voor hem had gedaan; ze wilde gewoon haar jongen opvoeden. Hij keek naar boven en zag zijn vader, Havikster, op een grote tak staan. ‘Katten van de HemelClan! Vandaag is een mooie dag voor ons. Drie kittens hebben hun zesde maan bereikt en zijn klaar om leerlingen te worden. Lijsterkit, Lindekit en Vliegkit, vanaf deze dag, totdat jullie je krijgersnamen krijgen, worden jullie genoemd bij de namen: Lijsterpoot, Lindepoot en Vliegpoot.’ De grote kater sprong van de tak af en landde op zijn vier poten naast hun voor de rest van de ceremonie.

‘Lijsterpoot, jouw mentor zal Witsnavel zijn. Ik hoop dat zij je alles zal leren wat ze weet.’ De kleine, witte poes stapte naar voren en tikte de neus aan van de leerling. Daarna trippelde ze samen weg. ‘Grijsschemer, jij bent klaar voor je eerste leerling en ik ga ervan uit dat je Lindepoot alles zal weten wat je hebt geleerd van mij.’ De glanzende grijze kater knikte en tikte daarna Lindepoots neus aan met de zijne. Havikster wendde zich tot Vliegpoot. ‘Zoon, jij bent ook eindelijk zes manen en mag bent vanaf nu een leerling. Schervenklauw zal je mentor worden!’ Haviksters ogen glommen, zijn blik trots en donker. Vliegpoot sprong naar zijn mentor toe, voordat die naar hem was gekomen en ze tikte gauw elkaars neuzen aan. ‘Ik kan niet geloven dat jij mijn mentor bent!’ fluisterde hij zacht, maar enthousiast. Schervenklauw gaf hem een liefdevolle lik. ‘Ik ook niet, maar ik ben wel heel erg blij!’

⊱───────⊰✯⊱───────⊰

Nadat iedereen hem had gefeliciteerd - behalve een aantal katten die alleen maar aandacht besteedden aan Lijsterpoot en Lindepoot - ging hij samen met Schervenklauw het kamp uit. ‘Ik dacht dat je liever alleen wilde gaan, in plaats van met Lijsterpoot en Lindepoot,’ zei Schervenklauw. Vliegpoot knikte. ‘Ja, dat zou een stuk leuker zijn!’ Hij wilde niet op zijn eerste dag als leerling, alweer met die twee vervelende haarballen opgescheept zitten. Maar ze waren nog niet weg, of Witsnavel, Grijsschemer, Lijsterpoot en Lindepoot kwamen hun al achterna. ‘Wacht op ons!’ hijgde Witsnavel. Grijsschemer kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Of wilden jullie soms alleen gaan?’ Vliegpoots vacht prikkelde met irritatie. Hij mocht die kater niet. Door Grijsschemer was Harpijvleugel helemaal verpest. De grijze kat speelde altijd de baas over haar en Harpijvleugel volgde hem trouw. Als hij er niet was geweest was ze vast niet zo veranderd! Ze was eerst zo aardig…

Schervenklauw wisselde even een blik met Vliegpoot en keek toen weer naar Grijsschemer. ‘Natuurlijk niet, kom mee,’ antwoordde hij rustig. Meteen nam de grijze kater de leiding en de rest haalde hen ook in. Maar Vliegpoot vond het niet erg om achteraan te lopen. Hoe verder hij van ze weg was, hoe beter. Hij wist ook wel waarom Schervenklauw had gezegd dat ze mee konden komen. Het zou onbeleefd zijn geweest om te weigeren. ‘Sorry,’ miauwde zijn mentor zachtjes. Vliegpoot haalde zijn schouders op. ‘Maakt niet uit, ik snap het.’

⊱───────⊰✯⊱───────⊰

De weg was lang, stil en heel erg vermoeiend. Met zijn kortere poten kon Vliegpoot de rest van de patrouille nauwelijks bijhouden en had geen tijd om te rusten. De vele bladeren maakten het er niet makkelijker op en hij was al een paar keer gestruikeld. Gelukkig hadden Lindepoot en Lijsterpoot het niet gezien. Hij kon al raden wat ze gezegd zouden hebben. Als ik kan eindelijk vechten, zal ik ze eens laten zien hoe goed ik kan lopen!

‘Eekhoorn!’ krijste Lijsterpoot ineens. Vliegpoot en Schervenklauw keken op en zagen de twee leerlingen voor hun voorbij rennen. Lindepoots pootstappen waren luid en hij had waarschijnlijk alle prooi in het bos weggejaagd, maar Lijsterpoot deed het best goed. De poes haalde de eekhoorn in, haalde onhandig uit en viel daarna met een smak op de grond. Vliegpoot kon zijn lach niet in houden en proestte het uit. Helaas was de eekhoorn zo erg geschrokken dat hij omkeerde en recht in Lindepoots poten terechtkwam. Met een harde mep lag het diertje dood tussen de poten van de bruin gestreepte kater. Samen met zijn zus sprong hij blij in het rond. ‘We hebben onze eerste prooi gevangen!’ De kat pakte zijn prooi op en klemde het tussen ze kaken. Toen ze hem voorbijliepen keek Lijsterpoot hem hatelijk aan. ‘Wie het laatst lacht, lacht het best!’ beet ze hem toe voordat ze haar staart in zijn gezicht duwde.

Alsof zij niet uit hadden gelachen als het mij was overkomen. Schervenklauw gebaarde hem met zijn staart om bij de rest te komen staan - waar Vliegpoot totaal geen zin in had. Witsnavel staarde hem boos aan. ‘De volgende keer kan je best wat meer ondersteunend zijn hoor!’ Vliegpoot verroerde geen haar en gaapte haar droogjes aan. Het kan me dus helemaal niks schelen wat jij denkt. Grijsschemer stootte Witsnavel zachtjes aan. ‘Dat deed hij alleen maar omdat hij jaloers was hoor!’ fluisterde hij, maar het was hoorbaar voor iedereen. Vliegpoot hoorde Schervenklauws tanden geërgerd op elkaar knarsen. ‘Zo is het wel weer genoeg,’ miauwde de kater kalmpjes, al was zijn blik vol met haat en vuur. Zijn mentor trippelde van de groep weg en wenkte Vliegpoot om met hem mee te gaan. ‘Wij maken de patrouille maar af, leggen jullie dat kleine dier maar op de prooihoop.’

Opgetogen ging Vliegpoot met de lichtgrijze kater mee. Eindelijk weg van die vervelende katten! Hij voelde de ogen van het groepje katten nog op zijn rug branden, waarschijnlijk kwaad door Schervenklauws belediging, maar het maakte hem niks meer uit. ‘Stelletje vossenharten dat ze zijn!’ gromde de krijgskat boos. Normaal gesproken zou Vliegpoot verontwaardigd moeten zijn dat een kat zo over zijn Clangenoten praatte, maar hij had al eerder gehoord dat de HemelClan tegenwoordig in twee groepen was verdeeld.

Toen ze een tijdje in stilte hadden gewandeld, bleef Schervenklauw even staan. ‘Weet je, eigenlijk zou ik zeggen, bijt eens van je af, want anders stoppen ze nooit. Maar ik weet niet of dat nu zo slim is. Voor nu zou ik het je niet aantrekken. We gaan gewoon extra hard trainen en dan versla je ze binnen no-time! De katten zullen niet weten wat hen overkomt!’ Vliegpoot keek naar zijn mentor en kreeg een warm gevoel onder zijn pels toen hij zag hoe innig de kater naar hem keek. Ik ben zo blij dat ik hem als mentor heb!

‘Ik zal mijn uiterste best doen, beloofd!’ zei hij opgewekt. Schervenklauw knikte tevreden en samen liepen ze weer verder. ‘Dan ga we na onze patrouille meteen verder met wat training!’ Yes! Gemotiveerder liep Vliegpoot door, zijn moeheid compleet verdwenen. Hij was er klaar voor!

⊱───────⊰✯⊱───────⊰

‘Wil je liever jacht- of vechttraining?’ vroeg Schervenklauw hem. ‘Vechttraining natuurlijk!’ antwoordde Vliegpoot. Hoe eerder ik Lindepoot en Lijsterpoot inmaak hoe beter! Ze waren nog niet bij een klein grasveldje aangekomen, of Venkelpoot en Vederzang stapte uit de bosjes. ‘Mogen wij misschien meedoen?’ vroeg de grijze poes vriendelijk. Schervenklauw keek even naar Vliegpoot, die hem een klein knikje teruggaf. ‘Graag zelfs! Dan kan Vliegpoot meteen zijn oefeningen op iemand uitproberen!’

Ondanks dat Vliegpoot wist dat Venkelpoot echt geen geintjes over zijn vechttechnieken zou maken, was hij alsnog heel erg zenuwachtig om tegen haar te vechten. Hij wilde haar niet teleurstellen, maar juist indruk maken. Schervenklauw en Vederzang namen ieder hun leerling apart om Vliegpoot en Venkelpoot te vertellen wat ze moesten doen. De grote kater keek Vliegpoot strak aan. ‘We gaan gewoon makkelijk beginnen. Probeer Venkelpoots poten onder haar weg te slaan en spring dan op haar - en spring niet te hoog! Je kan ook proberen om onder haar langs te gaan en op haar buik een paar klappen uitdelen, in training doen we namelijk niet aan klauwen, dat had je anders in een echt gevecht wel moeten doen.’ Vliegpoot knikte om te laten zien dat hij het begreep en draaide zich om naar Venkelpoot, die al klaar stond.

‘Start!’ riep Vederzang. Venkelpoot wachtte niet en rende op Vliegpoot af. Nog net op tijd ontweek hij haar, maar gleed uit over de bladeren en moest nog overeind krabbelen toen Venkelpoot haar volgende aanval begon. Ze sprong op hem, duwde hem tegen de grond aan en sprong toen weer van hem af. Snel sprong Vliegpoot op zijn vier poten en toen Venkelpoot nog geen hartslag op de grond terecht was gekomen, mepte hij haar poten weg. ‘Oef!’ was het enige dat de poes nog kon uitbrengen. Ha! Vliegpoot dacht haar te hebben sprong op haar rug, maar Venkelpoot was sterker dan verwacht en gooide hem met gemak van zich af. Beide katten pakten hun rust en bleven even wachten voordat de eerste slag gegeven werd. Vliegpoot probeerde onder Venkelpoot te komen, zoals Schervenklauw hem had verteld, maar Venkelpoot was sterker en drukte hem tegen het bladerdek aan. Grommend verzamelde hij al zijn kracht om haar van zich af te gooien, maar hij was machteloos. Wat hij ook probeerde, niks leek te werken.

Uiteindelijk kwam Vederzang naar hen toegelopen. ‘Stop maar!’ miauwde ze. Venkelpoot sprong van hem af en trippelde naar haar mentor toe. Zuchtend stond Vliegpoot op en schudde de bladeren uit zijn vacht. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Schervenklauw. Droevig boog de kleine kater zijn kop. ‘Ik heb verloren toch? Ik deed vast niks goed.’ Schervenklauw keek hem verbaasd aan. ‘Wat? Hoe kom je daar nou weer bij! Je hebt het super goed gedaan? En dat zonder dat ik het voordeed! Echt waar, Vliegpoot, je hebt talent voor het vechten!’ Vederzang en Venkelpoot kwamen naar hun toe. ‘Inderdaad, Vliegpoot, voor een eerste vechttraining, deed je het merkwaardig goed!’ Venkelpoot knikte instemmend. ‘Zeker weten! Ik had geen schijn van kans om mijn poten op tijd weg te trekken toen je mij vloerde! Goed gedaan!’

Vliegpoot slikte even en werd warm onder zijn vacht. Hij knipperde dankbaar met zijn ogen en lachte even. ‘Dank jullie wel, dat is heel erg fijn om te horen.’ Venkelpoot gaf hem een kopje. ‘Geen dank, dit heb je helemaal zelf gedaan!’ Ook Schervenklauw boog zich naar hem toe. ‘Als we veel gaan trainen, maak je Lijsterpoot en Lindepoot met gemak in, let maar op!’ Vliegpoots voeten tintelden van opwinding. Ik kan het echt! Nu zal ik ze eens laten zien wat ze krijgen als met mij spotten! Ik zal maar oppassen als ik jullie was!

3. Ontmoeting met het duister[]

‘Kom op, Vliegpoot, dit kan je wel!’ moedigde Schervenklauw hem aan. Vliegpoot gromde en haalde nog een keer uit naar Kervelpoot, maar de donkerzandkleurige kater blokkeerde zijn aanval met gemak. Hij greep Vliegpoots voorpoot beet en smeet hem tegen een boom aan. ‘Voorzichtig!’ waarschuwde Bleekschors zijn leerling. Meidoorntak, Rafelpoots mentor, snoof. ‘Als Vliegpoot eindelijk eens een echte vechter wil worden is dit goed voor hem.’ Schervenklauw keek de kater boos aan. ‘Als Kervelpoot zo doorgaat, is hij dadelijk niet meer in staat om een vechter te worden!’ Vliegpoot krabbelde overeind. ‘Het gaat wel, Schervenklauw.’ Hij stormde op Kervelpoot af en duwde hem met zijn voorpoten. De leerling viel om en kwam met een plof op het zachte gras terecht.

Naaldpoot en Lindepoot begonnen hard te lachen, wat Kervelpoot nog bozer maakte. ‘Je zou maar om geduwd worden door Vliegpoot!’ gniffelde Lijsterpoot. Kervelpoot sprong overeind, maar probeerde niet Vliegpoot aan te vallen, maar Lijsterpoot. ‘Wil jij het anders tegen me opnemen?’ gromde hij. Lijsterpoot slaakte een kreet en deinsde achteruit. Bleekschors sprong snel tussenbeide. ‘Zo is het genoeg.’

Vliegpoot sloeg zijn ogen neer en zuchtte. Waarom moest Venkelpoot nou per se nu gaan jagen met de andere leerlingen? De trainingen zonder haar waren verschrikkelijk, deels omdat hij dan van niemand kon winnen en deels omdat hij geen vrienden had nu. Hij keek afwachtend naar Schervenklauw, in de hoop dat hij en zijn mentor weg zouden gaan van het stel vossen, maar hij wist dat Schervenklauw zich meer moest laten zien in gezamenlijke trainingen van Havikster. Het lijkt wel alsof mijn vader wil dat ik pijn krijg van de trainingen. Hij moet de schrammen die ze me hebben gegeven wel opgemerkt hebben!

‘Misschien is het beter als we even opsplitsen. Vliegpoot, Lijsterpoot en Lindepoot met elkaar en de anderen ook met elkaar,’ stelde Witsnavel voor. Grijsschemer snoof. ‘Maar dan is er geen competitie voor Lindepoot!’ Meidoorntak versmalde zijn ogen en een boze flits schoot erdoorheen. ‘En als het zo blijft is er geen competitie voor Rafelpoot,’ snauwde hij, ‘Lindepoot is nog ver weg van het niveau waar onze leerlingen op trainen, hij kan dus beter met zijn eigen leeftijdsgenoten gaan.’ Doornstip knikte instemmend. ‘Ga nou maar.’

Brommend stapte Grijsschemer weg en Lindepoot volgde hem met een gebogen kop. Waarschijnlijk was de kater diep beledigd door Meidoorntaks woorden. Vliegpoot haalde zijn schouders op. Dan had hij maar niet zo arrogant moeten zijn. Hij trippelde achter zijn mentor aan en ging samen met zijn holgenoten naar een open plekje middenin het woud. Witsnavel leek een stuk vrolijker, nu de oudere leerlingen er niet bij waren. ‘Nu heb je weer kans op winnen,’ fluisterde poes in Lijsterpoots oor. De jonge leerling knikte enthousiast en ontblootte haar klauwen even. Vliegpoot snoof. Als zij dat een compliment vindt, moet ze het zelf weten. ‘Vliegpoot kan ik gemakkelijk aan en Lindepoot zal een uitdaging worden, maar dat heb ik nodig om beter te worden!’ Vliegpoot voelde zijn nekharen overeind komen en keek naar Schervenklauw om te kijken of zijn mentor het voor hem zou opnemen. Maar de grote lichtgrijze kater hield zijn mond, en Vliegpoot wist wel waarom. Hij zuchtte. Ik moet echt heel hard gaan trainen mocht ik hun ooit willen verslaan.

Hij ging zitten op het droge gras en streek het met zijn staart glad. Doordat er al een tijdje geen regen was gevallen -wat in Bladval bijna nooit het geval was- was de grond erg droog geworden. En dat kwam goed uit, want daardoor had Vliegpoot meer grip tijdens het vechten. Toen hij zijn naam hoorde, stond hij op en ging tegenover Lijsterpoot staan. Jij dacht dat je van mij ging winnen hè? Wacht maar! Schervenklauw gaf het startsignaal met zijn staart en Vliegpoot stormde op de poes af, maar Lijsterpoot was klaar voor hem en met slechts één tik van haar poot, lag Vliegpoot op de grond. Nog voordat de lichtbruin gestipte poes op hem kon springen, rolde Vliegpoot zich om en sprong op zijn poten. Hij gromde en wachtte op Lijsterpoots volgende beweging. Een valse grijns verscheen langzaam op Lijsterpoots gezicht. Lach maar! Nu krijg ik je! Hij sprong naar haar toe en maakte zich groot, maar op hetzelfde moment voelde hij een enorm gewicht op zijn schouders terechtkomen. Al het lucht werd uit zijn longen geperst toen hij op de grond neerkwam. Vliegpoot snakte naar adem en spartelde wild heen en weer. Lindepoots kwaadaardige gelach vulde zijn oren. Hij begon te knarsetanden en trilde van woede. Ze speelden vals! Dat stomme stuk vossenhart heeft alles verpest! Al wist hij dat dat niet geheel waar was, hij had vermoedelijk toch niet gewonnen van Lindepoots zus.

Schervenklauw sprong naar Vliegpoot toe en smeet Lindepoot van hem af. Snel krabbelde de kleine grijze kater overeind en keek met fonkelende ogen toe hoe Lindepoot met een smak op de grond kwam. Grijsschemer schoot woedend naar voren. ‘Beheers je, Schervenklauw! Wij kunnen er ook niks aan doen dat Vliegpoot telkens verliest.’ Vliegpoot meende ergens in Schervenklauw iets te horen breken. Zijn mentor maakte zich groot en heel zijn vacht stond rechtop. ‘Lindepoot had zich er niet mee moeten bemoeien! Jij denkt dat je leerling zoveel is, maar Lindepoot is misschien nog wel slechter dan Lijsterpoot en wint alleen door smerig te spelen. Net als jij, Grijsschemer. Ik heb je al eens eerder verslagen en de volgende keer zal je niet al je haren eraan overhouden!’ Schervenklauws ogen spuwden vuur. ‘Vliegpoot zal jullie allebei binnenkort verslaan,’ spuugde hij tegen de leerlingen, ‘Bereid je maar vast voor!’

Witsnavel keek hem met angstige ogen na en Vliegpoot holde snel achter zijn mentor aan. ‘Denk je echt dat ik ze binnenkort kan verslaan?’ Het blauwe vuur was verdwenen in Schervenklauws ogen en had plaatsgemaakt voor een waterval van verdriet. ‘Natuurlijk denk ik dat niet,’ antwoordde hij. Vliegpoot boog verdrietig zijn kop. Als zijn mentor geen vertrouwen meer in hem had, had het dan nog zin om zelf hoop te hebben? ‘Ik weet het,’ voegde Schervenklauw daarna toe met een grijns. Vliegpoots blik klaarde meteen op en hij drukte zich tegen zijn mentor aan. ‘En wat er ook gebeurt, ik zal altijd trots op je zijn, Vliegpoot.’

⊱─∘─•─∘─⊰ ☾✯☽ ⊱─∘─•─∘─⊰

Eindelijk was Vliegpoot in het kamp. Hij was de rest van de dag bezig geweest met jachttraining, zonder irritante leerlingen erbij. En hij vond zelf dat hij het er best goed vanaf had gebracht. Samen met Schervenklauw had hij een fazant gevangen, die niet veel in hun territorium voorkwamen en het beest was reusachtig. Verder had hij nog een kleine eekhoorn zelf gevangen en een redelijk grote bosmuis. Schervenklauw droeg nog een spreeuw in zijn bek en had nauwelijks ruimte over voor hun gigantische fazant.

Mirrehars kwam vanuit haar hol hun tegemoet lopen. ‘Jullie zijn lekker bezig geweest! Ik heb jullie heel de dag niet gezien!’ Schervenklauw legde zijn prooi snel op de hoop, net als Vliegpoot, en knikte. ‘We hebben een uitstekende jacht gehad. Wil je misschien de fazant delen?’ Mirrehars likte haar mond. ‘Graag!’ Ze klemde de kleurrijke kop van de vogel tussen haar kaken en droeg hem naar haar hol. ‘Jij mag ook wat pakken, dat heb je wel verdiend!’ miauwde Schervenklauw nog over zijn schouder.

Vliegpoot draaide zich om naar de prooihoop en zag Venkelpoot het kamp binnen lopen. Hij pakte een kleine spreeuw en trippelde vrolijk naar haar toe. Hij hoefde niks te zeggen, want door zijn vragende blik snapte ze meteen wat hij bedoelde. ‘Natuurlijk wil ik delen! Ik rammel!’ Vliegpoot liet een snorrend geluid horen en ging samen met Venkelpoot tussen de kraamkamer en het oudstenhol in zitten. Hij schoof de prooi naar haar. ‘Jij mag eerst eten. Poezen gaan voor toch?’ Venkelpoot glimlachte. ‘Wat beleefd van je.’ Ze boog zich over de gespikkelde zangvogel en nam een grote hap. ‘Hoe ging je training?’ vroeg ze tussen het kauwen door. Vliegpoot boog zijn kop en staarde verdrietig naar zijn kleine poten. ‘Ik heb alweer van iedereen verloren en ik heb ervoor gezorgd dat Schervenklauw weer ruzie ging maken met Grijsschemer.’ Venkelpoot drukte zich dichter tegen hem aan. ‘Dat is niet jouw schuld, Vlieg, er speelt zoveel meer tussen hen.’ Het was even stil. Vliegpoot ontspande toen Venkelpoot met haar zachte staart over zijn ruggengraat streek en hij spinde even. ‘Binnenkort zal alles goed komen, echt waar. Lindepoot en Lijsterpoot zal je met wat extra training echt wel verslaan!’ Vliegpoot stond op en zuchtte. ‘Ik hoop het.’ Hij nam snel nog een hap van de spreeuw en nam toen afscheid van zijn vriendin. Hij had geen zin meer om te praten en wilde gewoon slapen. Hoe sneller de tijd gaat, hoe eerder ik dood zal zijn en hoe eerder ik van alle vossenharten af ben.

Hij krulde zich op in zijn nest. Een traan rolde langzaam over zijn wang en hij veegde hem snel weg. Als een van de leerlingen hem zag huilen, zouden ze nog meer treiterwoordjes voor hem verzinnen en zou alles nog erger worden. Hij sloot zijn ogen en hoopte dat de slaap snel zou komen. Hij was klaar met deze dag. Klaar met de HemelClan. Klaar met zijn leven. Er was toch geen hoop meer voor hem. Lindepoot en Lijsterpoot werden met iedere training beter en Vliegpoot zou nooit genoeg tijd hebben om ze te kunnen verslaan. Het was allemaal hopeloos. Hij bedekte zijn snuit in zijn donkergrijze vacht en zonk langzaam in een diepe slaap.

⊱─∘─•─∘─⊰ ☾✯☽ ⊱─∘─•─∘─⊰

Een donkere mist omhulde Vliegpoot. Dauwdruppels knelde aan zijn poten, evenals modderklonten. Hij stond op, strekte zich uit, en schudde het modder en dauw uit zijn vacht. Waar ben ik? Is dit een droom? Hij trok zijn neus op. Het stonk hier verschrikkelijk. Hij begon te lopen, hopend om een weg te vinden naar zijn nest. Maar wilde hij dat wel? Als hij op deze plek bleef, was hij eindelijk van het gesar af. Maar ook alleen, bedacht hij, zonder Venkelpoot, Schervenklauw, Mirrehars of de oudsten. Dan heb ik echt helemaal niemand. Hij draaide zich om. Zijn haren schoten overeind toen hij twee poten zag en hij deinsde achteruit. Zijn hart bonkte in zijn keel, maar zuchtte opgelucht toen hij het gezicht herkende. Het was Schervenklauw maar.

‘Schrok je?’ vroeg zijn mentor grijnzend. Vliegpoot knikte. ‘Waar zijn we, Schervenklauw?’ De blauwe ogen van de lichtgrijze kater verduisterde. ‘In het Duistere Woud.’ Vliegpoots ogen vergrootten en hij ontblootte zijn klauwen. ‘Dan moeten we maken dat we wegkomen! Ik dacht dat het Duistere Woud verwoest was na het gevecht met de Clans! Als ze nog bestaan, dan zijn we in groot gevaar!’ Hij wilde al wegrennen, maar Schervenklauw bleef staan. ‘Het gevecht heeft het Duistere Woud ook zwaar getroffen, maar toen Briespels stierf, heeft hij het weer opgebouwd. De oude geesten vervaagden, maar hij vond nieuwe en zo heeft hij het Duistere Woud weer sterk gemaakt. Maar ze zullen niet zomaar aanvallen, echt niet.’ ‘Hoe weet je dat zo zeker?’ vroeg Vliegpoot.

‘Wij zijn hier om te helpen,’ miauwde een onbekende stem uit het niets. Vliegpoot sprong een staartlengte in de lucht van schrik en drukte zich dicht tegen Schervenklauw. Toen hij besefte hoe kittenachtig dat was, vermande hij zich snel en stak zijn kin omhoog, alsof hij dapper was. Hij slikte diep toen er een grijsbruine poes met lange oren en ogen als vuur uit de mist stapte. Schervenklauw begroette de poes met een knik. ‘K-Ken je haar?’ stamelde hij. Schervenklauw knikte. ‘Ze stierf een tijdje nadat ik leerling was geworden.’ De poes snoof. ‘Ik stierf niet, ik werd vermoord.’

Haar vlammende ogen kruiste die van Vliegpoot. ‘Ik kan je helpen trainen tijdens de nachten, zodat je uiteindelijk Lindepoot en Lijsterpoot kan verslaan en daarna de andere leerlingen. Ik zal je krachtig maken. Met mijn hulp kan je groots krijger worden!’ Vliegpoot versmalde zijn ogen. ‘Waarom zou je mij willen helpen? In het Duistere Woud komen alleen slechte katten! En hoe weet jij van Lindepoot en Lijsterpoot?!’ Ze cirkelde om hem heen. ‘Ik heb hetzelfde doorstaan als jij, Vliegpoot. Ik werd ook gepest. Ik wil niet dat jij hetzelfde moet doorstaan als ik. Wij zijn niet meer slecht, wij willen er alleen voor zorgen dat de Clans niet verzwakken. Ze moeten sterk blijven! De WindClan is al verzwakt, omdat ik nu weg ben en met Venijnster als hun leider komen ze nergens!’ Vliegpoot keek verbaasd van Schervenklauw naar de grijsbruine poes. ‘J-Je komt van de WindClan? Ik kan niet door een krijger van een andere Clan trainen!’

‘In het Duistere Woud is geen kat meer aan zijn Clan gebonden,’ reageerde Schervenklauw rustig. ‘Hazenoor heeft het beste met je voor, geloof me.’ Vliegpoot keek naar zijn poten. ‘Maar verraad ik nu niet de Clan?’ Schervenklauw schudde zijn kop. ‘Er is niks mis met extra training.’ ‘Heb jij dit dan ook gedaan?’ vroeg Vliegpoot nieuwsgierig. De lichtgrijze kater knikte. ‘Ik heb hier getraind zodat ik mijn broer eindelijk kon verslaan en het werkt echt. Als je hier traint ben je binnenkort de sterkste leerling van allemaal! Ik zou dit nooit doen als ik niet zeker wist dat dit zou helpen.’ Dat stelde Vliegpoot gerust en hij knikte. ‘Dan wil ik ook graag trainen hier.’ Schervenklauws blik klaarde op. ‘Ik ben blij dat te horen en ik weet zeker dat je het uitstekend zal doen! Dan zal ik nu weer gaan.’ Vliegpoot keek zijn mentor vragend aan. ‘Waarom?’

‘Ik heb een lange tijd gelden al afscheid genomen van deze plek. Zodra ik sterk genoeg was, stopte ik. Maar ik zal nooit vergeten hoe veel deze katten mij geholpen hebben en altijd dankbaar zijn.’ Schervenklauw verdween langzaam in de mist en toen zelfs zijn schim verloren was gegaan, keerde Vliegpoot zich naar Hazenoor. De poes wenkte hem met haar staart om haar te volgen. ‘Ik kan alles zien wat er gebeurt met de Clans. En toen Buizerdduik -Schervenklauws mentor- mij vroeg om jou te trainen, heb ik je een tijdje bestudeerd. Ik denk dat je veel potentie hebt en dat je moet leren gebruik te maken van je kleinte. Je probeert je steeds groot te maken als je springt, maar dat heeft geen zin, niet met jouw lengte. En als ik je de tactieken van de andere Clans leer, zal binnenkort de aandacht trekken van iedereen in de Clan, zelfs de leerlingen zullen onder de indruk zijn!’ moedigde ze hem aan. Vliegpoot was verbaasd over hoe aardig de Duistere Woudkat was. Zo had hij ze helemaal niet voor zich gezien. Misschien zijn ze echt veranderd.

‘Toen ik geboren werd met mijn lange oren, werd ik al meteen als een mislukkeling gezien,’ begon Hazenoor met vertellen, ‘En ik had niet een mentor zoals Schervenklauw die de hoop niet opgaf en van me hield. Nee, ik had iemand die me haatte. De partner van de Clanleider! Ik wist dat ik nooit tegen haar in kon gaan en ze behandelde me als een poesiepoes. Mijn broer, die jij zal kennen als Venijnster, wilde er maar al te graag voor zorgen dat iedereen me haatte. Zijn ambitie voor het leiderschap had zijn hart verkruimeld. Zelfs mijn vader en moeder namen het niet voor me op. Ik was alleen. En toen mijn broer slaagde voor zijn eindbeoordeling, maar ik niet, omdat mijn mentor ervoor wilde zorgen dat ik verdween, verloor ik het. Ik vermoordde haar, maar niemand kwam erachter. Ik besloot te blijven, om iedereen te laten boeten, net als Rozendauw. Ik hoefde geen nieuwe mentor, ik kreeg nog een kans om mijn eindbeoordeling te halen en dat deed ik. Alleen toen Briesster, de Clanleider vóór Venijnster, mij het achtervoegsel -oor gaf, werd ik woedend. Uit wraak nam ik al zijn overige levens, maar mijn broer bemoeide zich ermee en zo kwam ik aan mijn eind.’

Vliegpoot bleef even stil na het horen van Hazenoors levensverhaal. We zijn echt niet zo verschillend. En zij had het nog veel zwaarder dan ik. ‘Maar de SterrenClan kijkt alleen maar naar daden, en niet naar de redenen, daarom zit ik hier,’ gromde Hazenoor. Ze keek hem lang aan. Nu pas viel het hem op dat hij haar verkeerd had ingeschat. Het was geen vuur in haar ogen, het was een prachtige, ondergaande zon. ‘Het spijt me dat dat je is overkomen,’ mompelde hij. Hazenoor haalde haar schouders op. ‘Jij kan er niks meer aandoen, wat gebeurd is, is gebeurd. En nu heb ik een familie die wel om me geeft en waar ik me thuis voel.’ Vliegpoot knikte begrijpend. ‘Hoe kan ik hier morgenavond weer komen?’ Hazenoors ogen glinsterden helder. ‘Ik zal je wel komen halen.’ Langzaam voelde Vliegpoot zichzelf vervagen en zijn zicht vertroebelde. Hij blies tevreden door zijn neus. Binnenkort zal ik Lindepoot en Lijsterpoot volledig verslaan!

4. De eerste overwinning[]

Uitgeput strompelde Vliegpoot terug naar het kamp. Hij had heel de dag alleen maar getraind en was doodop. Het enige wat nog in zijn lichaam leek te zitten waren zijn ribben, de rest leek allemaal zijn verbrand voor energie. Maar het was het allemaal waard geweest. In het begin hadden Schervenklauw en Vliegpoot wat jachttraining gedaan, maar jagen kon hij gelukkig al wel redelijk. Het was juist het vechten wat hij wilde verbeteren. Iedereen kan jagen en je hoeft er niet per se goed in te zijn, als het maar voldoende is om je maag te vullen! Vechten is wat geldt in het echte leven! En ik moet de allersterkste worden! Door zijn kleinte moest hij twee keer zo hard werken als elke andere kat leek het wel. Grotere katten hadden namelijk al heel hun lichaamsgewicht mee, terwijl het bij Vliegpoot alleen maar op kracht aankwam. Maar ik zal met die oneerlijkheid moeten leren leven!

Zijn ontmoeting met Hazenoor had hem een stuk vrolijker gemaakt. Hij had nu veel meer het gevoel dat het goed zou komen en was erg optimistisch over de toekomst. Maar ik moet ook niet te overmoedig worden. Dat kan alleen maar voor problemen zorgen! Bijna huppelend liep Vliegpoot het kamp binnen. Samen met Schervenklauw ging hij direct naar de prooihoop toe en pakte daar een schriel muisje van op. Maar voordat hij weg kon gaan, hield zijn mentor hem tegen en wees met zijn lichtgrijze staart naar een redelijk dik konijn.

‘Neem die maar, je harde werk moet beloond worden, dus je verdient wat extra’s!’ mauwde Schervenklauw opgetogen. Vliegpoot keek de kater stralend aan en griste toen snel het konijn van de hoop. ‘Daarbij komt nog dat je dadelijk helemaal fit moet zijn voor je volgende training!’ voegde Schervenklauw daarna nog fluisterend toe in Vliegpoots oor. De kleine kater snorde tevreden en sprong met tintelende poten op een plekje in de zon af. Hij had zoveel zin in zijn eerste training met Hazenoor! De andere leerlingen zullen niet weten wat hen te wachten staat als ik hen dadelijk versla!

Vliegpoot plofte naast het leerlingenhol neer en boorde zijn tanden in het malse vlees en het luid smakkend op. Hij had in tijden niet zo’n lekker stuk voedsel gegeten en genoot volop. Al snel had hij het grootste deel van zijn konijn op en twijfelde of hij verder moest eten om genoeg energie te krijgen, of juist moest stoppen om niet misselijk te raken tijdens het trainen. Gelukkig werd zijn keuze hem een stuk makkelijker gemaakt toen Venkelpoot naast hem ging liggen. Ze hijgde zachtjes en keek met glinsterende ogen naar Vliegpoots avondeten. ‘Zit je vol?’ vroeg ze terwijl ze haar lippen al likte. Vliegpoot grijnsde en schoof het naar haar toe. ‘Geniet er maar van!’ murmelde hij vriendelijk. ‘Schervenklauw verwent jou veel te veel! Gaf Vederzang mij maar eens wat extra’s…’ mompelde de lichtbruine poes tussen het kauwen door. Vliegpoot zwiepte met zijn staart langs haar oren. ‘Ik heb er anders hard voor gewerkt hoor!’ Venkelpoot snoof en ging weer verder met eten. Vliegpoot besloot op te staan en rekte zich gapend uit. ‘Ik ga maar eens vroeg naar mijn nest.’ Zijn vriendin keek hem een beetje somber na, maar at rustig verder. ‘Truste’, miauwde ze hem na.

Snel zocht het donker gestreepte katertje zijn mosnest op en krulde zich meteen om. Hij hoopte maar dat zijn slaap snel zou komen, want hoe eerder hij kon trainen, hoe langer ze hadden en hoe beter hij werd! Maar voordat hij zijn ogen kon sluiten, drong een dikke, donkergrijze mist het leerlingen hol binnen. Vliegpoot tilde zijn kop op en spitste zijn oren. Zijn nekharen rezen langzaam omhoog; hij vertrouwde dit niet. Langzaamaan kwam de mistwolk steeds dichterbij en Vliegpoot kroop naar achteren. Op een gegeven moment kon hij niet meer verder en sloot de mist hem in. Zijn hart begon sneller te kloppen en hij drukte zich zoveel mogelijk tegen de rand van het hol aan. Toen voelde hij opeens een tak keihard in zijn kont prikken en sprongen hij met een kreet naar voren, de mist in.

‘Welkom’, groette Hazenoor hem grijnzend. Haar oranje ogen fonkelden als een vuurtong van een vallende ster in een donkere nacht. Vliegpoot keek verbaasd om zich heen en haalde zijn poten uit de vieze modder onder hem. ‘Ben ik al in het Duistere Woud?’ Hazenoor knikte snorrend. ‘Maar hoe dan? Ik sliep nog niet eens!’ Vliegpoot fronste en keek de poes niet-begrijpend aan. ‘Zodra je in slaap viel, nam ik je al mee naar het Duistere Woud, vandaar dat het lijkt alsof je niet in slaap gevallen bent. Maar geen zorgen, niemand zal weten dat je hier bent. Op Schervenklauw na dan.’ Ze wenkte met haar staart dat hij haar moest volgen en stapte het woud verder in. ‘Laten we beginnen met trainen!’

Vliegpoot versnelde zijn pas en kwam naast haar lopen. ‘Moet ik niet eerst het territorium leren kennen?’ vroeg hij. Hazenoor schudde haar kop. ‘Ik snap niet wat dat voor zin heeft. Je hoeft onze grenzen niet te verdedigen en je hoeft hier ook niet de beste jachtplekjes te weten, want je jaagt hier niet – en ze zijn hier ook niet.’ Vliegpoot snapte het en knikte. Ze liepen nog een stukje door, totdat ze eindelijk bij een grasveldje aankwamen. Snel schudde hij de modderklonten uit zijn vacht en poten en ging tegenover Hazenoor staan. Hij was er helemaal klaar voor!

‘Wacht even!’ riep Vliegpoot uit het niets. Hazenoor keek hem verontwaardigd aan en gebaarde met haar blik dat hij gerust kon spreken. ‘Hoe kan je mij eigenlijk trainen? Je was een WindClankat toch? Kan je mij wel HemelClan vechtbewegingen leren?’ De grijsbruine poes lachte en knikte daarna. Ondanks de kille duisternis, leek ze alsnog licht te geven. Alsof ze een werkelijke geest was en Vliegpoot vroeg zich af of hij er ook zo uit zag. ‘In het Duistere Woud beheerst elke krijger alle technieken van elke Clan. Je hebt dus nog erg veel te leren!’ Ze begon haar positie in te nemen, maar Vliegpoot staarde onzeker naar zijn poten. ‘Zullen mijn Clangenoten het niet merken als ik als een WindClankat vecht? Dadelijk willen ze me daar heen sturen of denken ze dat ik stiekem met een WindClankat afspreek!’ Hazenoor keek hem droogjes aan. ‘Maar dat doe je toch ook?’ ‘Ja, maar …’ Hazenoor liep naar hem toe en drukte zich geruststellend tegen hem aan. ‘Luister, je hoeft ze ook niet aan je Clangenoten te laten zien. Het gaat er gewoon om dat je ze kan gebruiken in een echt gevecht. En wie weet kunnen we ze wel combineren! Een HemelClan vechtbeweging en één van de WindClan, dan zal het ze niet opvallen en zal je juist erg uniek zijn. Zelfs de oudere krijgers zullen onder de indruk zijn!’

Vliegpoot grijnsde breed en zijn ogen begonnen te glinsteren. ‘Dat zou fantastisch zijn!’ Hazenoor knikte en liep terug naar haar plek. ‘Laten we meteen beginnen dan!’ Vliegpoot rekte zich vlug uit en spande zijn spieren aan. Zijn borst stak hij zelfverzekerd vooruit. Hij voelde zich hier helemaal op zijn gemak. Eindelijk waren er geen pestende opmerkingen van de andere leerlingen en kon hij zich volledig op zichzelf focussen. Schervenklauw had hem verteld dat hij werd opgefokt door de anderen en daarom roekeloos werd, maar deze keer zou dat niet het geval zijn. Nu heerste er een aangename rust om hem heen en voelde het alsof hij nu pas echt kon beginnen met trainen. Ondanks dat Schervenklauw en hij vaak genoeg apart hadden getraind, voelde hij nog steeds een zware last op zijn schouders en prikkende ogen in zijn rug die hem zouden veroordelen voor elke fout die hij maakte. Maar hier, in het Duistere Woud, was dat niet zo. Hier voelde hij zich meteen thuis.

‘Ik weet al een techniek die we kunnen gebruiken van de WindClan om het te mixen met een beweging van de HemelClan. Natuurlijk zal hij niet meteen perfect zijn, maar daar kunnen we op oefenen.’ Hazenoor ijsbeerde heen en weer terwijl ze sprak en staarde naar de grond zodat ze het waarschijnlijk beter voor zich kon zien. Ondertussen keek Vliegpoot aandachtig toe met gespitste oren en nam alles in zich op. ‘Wat je de WindClan heel vaak ziet gebruiken is de sliding-aanval. Dat komt omdat wij het perfecte grondgebied ervoor hebben door de heuvels, maar een HemelClankat zou het ook makkelijk kunnen gebruiken. Op de WindClan na hebben jullie zo ongeveer wel het meest heuvelachtige gebied en in ieder geval wat steilere vlaktes dan anderen. Daarbij hebben jullie ook niet al te veel grondbegroeiing zoals de DonderClan, dus is het glijden over de grond wat makkelijker. Mijn idee was om tijdens een gevecht in je eigen territorium ervoor te zorgen dat je hogerop de heuvel staat dan je tegenstander, dan de sliding-aanval doet, en dan hoog moet springen – wat je kan want je bent HemelClan en desnoods gebruik je een van de bomen – zodat je weer op je vijand belandt voordat die wat kan doen. Maar dit moet allemaal erg snel gebeuren. Dus daarom is het eerste wat we gaan doen rennen.’

⊱─∘─•─∘─⊰ ☾✯☽ ⊱─∘─•─∘─⊰

Er waren een paar dagen verstreken sinds zijn eerste training in het Duistere Woud en Vliegpoot had het gevoel dat hij meer geleerd had in die enkele dagen dan in zijn hele leven. De eerste drie trainingen hadden voornamelijk alleen maar uit rennen bestaan, opdat het zijn conditie zou verbeteren, hij sneller zou worden en ook nog eens sterke poten zou krijgen. Daarna waren ze ook wat meer gaan vechten, eindelijk. Gelukkig was Vliegpoot zo verstandig geweest om niet te mopperen over het moeten rennen de hele tijd, want hij wilde gewoon beter vechten, maar toen het moment van vechten was aangebroken, had hij wel even getwijfeld. Ze vochten daar met ontblootte klauwen, wat hem niet helemaal beviel, maar hij had niet tegengestribbeld. Alleen nu had hij schram daar opgelopen en het zat er nog steeds de volgende ochtend. Hazenoor had me niet verteld dat ik mijn verwondingen mee zou nemen naar de échte wereld!

Toen Venkelpoot ernaar had gevraagd had hij maar snel gezegd dat het door een doorn was gekomen. Het baarde hem echter wel veel zorgen, want was het misschien nog opvallender dat hij in het Duistere Woud trainde. Wat zullen ze wel niet denken als ze daar achter komen? Zal Havikster me dan verbannen? Dat zou hij zijn eigen zoon toch niet aandoen? Hij wilde zichzelf overtuigen. Alleen de heuvel van zijn angst en verdriet was te groot, hoog en steil om te kunnen overheersen. Havikster had nooit echt van hem gehouden zoals Dillenaald en Meidoorntak van hun jongen hielden. Vliegpoot kon het lezen in hun blikken en Haviksters blik was altijd alleen maar duister geweest. Zijn pupillen waren meestal zo groot dat het soms wel leek alsof hij echt zwarte ogen had.

Nu was hij op weg naar de trainingsplek met Schervenklauw. Hij zou het vandaag tegen Lijsterpoot en Rafelpoot moeten opnemen en voor het eerst dacht Vliegpoot dat hij een kans maakte deze keer. Zijn mentor was erg aardig geweest en had zijn training aangepast op die van Hazenoor. Schervenklauw en Vliegpoot hadden namelijk ook heel veel gerend overdag om conditie en snelheid op te bouwen. Ook hadden ze zijn boomklim technieken verbeterd, wat goed van pas kwam bij Hazenoors verzonnen vechtbeweging. Ze waren alle drie tot de conclusie gekomen dat, hoe sterk Vliegpoots poten mochten zijn, hij met veel moeite zonder een boom op zijn tegenstander kon springen nadat hij onder hem was doorgegleden. Vandaar dat Vliegpoot van maanopkomst tot maanondergang tegen een boom in het Duistere Woud had moeten opspringen en later zich ook telkens moest afzetten als hij dat deed. In het begin was alles heel erg vermoeiend geweest. Dag en nacht trainen was zeker niet niks en het vereiste heel veel energie. Maar Vliegpoot ging op tijd naar bed, zodat hij nog even rust had voordat hij met Hazenoor ging trainen en later weer voordat hij wakker werd gemaakt door Schervenklauw. Ook tijdens zonhoog rekten Schervenklauw en hij de pauze die ze namen altijd, zodat Vliegpoot een beetje op adem kon komen. Vliegpoots ritme had zich al snel op alles aangepast, waardoor hij nu helemaal fit was voor het gevecht. En al wist hij dat er niks vanaf hing, toch voelde het alsof heel de wereld op zijn schouders lag en dat hij dit gevecht moest winnen.

‘Ben je er klaar voor?’ fluisterde Schervenklauw in zijn oor. Vliegpoot knikte vastbesloten en wierp een blik achterom naar Lijsterpoot, zijn eerste tegenstander. ‘Ik weet zeker dat je hem aankan!’ moedigde zijn mentor hem verder aan. De lichtblauwe ogen van de kater glommen van trots en schitterden als een door de zon verlichte beek. Ik kan dit, vertelde Vliegpoot tegen zichzelf terwijl hij diep ademhaalde. Ik kan dit. Ik kan dit. Ik kan dit! Hij draaide zich om en ging recht tegenover Lijsterpoot staan. De heuvel was rechts van hem en de afdaling links, wat dus betekende dat hij zo snel mogelijk naar rechts moest gaan. De bomen boven zijn hoofd waaiden rustig heen en weer en gaven Vliegpoot een ontspannen gevoel, totdat de wind een bekende stem met zich mee bracht.

‘Veel succes, Vliegpoot!’ prevelde het briesje in zijn oor. Hazenoor! Ze kijkt naar me! Hij trok zijn klauwen in en uit en spande zijn spieren aan. Nu had hij nog meer zelfvertrouwen. Lijsterpoot gaat eraan! De kleine grijze kater gromde diep en keek recht in de ogen van de leerling tegenover hem. Haar lichtgele ogen flitsten gevaarlijk, maar maakten Vliegpoot niet bang. In tegendeel, het gaf hem juist extra kracht om haar te verslaan. ‘Beeld je in dat ze een echte lijster is’, fluisterde Hazenoor nog een keer in zijn oor. ‘En pak haar aan net zoals je bij een echte prooi doet!’ Haar woorden klonken vals, maar Vliegpoot had het niet meer door en zat volledig in spanning af te wachten op het startsignaal. Zijn onderbuik begon hevig te kriebelen en hij werd een beetje misselijk. Nog nooit was hij zo zenuwachtig geweest voor een gevecht. Maar deze keer wilde hij Hazenoor en Schervenklauw niet teleurstellen. Dat kon gewoon niet.

‘En val aan!’ riep Witsnavel uiteindelijk. Lijsterpoot vloog onmiddellijk naar voren. Zij en Witsnavel hebben duidelijk aan hun snelheid gewerkt! dacht Vliegpoot verschrikt. Dat zal alles alleen nog maar erger maken! In zijn verstarde moment van angst, beukte Lijsterpoot hem naar achteren en sprong op hem. ‘Kom op, Vliegpoot!’ Hij voelde Schervenklauws blik op hem branden en met datzelfde vuur gooide hij Lijsterpoot van zich af. Hij schudde de spanningen uit zijn vacht en herpakte zichzelf helemaal. Ik weet ook dat hoe snel Witsnavel ook mag zijn, haar uithoudingsvermogen is ongeveer de zwakste van de gehele Clan, dus veel conditie zal Lijsterpoot ook niet hebben! Hij grijnsde grimmig. Niet meer dan ik in ieder geval!

Lijsterpoot brulde deze keer terwijl ze op hem afstormde en Vliegpoot deed net alsof hij vluchtte naar de helling van de heuvel. Snel draaide hij zich weer om naar en siste, waardoor de poes tot stilstand kwam. Eindelijk zag hij wat hij wilde zien in de ogen van één van de andere leerlingen: angst. Al flitste het snel voorbij in Lijsterpoots ogen, het was meer dan genoeg tijd voor Vliegpoot om aan te vallen. Hij sprong naar haar toe, maakte zich toen klein en draaide zich om. Op zijn rug gleed hij onder haar door en gaf haar toen een harde stoot in haar maag. Als dit een echt gevecht was geweest, had ik met mijn nagels haar buik opengereten!

Snel draaide zich om, sprong tegen de boom aan die naast hem stond en zette zich af. Hij vloog als een springende eekhoorn door de lucht en brulde. Hij voelde zich zo groot en sterk dat de vonken van hem af leken te spatten. Heel zijn lichaam stond in vuur en vlam en hij ging als een vallende ster naar beneden. Hij spannende zijn spieren aan en zodra hij Lijsterpoot lichaam onder zich voelde, duwde hij haar nog eens even extra hard naar beneden en bleef toen op haar staan. Schervenklauw juichte, terwijl de rest juist verschrikt naar adem hapte.

‘Hij ging zo snel als een WindClankat!’ mompelde Witsnavel bewonderend. Vliegpoots borst zwol uit zichzelf al op van trots en hij sprong met een vrolijke kreet van Lijsterpoot af. ‘Ik heb gewonnen!’ Hij rende naar Schervenklauw toe en drukte zich toen heel dicht tegen hem aan. Hij begroef zijn neus diep in de dikke vacht van de lichtgrijze kater en genoot van zijn overwinning. Schervenklauw gaf hem twee liefdevolle likken over zijn bol. ‘Ik ben zo trots op je, Vliegpoot! Je hebt zo hard gewerkt en je verdient deze beloning dubbel en dwars!’ Vliegpoot stapte weer achteruit en ontmoette glimlachend zijn mentors blik. Dit was de blik die Meidoorntak en Dillenaald ook hadden als ze naar hun kinderen keken. Of Havikster nu mijn echte vader is of niet kan me weinig schelen. Ik kies ervoor om te geloven dat Schervenklauw mijn vader is, besloot hij. ‘Bedankt pap’, murmelde hij en draaide zich toen snel om naar Lijsterpoot en de rest. Hij wilde niet dat Schervenklauw erop zou reageren, alleen dat hij het wist was al genoeg.

Zijn blijdschap werd nog groter toen hij zag hoe Rafelpoot Lijsterpoot uitlachte. Dan weet zij ook eens hoe het voelt! ‘Verloren van Vliegpoot! Hoe slecht kun je zijn!’ schaterde de donkerbruine kater met de warrige vacht. Lijsterpoot gaf hem een woedende klap met haar poot en slaakte een gefrustreerde kreet. Daarna stormde ze als een donderwolk weg en schoot Witsnavel snel achter haar aan. Meidoorntak keek Vliegpoot met glimmende ogen aan. ‘Zozo’, mompelde hij onheilspellend, ‘ik zie dat je hard gewerkt hebt. Maar als dat al zolang duurde, verwacht dan niet dat je ooit van Rafelpoot zal winnen.’ De grote, lichtbruine kater wenkte met zijn staart naar zijn leerling om zijn plek alvast in te nemen en Rafelpoot gehoorzaamde. Schervenklauw stapte naar voren en boog zich voorover. ‘Luister maar niet naar wat Meidoorntak zegt. Je kan Rafelpoot makkelijk aan, misschien nu nog niet, maar spoedig wel, dat weet ik zeker. Zelfs al moet je er hard voor werken, je hebt nu gezien hoe erg dat beloont.’

Vliegpoot knikte zijn mentor dankbaar toe en nam zijn plaats tegenover zijn medeleerling. Rafelpoot liet even zijn tanden zijn en glimlachte duister. Vliegpoots staartpuntje ging snel heen en weer en hij bereidde zich weer voor op het startsignaal. Toen het eindelijk kwam van Schervenklauw, schoot hij meteen naar links, om Rafelpoots aanval te ontwijken, maar hij sprong niet ver genoeg. De oudere leerling kon nog net zijn staart pakken en trok hem naar achteren. Toen was het eigenlijk al gedaan en greep Schervenklauw nog net op tijd in, zodat Vliegpoot geen wonden zou oplopen.

‘Maak je geen zorgen, dat was gewoon een dom ongelukje en volgende keer gaat het beter. Vergeet niet dat Rafelpoot al langer leerling is en –’ Vliegpoot kapte zijn mentor af. ‘Het is al oké, je hoeft me niet beter te laten voelen. Ik voel me al goed eigenlijk. Ik heb nog steeds gewonnen van Lijsterpoot en niemand pakt me dat meer af!’ Hij loog niet toen hij dat zei. Voor het eerst was hij niet teleurgesteld na het lijden van verlies. Deze keer maakte het hem helemaal niks uit. Hij had gewoon gewonnen van Lijsterpoot! Nu zal ik blijven trainen totdat ik dadelijk elke leerling aankan! Niemand zal weten wat hen overkomt als ik dadelijk de beste HemelClankrijger ooit wordt!

5. Kleine kater, kleine glimlach, kleine pootjes, kleine muis, kleine wolk[]

Vliegpoot rekte zich uit in zijn nest, genietend van de warmte die door zijn lichaam stroomde. Hij was waarschijnlijk nog op temperatuur door al het trainen dat hij afgelopen nacht had gedaan, en dat was maar goed ook nu Bladkaal steeds dichterbij kwam. Nog nooit eerder had hij het koude seizoen meegemaakt, maar hij kon niet wachten om de eerste sneeuwvlokjes te zien. Het enige waar hij tegenop keek was het lopen door de dikke witte laag. Met zijn korte pootjes kwam hij er waarschijnlijk nauwelijks bovenuit en hij wilde niet dat dat zijn trainingen zou beïnvloeden. Hopelijk ligt er in het Duistere Woud geen sneeuw, dan kan ik gewoon nog doorgaan!

Trainen met Hazenoor vond Vliegpoot echt geweldig. Ze was aardig, geduldig en duidelijk. Hij had verwacht dat een Duistere Woudkrijger heel erg streng zou zijn, geen fouten zou tolereren en je gewoon zou slaan als het mis ging. In het echt was het allemaal lang niet zo erg. De kraamkamerverhalen waren volledig onjuist. Het Duistere Woud was gewoon gevuld moet goedhartige katten die verkeerd waren begrepen. Ze waren er gestopt door hun fouten, maar er werd nooit gekeken naar de reden waarom. Als je het mij vraagt, zit de echte duisternis gewoon tussen de sterren. Wat ook klopte als je ’s avonds naar de hemel keek.

Opeens stak een kat zijn hoofd in het leerlingenhol. ‘Ben je er klaar voor, Vliegpoot? Het is weer tijd om te gaan trainen!’

Vliegpoot sprong onmiddellijk overeind. Hij kon niet wachten om Schervenklauw te laten zien wat hij vannacht weer had geleerd! Hopelijk kan ik weer tegen Lindepoot of Lijsterpoot, dan ga ik ze keihard inmaken! Sinds hij voor het eerst van ze had gewonnen, had hij ook niet meer verloren. Wat de twee leerlingen ook probeerden, Vliegpoot wist altijd wat terug te doen. Het bracht veel frustratie op, maar dat boeide Vliegpoot niet meer. Niet van die twee, in ieder geval.

‘Heb je een beetje goed “geslapen”?’ vroeg Schervenklauw grijnzend.

Vliegpoot knikte glimlachend. ‘Zeker! Je zal dadelijk vast wel zien waar ik over gedroomd heb!’

Schervenklauw snorde geamuseerd. ‘Laten we maar snel doorstappen dan, de rest wacht al op ons!’

De kleine kater zuchtte. Hij had nu al geen zin in Meidoorntaks opmerking als ze weer eens de laatste waren. Die kater pakte elke kans die hij kreeg om Vliegpoot en Schervenklauw de grond in te boren. En natuurlijk deed zijn leerling vrolijk mee. Ik heb misschien niet echte ouders gehad, maar ik ben tenminste goed opgevoed. Daar kunnen ze allemaal nog wel wat van leren!

Snel trippelden de twee katten door het woud. Door zijn lichte gewicht had Vliegpoot gelukkig weinig last van de gevallen bladeren en kon hij zonder echt goed op te letten verdergaan. Misschien kwam het ook wel door de nieuwe techniek die hij van Hazenoor had geleerd vannacht. De bladeren zijn mijn nieuwe beste vrienden geworden, dacht Vliegpoot grijnzend. Ik zal de rest eens laten zien wat ik er ermee kan!

‘Kijk eens aan, het werd tijd!’ bromde Rafelpoot toen de twee katten bij de open plek kwamen. Het was precies zoals Hazenoor had voorspeld in zijn droom. De krijgers hadden een grasveldje gekomen, die bedekt was met bladeren, zodat de leerlingen ermee zouden kunnen oefenen. Zijn poten begonnen enthousiast te tintelen. Hij raakte steeds meer zelfverzekerd. Hij zou dit gevecht echt gaan winnen! Hij stak zijn staart in de lucht, om de wind te voelen. Er stond een kalm briesje, niet te hard en net niet te zacht. Perfect gewoon!

‘Ben je net pas uit je nest?’ snoof Meidoorntak afkeurend, wijzend naar het plukje mos dat nog kleefde aan Vliegpoots vacht. ‘Als je zo lang blijft slapen iedere keer, word je natuurlijk nooit krijger, hè.’

Vliegpoot draaide zich beschaamd om en viste het groene snel tussen zijn haren uit. Schervenklauw had hem expres laten uit laten slapen, vanwege zijn avondtrainingen. Helaas wist de rest daar natuurlijk niet van, waardoor ze Vliegpoot alleen nog meer begonnen te minachten. Maar als ik ze laat zien hoe goed ik ben geworden, zullen ze vast anders denken! Dan zullen ze respect voor me hebben! dacht hij hoopvol.

‘Vliegpoot boekt anders meer vooruitgang dan jouw leerling, Meidoorntak. Misschien helpt het als je Rafelpoot eens laat uit slapen, die kater heeft zijn rust nodig’, gromde Schervenklauw geïrriteerd.

‘Ik heb geen rust nodig! Ik ben niet zo klein en zwak als Vliegpoot, ik kan het allemaal wel aan!’ pufte Rafelpoot trots.

Schervenklauw snoof niet overtuigd. ‘We zullen het wel zien in het gevecht.’

‘Eigenlijk zat ik eraan te denken om Rafelpoot en Vliegpoot bij elkaar te gooien. Die twee kunnen wel een lesje samenwerken gebruiken’, miauwde Dillenaald. Vliegpoot rolde met zijn ogen. Alle leerlingen van de HemelClan konden wel een lesje samenwerken met hem gebruiken, misschien zouden ze dan eens zien dat hij echt niet zo nutteloos was… Gelukkig ziet Venkelpoot mijn potentie wel in. Oh, was zij maar hier!

‘Wat?!’ riep Rafelpoot verbaasd uit. ‘Pap, dat doe je me toch niet aan! Ik wil met Kuifpoot! Dat hadden we al afgesproken!’

Dillenaald snoerde hem de mond met een zwiep van zijn staart. ‘Ik ben hier niet voor niets gekomen. Ik wil zien hoeveel vooruitgang mijn kits hebben geboekt en de vorige keer kon je een goede oefening samenwerken wel gebruiken, dus doe zoals ik zeg.’

Rafelpoot trok zijn oren naar achteren en gromde binnensmonds, maar durfde niet meer tegen zijn vader in te gaan. Vliegpoot haalde zijn schouders op. Voor hem maakte het toch niet uit met wie hij samen ging. Niemand wilde hem, en hij wilde alleen Venkelpoot. Hoe dan ook zou hij teleurgesteld zijn geweest. Maar wie weet doet Rafelpoot wat aardiger als we samen hebben gewonnen. Heel, heel misschien…

‘Oké, van Naaldpoot weten we in ieder geval dat ze niet heel behendig is. Dus met snelheid kan je haar goed te pakken nemen’, fluisterde Schervenklauw in Vliegpoots oor.

‘En Kuifpoot is snel in één richting, maar zodra hij moet wenden, moet hij altijd even schakelen. Hij kan moeilijk remmen’, viel Vliegpoot hem bij. Hij hief zijn kin trots op. Van Hazenoor had hij enkele dagen geleden huiswerk gekregen en dat was om zijn medeleerlingen te bestuderen en dat had hij dus ook gedaan. Nu wist hij precies hun zwaktepunten, maar ook hun sterkere kanten.

Schervenklauw knikte goedkeurend. ‘Goed opgemerkt!’ prees hij zijn leerling.

‘Neem jullie plaatsen’, beval Dillenaald vanaf de zijkant. Zijn ogen waren extra scherp op Rafelpoot gericht, maar ook keek hij af en toe naar Naaldpoot. Ondanks dat hij strengheid uitstraalde, zag Vliegpoot toch het vurige trots in zijn ogen branden. Hij kreeg een brok in zijn keel door zijn verdriet. Havikster was nog nooit bij een training wezen kijken, die kon alleen maar boos worden op hem. Hij had gewoon nooit een ouder gehad die zo trots op hem was geweest. Hij had gewoon nog iemand gehad die speciaal bij zijn training was komen kijken voor hem.

‘Laat mij gewoon al het werk doen, oké?’ bromde Rafelpoot nors. ‘Dan hebben we tenminste nog iets van een kans.’

‘Zorg jij maar dat je uit mijn buurt blijft, dan zal ik er wel weer voor zorgen dat we winnen’, gromde Vliegpoot terug.

‘Dat je van Lijsterpoot en Lindepoot kan winnen, betekent niks’, snauwde de leerling opnieuw. ‘Je bent niks vergeleken met de oudere leerlingen! Wij zijn veel groter en sterker.’

‘En ik ben kleiner, slimmer en sneller’, zei Vliegpoot knarsetandend.

‘Start!’ miauwde Dillenaald toen duidelijk.

Onmiddellijk duwde Rafelpoot Vliegpoot aan de kant en stortte zich op zijn twee tegenstanders. Grommend klauterde Vliegpoot overeind, maar hij schudde de klevende bladeren nog niet van zich af. Hij had ze juist nodig.

Als een eekhoorn die tussen de takken door glipte, schoot Vliegpoot tussen de poten van de leerlingen. Door de bladeren was zijn vacht extra glad en kon hij gemakkelijk onder Naaldpoot komen. Direct spande hij zijn spieren aan en zette zich krachtig af. De poes schoot helaas niet de lucht in, maar viel wel om door de plotselinge pijn.

‘Ahh, jij stomme rat!’ spuugde Naaldpoot, terwijl ze hem met haar poten klappen gaf. Maar Vliegpoot gaf niet om. Hij klampte zich aan haar vast en bewerkte haar buit met zijn achterpoten.

Uiteindelijk beukte Kuifpoot in zijn zij en rolde Vliegpoot enkele staartlengtes door de gevallen bladeren.

‘Ik dacht dat je ze wel aankon!’ spuugde hij naar Rafelpoot.

De donkerbruine kater wierp zich snel op Naaldpoot voordat zijn zus zich kon herpakken. ‘Het ging goed, totdat jij je ermee ging bemoeien, Bladervlieg!’ snauwde hij.

Vliegpoot klemde zijn kaken geërgerd op elkaar. Maar genoeg Rafelpoot nu. Kuifpoot was zijn volgende probleem. De oudere leerling sloop dreigend naar hem toe. De grijs gevlekte kater zette zijn schouders op en slingerde zijn staart uitdagend heen en weer. Ik ga dus echt niet de eerste poot uitslaan, dacht Vliegpoot. Laat hem maar komen.

En zo deed Kuifpoot precies waar Vliegpoot op hoopte. De grijze leerling stormde op hem af, maar Vliegpoot was her klaar voor. Hij duwde met zijn poten zoveel mogelijk bladeren naar voren en met zijn staart veroorzaakte hij een golf. Kuifpoot probeerde verschrikt te remmen, maar door de vele bladeren die Vliegpoot voor zijn poten had geduwd, gleed hij door en werd hij verblind. Vliegpoot schaterde het uit van het lachen toen Kuifpoot hard tegen een boom aan knalde. Vervolgens sprong hij triomfantelijk op hem en gaf Kuifpoot een paar flinke meppen, al wist iedereen dat de strijd al gestreden was.

Terwijl Kuifpoot met flinke koppijn bleef zitten, rende Vliegpoot terug naar Rafelpoot en Naaldpoot. Op hetzelfde moment werd Rafelpoot juist door zijn zus de lucht in gelanceerd, waardoor het weer één tegen één werd. Vliegpoot strekte zijn poten even en trok met zijn oren. Naaldpoot was misschien zo sterk als een leeuw, maar ook zo sloom en onhandig als een pasgeboren kit. Met heel veel schijnbewegingen, rende Vliegpoot zigzaggend op haar af. Naaldpoot leek niet meer te weten waar ze haar poten moest zetten. Haar klauwen schraapten over de bladeren, opzoek naar grip. Vliegpoot lachte grimmig. Probeer je niet tegen de bladeren te verzetten, maar glijd met ze mee, hoorde hij Hazenoor weer zeggen. En dat deed hij dus. Hij gleed van de ene kant snel door naar de andere. Naaldpoot gromde gefrustreerd en sprong uiteindelijk naar hem toe, maar door haar gekruiste poten, viel ze neer. Vliegpoot gleed over het bladerdek naar haar toe en drukte haar hoofd stijf tegen de grond aan, terwijl hij op haar lichaam op en neer sprong. Hij had gewonnen! Het boeide hem niet dat hij haar pijn deed, dat had ze verdiend. Hij zou haar eens laten zien hoe sterk hij was!

‘Oké, oké, genoeg!’ snauwde Naaldpoot. Vliegpoot sprong snel van haar af en ze klom gefrustreerd overeind. Zo snel als de bliksem stak ze haar poot uit en gaf hem een harde klap tegen zijn wang.

‘Auw!’ gilde Vliegpoot in hoog stemmetje.

Kuifpoot snoof lachend. ‘Je klinkt als een poesje.’

Vliegpoot gaf zijn borst snel wat beschaamde likjes. Maar waarom schaamde hij zich eigenlijk? Naaldpoot en Kuifpoot hadden verloren, zij waren de degenen die zich moesten schamen!

‘Zo kan ‘ie wel weer’, bromde Dillenaald gauw. ‘Je moet niet je woede om het verlies afreageren op Vliegpoot, dat verdient hij niet.’

Schervenklauw gromde instemmend. ‘Je zou hem juist moeten respecteren voor het feit dat hij jullie allemaal heeft weten te verslaan.’

Rafelpoot fronste en stak zijn staart hoog de lucht in. ‘Hij heeft mij helemaal niet verslagen!’

Schervenklauw keek hem droogjes aan. ‘Jij deed ook niet echt mee in het gevecht.’

Rafelpoots mond sloot snel weer en hij keek de lichtgrijze kater gekwetst aan.

Meidoorntak trippelde vlug naar zijn leerling. ‘Ho ho, zonder Rafelpoot had Vliegpoot nooit gewonnen. Als Rafelpoot er niet was geweest, was er niemand om Naaldpoot af te leiden terwijl Vliegpoot korte metten maakte met Kuifpoot!’

Schervenklauw snoof afkeurend. ‘Oh, alsjeblieft zeg, Vliegpoot heeft al het werk gedaan tijdens dit gevecht!’

Doornstip voegde zich ook bij de discussie en ging naast Meidoorntak staan. ‘Dat klopt misschien, maar dit was een samenwerkingsopdracht. Vliegpoot gaf Rafelpoot niet eens de kans om wat te doen!’

‘Niemand deed hier aan samenwerken! Waarom kunnen jullie niet gewoon toegeven dat Vliegpoot het uitzonderlijk goed gedaan heeft?’ siste Schervenklauw woest.

Dillenaald stapte snel tussen de drie katten in, voordat het pas echt oververhit werd. ‘Ik moet toegeven dat ik erg onder de indruk ben van Vliegpoots vooruitgang. Hij maakte echt goed gebruik van zijn omgeving, en dat loonde. Ik weet niet wat jullie dachten, maar ik wilde de leerlingen laten trainen met het territorium in Bladval, want moeten ze duidelijk nog leren. Maar gefeliciteerd, Vliegpoot, je mag trots op jezelf zijn.’

‘Voortaan hoef je alleen niet op iemand te blijven springen’, spuugde Naaldpoot boos.

‘Of iemand tegen een boom aan te duwen. Hou een beetje rekening met je Clangenoten’, gromde Kuifpoot.

Vliegpoot rolde met zijn ogen. Waren ze serieus? Rekening houden met je Clangenoten? Hadden ze dat zelf ooit gedaan? ‘Och, konden jullie het allemaal niet aan? Wie is hier nu de zwakkling, hm?’

Naaldpoot trok haar klauwen in en uit. ‘Wacht maar kleintje, ooit zul je mijn gewicht boven je voelen. Vandaag had je geluk, maar wat ga je doen als de bladeren weg zijn? Ik kijk uit naar Bladkaal en de sneeuw, eens zien of je je dan nog zo makkelijk kan bewegen. Zou je dan nog steeds zoveel praatjes hebben?’

Rafelpoot kwam sissend naast zijn zus staan. ‘Ik wilde zeggen dat we ons niet moesten verlagen tot zijn niveau, maar het is gewoon onmogelijk om zo klein te worden’, grijnsde de kater vals.

Vliegpoot voelde hoe zijn klauwen vochten om uitgetrokken te worden. Hij wilde de haren uit hun lijf trekken, hij wilde zijn tanden in hun vlees boren, maar ook wilde hij gewoon hun respect. En hij zou keer op keer van hen winnen. Hij zou hen vernederen en kleineren, zoals ze met hem deden. Als hij eenmaal leider was zouden ze wel anders piepen.

Naaldpoot knikte instemmend met haar broer mee. ‘Wij zijn gelukkig niet naar zo’n irritant rotbeest vernoemd. Deze overwinning van jou duurt maar één hartslag, Vliegpoot, maar wij zullen ons hele leven lang winnen met onze naam. Kom, laten we gaan!’

Rafelpoot lachte hardop met zijn zus mee. Het klonk alsof een eekhoorn was gestikt in zijn nootje. ‘Zoem! Zoem! Zoem! Haha!’

Vliegpoot gromde gefrustreerd. De wind duwde de bomen boven hem samen en er viel een schaduw over zijn lichaam heen. ‘Jullie zijn gewoon jaloers! Maar laat dit een waarschuwing zijn!’ riep hij hen na. ‘Jullie zullen nooit meer van mij winnen!’

Kuifpoot trippelde achter Rafelpoot en Naaldpoot. ‘Wij hebben allang gewonnen, Vliegpoot’, snoof hij over zijn schouder heen. ‘Wij hebben tenminste een moeder.’

Opeens verliet een aanvalskreet Vliegpoots mond voordat hij het zelf door had. Zo woest als een storm, rende hij op Kuifpoot had. Hij sprong omhoog en landde vol de nek van de grijze kater. Met zijn klauwen ontbloot, boorde hij zich in Kuifpoot lichaam en reet het aan stukken.

‘Ga van me af, irritant beest!’ snauwde Kuifpoot met op elkaar geklemde kaken.

‘Ga van hem af!’ riep Naaldpoot boos mee. Maar Vliegpoot liet niet los. Hij zou niet loslaten voordat Kuifpoot dood was. Woedend beet hij in Kuifpoots nek en boorde zijn nagels dieper in zijn nek, totdat hij bij zijn staart werd gepakt en achteruit werd gesleurd. Naaldpoot slingerde hem de lucht in, waarna hij nog een klap kreeg van Rafelpoot. Pijnscheuten schoten door Vliegpoots lichaam als bliksemstralen, maar hij trok zich er niks van aan. Als een vis uit het water, spartelde hij wild heen en weer. Overal waar het kon, deelde hij klappen uit. Hij leek wel een doorgedraaide hond.

Uiteindelijk werd hij tegen de grond gedrukt. Zijn botten kraakten als dorre bladeren. ‘Nu weet je eindelijk wie de terechte winnaar is’, siste Naaldpoot in zijn oor.

‘Hé! Klaar ermee!’ Schervenklauw rende op de katten af en duwde Naaldpoot snel van Vliegpoot af. ‘Wat dachten jullie wel niet? Stelletje vogelbreinen!’

Doornstip sprong gauw naar haar leerling toe. ‘Schervenklauw! Ken je manieren! Zo ga je niet om met een leerling!’

Schervenklauws nekharen schoten overeind. ‘Als zij zo omgaat met mijn leerling, kan ze het terug verwachten!’

‘Maar Vliegpoot begon!’ grauwde de donkerbruine poes. ‘Hij verdiende het. Naaldpoot probeerde Kuifpoot alleen maar te beschermen. Ze werkten samen, was dat niet het doel van deze hele training?’

‘De training was al over’, spuugde Schervenklauw.

‘Je bent nooit klaar met trainen’, kaatste Doornstip terug. ‘Ik ga dit bij Havikster melden, dit gedrag van Vliegpoot moet aangepast worden – en misschien ben jij niet de beste kat om dat te doen.’

‘Wat?!’ riep Vliegpoots mentor. ‘Als er één geschikte kat in de HemelClan over is, ben ik dat wel. Rot toch in het Duistere Woud, Doornstip.’

‘Ik vind dit ook te ver gaan. Als Vliegpoot ooit krijger wil worden, moet hij leren dat dit gedrag niet kan. Hij is veel te op-vlieg-end’, snorde Meidoorntak. Meteen keek de kater om zich heen en de drie leerlingen begonnen overdreven hard te lachen, waardoor zijn blik meteen weer opklaarde.

Schervenklauw snoof afkeurend. ‘Hoe durf je iets te zeggen over een voorbeeldige krijger als je zulk kittengedrag vertoond? We kunnen dit prima zelf oplossen, Havikster is nergens voor nodig.

‘Ik denk ook niet dat we Havikster moeten belasten met leerlingendrama, hij zal vast zijn tijd beter willen besteden’, bracht Dillenaald in.

Meidoorntak en Doornstip keken hem droogjes aan. Vliegpoot klom voorzichtig overeind en zette een stap richting Schervenklauw. Meer durfde hij niet te doen. Hij had het gevoel dat als hij nog één haar verroerde, hij niet meer de enige doorgedraaide hond zou zijn.

Schervenklauws haren stonden rechtovereind. Er leek bijna stoom uit zijn oren te komen, maar Vliegpoot wist dat het alleen maar kwam door de verdamping bij het ademen. Toch had hij zijn mentor nog nooit zo gespannen gezien. Als Doornstip of Meidoorntak nog één woord zeiden, zou zijn mentor waarschijnlijk echt in ijsscherven breken. Misschien kwam daar zijn naam vandaan.

Uiteindelijk draaide Doornstip zich om. ‘Je mag praten wat je wil, ik ga naar Havikster toe en er is niks wat je ertegen kan doen.’

Schervenklauw krulde zijn lippen, maar zei niks meer. Als hij nu nog wat zou zeggen, zou het alleen maar erger worden. Hij keek naar zijn leerling en wenkte met zijn staart, waarna hij vervolgens weg trippelde.

Vliegpoot haastte zich achter zijn mentor aan. Heel even wilde hij voorstellen om gewoon weg te lopen. Hij wilde Haviksters woede niet over zich heen krijgen, en hij wilde het Schervenklauw niet aandoen. Maar toch wist hij dat hij Venkelpoot en Mirrehars niet zomaar kon achterlaten. Daarbij moesten de oudsten toch een paar fatsoenlijke katten in de Clan houden, toch?

‘Het spijt me, Vliegpoot’, mompelde Schervenklauw. ‘Het spijt me dat je in zo’n afgrijselijke Clan bent geboren. Dit is niet de HemelClan van mijn jeugd. Dit is de HavikClan van het Duistere Woud!’

De kleine kater haalde zijn schouders op. ‘Ik boei niet zo om de naam van mijn Clan zolang jij, Venkelpoot, Mirrehars en de oudsten er maar zijn. Jullie zijn mijn Clan.’

Schervenklauw glimlachte zwakjes en legde zijn staart op Vliegpoots rug. ‘Oh, wat ik ervoor zou geven om die Clan op te richten! Wat een rust! Wat een vrede!’

‘Ik zeg: we gaan ervoor! De Clan van Vliegende Scherven zal over het hele meer heersen!’ snorde Vliegpoot luid.

Schervenklauw bleef hem even liefdevol aankijken. ‘Weet je dat ik zo trots op je ben? Al dat getreiter van die leerlingen, daar zit je elke dag mee opgescheept, maar toch laat je het je niet kleineren. Het geeft je juist motivatie om nog beter te worden. Dat is een fantastische eigenschap, Vliegpoot, eentje die je moet koesteren. Er zijn nog veel katten die van je kunnen leren. Waaronder ik… Ik was nu ook niet bepaald de beste kat.’

Vliegpoot gaf zijn borst een paar verlegen likjes, zijn oren werden warm door de complimentjes. ‘Maar die kat is nu verleden tijd. Dat kan je nu gewoon vergeten en achter je laten!’

Schervenklauw zuchtte en wendde zijn kop af. ‘Dat is moeilijk als elke dag in de Clan een constante herinnering is aan je fouten. Er zullen een paar katten zijn die me nooit van hun leven zullen vergeven.’

‘Bedoel je mijn vader?’ vroeg het donkergrijze katertje aarzelend.

De lichtgrijze kater kneep zijn ogen stijf samen. ‘Ja…’, gaf hij ademloos toe. ‘Maar ook Grijsschemer, Harpijvleugel … Kloofhart e-en je moeder.’

Vliegpoot kreeg een brok in zijn keel. Wist hij zeker dat er geen blad vastzat in zijn longen? ‘M-Mijn moeder? E-En Kloofhart?’ vroeg hij verbaasd en angstig tegelijk.

Schervenklauw knikte pijnlijk. Nog nooit had Vliegpoot zijn lichtblauwe ogen glazig zien worden. ‘Als ik terug in de tijd kon gaan had ik mijn fout tegenover Sinteldauw zo graag goedgemaakt. En Kloofhart… Z-Zij is je tante, wist je? Zij was Sinteldauws zus.’

Vliegpoots mond viel open van verbazing. ‘Kloofhart? Maar ze heeft er nooit wat over gezegd!’

‘Het doet haar waarschijnlijk te veel pijn om erover te denken. Je moeder betekende veel voor de Clan, haar dood is een litteken geworden die we altijd zullen blijven zien – en voelen. Zij…’ Het kostte Schervenklauw steeds meer moeite om verder te gaan, dat kon Vliegpoot wel zien aan zijn blik.

‘Zij is de reden waarom de HemelClan uit elkaar is gevallen?’ probeerde hij zijn mentors zin af te maken.

Weer keek Schervenklauw hem even stilletjes aan, maar hij knikte toen. ‘Zij was het plakkerige hars die ons bij elkaar hield. Zij was onze hoop, ons licht, ons zonnetje in het kamp. Oh, ze was zo lief, Vliegpoot. Ze rook naar rozen en boterbloemen, ze rook naar kalmte en zoetigheid. Ze rook naar vertrouwen. Heel haar leven probeerde ze iedereen te plezieren, maar toen…’

‘Toen wat?’ Vliegpoots poten jeukten met nieuwsgierigheid. Hij moest alles van zijn moeder weten, elk detail van haar leven. Hij moest begrijpen van wie hij vandaan kwam. Hij moest begrijpen waarom de HemelClan zo gebroken was geworden.

‘Nee, het spijt me, Vliegpoot’, miauwde Schrevenklauw schor. ‘Ik heb al te veel gezegd.’

Vliegpoot duwde boos zijn klauwen in de grond, het zachte gekraak van de bladeren reflecteerde precies hoe hij zich voelde vanbinnen. ‘Waarom zegt iedereen dat? Hoe kan dat überhaupt? Ik weet niks van mijn moeder – niks! Hoe kan ik te veel weten? Ze was mijn moeder! Ik verdien het om haar te kunnen begrijpen! Weet je niet hoe eenzaam het voelt in onwetendheid? Ik kende haar misschien niet, maar voor mij is ze overal. Ze schuilt achter elke boom, ademt in mijn oren en krult haar staart om mijn hart. Ik mis haar en ik weet niet eens wat ik mis. Ik hield van haar, maar waar hield ik dan van? Ik huil om haar, maar mijn tranen vallen in een meer, onzichtbaar door de andere tranen, omdat ik niet weet waar ik om huil - of om wie. Ze is mijn moeder, maar ik weet niet wie ze is. Ik zou alles geven om haar te leren kennen.’

Voordat hij het wist, stroomden de echte tranen over zijn wangen. Hopeloos keek hij naar zijn poten. Het was alsof alle emoties als een waterval uit hem vielen. Weer voelde hij zijn hart van steen. Hoe kon hij verdriet voelen als hij niet eens wist om wie hij verdrietig was? Had hij dan wel het recht om verdrietig te zijn? Als kitten had hij zijn moeder soms wel ingebeeld en met haar geprobeerd te praten. Hij had haar nodig, om over het gepest van de andere jongen te komen. En zij was er voor hem geweest. Ze was er altijd voor hem geweest, maar toch was ze er niet.

Schervenklauw drukte zich dicht tegen hem aan en krulde zijn staart stijf om hem heen. Zo zachtjes als een vallende veer, snikte hij de tranen weg. Misschien kwam daar zijn namen zijn, niet door gebroken woede, maar door gebroken verdriet. ‘Oh, Vliegpoot, ooit zal ik je alles vertellen, maar dat kan ik nu nog niet. Maar ik zal er aan werken. Ik zal alles doen om jou de waarheid te laten zien. Dat verdien je. Nee, meer dan dat. Je verdient de hele wereld. En ik zal dat aan je geven.’

Maar Vliegpoot maakte zich los van zijn mentor. ‘Maak geen beloftes die je niet kunt nakomen’, miauwde hij terwijl hij zijn ogen dichtkneep. Zijn wangen waren zo doorweekt als zijn vacht na een regenbui. ‘Iedereen wil me altijd alles vertellen, maar ze doen het nooit.’

‘Ik snap dat het moeilijk is, Vliegpoot’, zuchtte de lichtgrijze kat. ‘Maar je moet begrijpen dat geheimen soms de meest dodelijke klauwen kunnen hebben. Als die geheimen naar buiten zullen komen, zal de HemelClan verwoest worden.’

•~•~•✩•~•~•V•~•~•✩•~•~•

Na een lang ommetje gemaakt te hebben, strompelde Vliegpoot terug naar het kamp. Hij had even afscheid genomen van Schervenklauw om alleen te zijn en zijn hoofd te luchten. Hij wilde zich alvast voorbereiden op de straf van Havikster die zou volgen. Wat zou zijn vader nu weer gedacht hebben? Als er iemand snel de klauwen zou uittrekken, was hij het wel, dus mocht hij eigenlijk wel boos worden?

Met slepende poten trippelde het kleine katertje door de doorntunnel. Hij had het gevoel alsof de takken rond zijn lijf wrongen en hem lieten stikken. Maar waarom had hij het zo benauwd? Het was niet alsof hij bang was voor de straf. Zijn leven kon toch niet veel erger dan dit.

Zonder enig woord te spreken tegen wie dan ook, liep Vliegpoot stug door naar Haviksters hol. Wie weet zou Havikster eens medelijden hebben. Wie weet zou hij zich eindelijk als een vader gedragen. Wie weet zou hij eindelijk eens van Vliegpoot houden, niet hem haten. Het grijze katertje zuchtte. Wie hield hij ook voor de gek? De haat in zijn vaders ogen was het enige wat Vliegpoot ooit van hem had gezien. Havikster wilde hem weg hebben, maar toch hield hij hem dichtbij. Vliegpoot had geen idee waarom. Maar hij wist dan ook weinig, want niemand wilde hem ooit wat vertellen.

Hij sprong in de boom en klom omhoog. Heel even keek hij het kamp rond. Harpijvleugel strompelde naar de prooihoop, gevolgd door Grijsschemer. Kloofhart zat met Vederzang te praten voor het krijgershol en Gerststeel leunde tegen de zwangere Appelsneeuw aan voor de kraamkamer. Het zag er zo vredig en rustig uit. Het zag eruit als een echte Clan. Maar eigenlijk waren ze gewoon gebroken. Iedereen hield een groot geheim voor hem verborgen. Vliegpoot voelde het aan elke haar op zijn vacht. Maar als hij de reden was dat ze gebroken waren, was hij dan ook niet degene die ze weer bij elkaar kon brengen? Als ze me eindelijk eens alles zouden zeggen, dan kan ik hun oplossing zijn, niet hun ondergang.

‘Pap?’ vroeg Vliegpoot onwillig. Hij had hier zo geen zin in.

Havikster keek op uit zijn nest. In het begin waren zijn ogen zo donker als zijn vacht, maar zodra hij Vliegpoot weer zag, begon het vuur te branden. Vliegpoot slikte even. Wat had hij zijn vader ooit aangedaan? Geeft hij mij de schuld voor Sinteldauws dood?

‘Daar ben je eindelijk’, gromde Havikster kortaf. ‘Zorg drie dagen voor de oudsten en Appelsneeuw. Je krijgt geen training voorlopig. Hopelijk zal dat je leren je klauwen thuis te houden. Je hebt al genoeg verradersbloed in je, zorg dat het daar ook blijft.’

Vliegpoot fronste gekwetst. ‘Verradersbloed?’

‘Maak dat je wegkomt uit mijn hol’, gromde Havikster.

Vliegpoots mond viel meteen dicht en hij draaide zich zuchtend om. Was hij verdrietig? Was hij verbaasd dat zijn vader zo tegen hem deed? Eigenlijk niet. Dit was zo ongeveer precies wat hij in beeld had gehad.

Toch liep de kleine kater met een kleine glimlach weg op zijn kleine pootjes. Wat had Havikster gedacht? Dat dit een straf was? Hij vond het hartstikke gezellig bij de oudsten en Appelsneeuw deed ook nog normaal tegen hem. Daarbij zou hij in de avonden nog steeds met Hazenoor kunnen trainen. Wat was hier erg aan? Dit was eerder een geschenk dan een straf, maar dat mocht hij Havikster natuurlijk niet laten merken.

Grijnzend pakte hij een kleine muis van de prooihoop. Was Venkelpoot ergens? Dan kon hij bij haar gaan zitten. Helaas was zijn vriendin nergens te vinden. Schervenklauw hield zich ook afgezonderd van de rest en Mirrehars was te druk bezig in haar hol waarschijnlijk, dus moest Vliegpoot het maar weer alleen doen. Hij ging voor het leerlingenhol liggen en boorde zijn tanden in het vlees, maar voordat hij een smakelijke hap kon nemen, werd hij onderbroken door hard gelach. Aan de overkant van het kamp zaten de anderen leerlingen met elkaar. Ze straalden stuk voor stuk. Ze leken zo gelukkig samen. Vliegpoots poten begonnen te jeuken. Hij wilde naar hen toe. Hij wilde zich ook mengen in de groep. Hij wilde ook lachen. Maar hij wist dondersgoed waar hij niet welkom was.

Een kleine wolk schoof voor de zon, waardoor er een schaduw over hem viel. Nog nooit had hij zich zo buitengesloten gevoeld als nu. Iedereen om hem heen had het gezellig. Ze hadden allemaal iemand om mee te praten. Vliegpoot had niemand op dit moment. Hij kon niet gewoon ergens gaan zitten en meepraten. Hij was niet zoals de rest. Al die tijd had hij gedacht dat het lag aan zijn kleinte en zijn zwakheid. Daarom had hij zo hard getraind, om zichzelf te bewijzen. Om te laten zien dat hij ook op hun niveau zat. Hij had gedacht dat het hem zou helpen. Hij had gedacht dat ze hem nu wel zouden accepteren. In plaats daarvan was het alleen maar erger geworden. Nu was hij een dreiging. Het stukje muis bleef in zijn keel vastzitten en zijn mond werd droog door zijn besef. Ik zal er nooit bij horen. Wat ik ook doe. Hun respect zal ik niet krijgen.

6. Zoem zoem zoem, hij wordt jullie doem doem doem[]

Vliegpoot rukte zijn poot snel uit de modder voordat het zou vast komen te zitten. Met zijn korte poten was het moeras een stuk gevaarlijker, maar hij was niet bang. Als hij zou verzuipen in de modder, zou hij gewoon wakker worden in zijn nest. Echt, had het Duistere Woud überhaupt nadelen? Vliegpoot vond het geweldig hier. Hij voelde zich zo op zijn gemak in de stille duisternis. Ondanks dat er niet veel katten waren, voelde hij zich nooit alleen. Hij voelde zich thuis.

‘Vliegpoot!’ snorde Hazenoor terwijl ze een poot uitstak om hem uit de modder te trekken. ‘Ik zei toch dat je de volgende keer er omheen moest lopen?’

De kleine kater glimlachte. ‘Je zei ook dat ik een uitdaging niet uit de weg moest gaan!’

‘Dat is zeker waar. Ik ben trots dat je het blijft proberen in ieder geval’, lachte de poes. Ze hees Vliegpoot aan de kant en hij schudde de modderstukken uit zijn vacht. ‘Ben je klaar om er weer tegenaan te gaan?’

‘Altijd!’ grijnsde de grijze kater. ‘Ik heb gisteren geen training gehad vanwege die straf, dus ik heb energie voor tien!’

Hazenoor spinde luid. ‘Goed om te horen. Vandaag denk ik dat we gaan werken in de bomen. Als HemelClankat zal je dat goed uitkomen. De oudere krijgers zullen erg onder de indruk zijn als je die rattenkop van een Rafelpoot uit de boom weet te krijgen. We gaan gewoon net zolang door totdat je Steenpoot één op één kan verslaan! Dan zullen ze wel anders tegen je praten!’

Plots verzwakte Vliegpoots glimlach toen hij terugdacht aan zijn partnergevecht met Rafelpoot. Toen had hij iedereen weten te verslaan, maar het had niet geholpen. Zou iets überhaupt ooit helpen?

‘Wat is er?’ vroeg Hazenoor bezorgd toen ze zijn gezicht zag.

Vliegpoot haalde somber zijn schouders op. ‘Ik… Ik weet gewoon niet of vechten wel de juiste oplossing is om geaccepteerd te worden’, gaf hij toe. ‘Ik kan meer dan de helft al verslaan, maar ze haten me daar juist alleen maar meer door lijkt het wel.’

Hazenoor knikte begrijpend. ‘Daar heb je misschien wel gelijk in. Ik had altijd het ongeluk dat wat ik ook probeerde, mijn broer bleef altijd beter dan ik. Ik kon hem gewoon nooit verslaan. Ik bleef zijn schaduw. Bij jou is gewoon de jaloezie van anderen het probleem. Ik weet niet of het ooit beter zal worden, Vliegpoot, maar je moet ook niet alleen geven om de leerlingen. Dadelijk ben je krijger, dan pas zullen de andere krijgers je ook opmerken. Geloof me, die zullen je vaardigheden wel weten te waarderen.’

De kleine kater hief zijn kin op. Hazenoors woorden hadden hem een stuk optimistischer gemaakt. ‘Oké dan, laten we meteen beginnen! Hoe eerder ik krijger ben, hoe beter!’

‘Goed zo’, snorde de poes. Daarna begonnen de twee meteen. Hazenoor liet hem zien hoe hij zo snel als een WindClankat door de takken kon zoeven. Door zijn kleinte stootte hij niet eens zo vaak zijn kop en kreeg hij het redelijk snel onder de knie. Alle extra training had ervoor gezorgd dat zijn beenspieren nu best sterk waren, waardoor hij eindelijk zijn HemelClanbloed kon waarmaken. Niemand zal dadelijk nog durven te zeggen dat ik geen volwaardige HemelClankat ben!

Uiteindelijk besloten de twee even rust te nemen. Er was helaas niks om te eten tijdens hun pauze, maar Vliegpoot was ook helemaal niet zo hongerig. Nog een voordeel van het Duistere Woud! dacht hij glimlachend.

Plots stapte er een lichtbruin gespikkelde kater uit de struiken. Vliegpoot voelde zijn mentor meteen een beetje verstijven.

‘Dus dit is je nieuwe leerling?’ mompelde de Duistere Woudkat. Het leek niet alsof hij onder de indruk was. Wacht maar, nadat hij ziet wat ik kan, zal hij wel anders denken!

Hazenoor knikte. ‘Vliegpoot, dit is Luipaardsprong, hij was vroeger een HemelClancommandant. Althans, dat zegt hij dan.’

Luipaardsprong snoof. ‘Het is zo, Hazenoor. Vraag maar aan Buizerdduik en Steentand.’

De poes wuifde hem weg met zijn staart. ‘Oh, alsjeblieft zeg, die zitten hier al zo lang, op hun herinneringen vertrouw ik echt niet meer.’

De gespikkelde kater rolde met zijn ogen en boorde zijn klauwen zachtjes in de aarde uit irritatie. Hopelijk beginnen ze geen hele discussie, dacht Vliegpoot. Ik wil graag verder trainen!

‘Waarom zit je hier?’ vroeg Vliegpoot om snel het onderwerp te veranderen.

Luipaardsprong haalde zijn schouders op. ‘Waarom zit elke kat hier? Ik heb slechte dingen gedaan, hè. Beetje moord hier en daar, niks heftigs. SterrenClankatten zijn gewoon hele erge emotionele konijnen die daar niet tegen kunnen.’

‘Waarom doodde je katten dan?’

Opnieuw haalde de kater zijn schouders op. ‘In het leven moet je doen wat je leuk vindt toch? Dat deed ik, maar dat werd niet echt gewaardeerd door de rest. Kon ik er wat aan doen dat ik de smaak van bloed te pakken kreeg. Daarna werd ik gewoon … verslaafd.’

Vliegpoot onderdrukte snel een huiver; hij mocht Luipaardsprong niet laten denken dat hij bang was! Maar toch hoorde hij zijn hart harder kloppen toen hij naar Luipaardsprongs grijns keek en de hongerige blik in zijn ogen zag. Hij leek wel een bloeddorstige wolf!

‘Luipaardsprong was iemand die moorden pleegde voor anderen. Hij zou dan de wraak voor andere katten nemen, zeg maar’, legde Hazenoor uit.

De lichtbruine kater knikte instemmend. ‘Maar ja, wie denk je dat er nu in de SterrenClan zit en wie denk je dathier is terechtgekomen? Natuurlijk verdienden die bloedvrije poten een tweede kans, omdat ze zelf niks hadden gedaan, maar ik had gemoord, dus ik moest hier naartoe. Er is niemand meer hypocriet dan die verdomde SterrenClan!’

‘Maar als katten wisten dat ze bij jou konden zijn voor de-de vieze klusjes, hoe heb je het dan ooit tot commandant geschopt?’ vroeg Vliegpoot verontwaardigd.

Luipaardsprong haalde weer zijn schouders nonchalant op. ‘Gewoon, een bedreiging hier, een bedreiging daar. Niks heftigs. Uiteindelijk wist iedereen wel dat ik geen grapjes maakte, dus ook die angsthaas van een leider werd bang voor me. Oh, angst. Angst is het beste wat er is. Daarom was ik zo goed in jagen. Bloed en angst – je kon het niet voor me verbergen. Ik rook het op boomlengtes afstand al.’

Vliegpoot slikte even. Met wat voor een dassenvos stond hij hier te praten? Plots schoot er een gedachte door zijn voorhoofd. Wat als hij het zo zou doen? Zou hij zo eindelijk het respect krijgen dat hij wilde? Zou hij daarvoor moeten moorden? Dan kan ik echt leider worden. Dan kunnen mijn dromen uitkomen! Maar meteen wist hij dat het nooit zou werken. Bedreigingen zouden niet werken tegen Havikster. Hij zou nooit bang voor Vliegpoot zijn.

‘Maar natuurlijk moest er weer een held of uitverkorene of wat voor een spelbreker dan ook het weer verpesten. Zorg maar dat je de helden uit je leven krijgt, Vliegpoot, dat is de beste tip die ik je kan geven. Zij verpesten alles’, gromde de kater boos, zwiepend met zijn staart.

Vliegpoot hield zijn hoofd schuin. Had hij überhaupt wel een held in zijn leven? Ja, Schervenklauw en Venkelpoot waren zijn helden, maar die zouden hem nooit pijn doen, hoe erg het ook was. Zeker Venkelpoot zou dat zich niet in zich hebben. En voor de rest waren er nu niet echt hele lieve, heldhaftige katten in de Clan, toch? Natuurlijk had je Rafelpoot, Lijsterpoot en de andere leerlingen die graag als held gezien wilden worden, maar dat zouden ze nooit zijn. Zeker niet voor Vliegpoot. Hij zou altijd meer een held zijn als ook maar één van hen.

‘Maar goed, genoeg gepraat!’ miauwde Luipaardsprong toen, zijn vacht uitschuddend. ‘Ik kwam hier om te kijken hoe het met onze enige leerling ging. Zin in een vechtpartijtje, Vliegje?’

Vliegpoots ogen schoten angstig naar Hazenoor. Durfde hij dat eigenlijk echt wel? Wat als Luipaardsprong zijn bloedlust nog niet was verloren en hem gewoon zou vermoorden? Nee wacht, dit is een droom. Als er wat gebeurt, verdwijn ik gewoon.

‘Geen zorgen’, stelde zijn mentor hem gerust. ‘Jij gaat geen enkele uitdaging uit de weg, toch? Luipaardsprong zal je echt niet doden.’

De lichtbruine kater haalde zijn schouders op en haalde zijn tong over zijn snoet. ‘Misschien’, mompelde hij onheilspellend.

Vliegpoot hief zijn kin omhoog en ging stevig staan. ‘Ik wil het je wel zien proberen!’ snoof hij dapper.

Hazenoor knikte hem trots toe en Luipaardsprong lachte geamuseerd. ‘Ik mag jou wel, Vliegpoot. Je bent net een kleine ik.’

De kleine kater glimlachte zwakjes. Was dat een compliment? Of moest hij daar juist niet blij mee zijn? Ach, hij was in ieder geval dapper dan, daar ging het om!

‘Ik geef je tien seconden om je te verbergen in de bomen. Wie weet kan je me nog verrassen, maar dan hoop ik dat je niet bang bent, want angst weet ik zo te vinden… haha.’ Luipaardsprongs ogen glinsterden vol pretlichtjes. Hij genoot hier echt van.

De kleine Vliegpoot knikte en schoot toen weg in de boom. Vlug baande hij zich een weg tussen de takken door. Goed op je pootstappen letten, wel blijven vooruitkijken, vertrouw op de boom. Al Hazenoors voorafgaande woorden stroomden door zijn kop heen.

‘Ik kom eraan, Vliegje!’ hoorde hij Luipaardsprong roepen. ‘Ik hoop dat je klaar bent voor een beetje bloed – of juist veel.’

Heel even voelde Vliegpoot zich onzeker. Wat moest hij doen? Moest hij blijven rennen of zich juist verschuilen? Zijn hart begon sneller te kloppen, maar was het adrenaline of angst? In paniek keek hij om zich heen. Het voelde opeens alsof die takken hem gevangen hielden en zijn lucht langzaam wegnamen.

‘Oh, oh, Vliegje, ik kan je ruiken… Je bent toch niet bang voor me?’ klonk Luipaardsprong op een afstandje.

Vliegpoot klemde zijn kaken op elkaar. Hij was helemaal niet bang voor die bluffer. Luipaardsprong is gewoon een opschepper en irritant, hij kan me niks maken! probeerde hij zichzelf te overtuigen.

Uit het niets begonnen te takken boven hem luid te kraken. De boom brak open en Luipaardsprong viel naar beneden. Vliegpoot klampte zich vast aan de tak waar hij op stond, maar kwam er al snel achter dat dat niet verstandig was. De Duistere Woudkrijger pakte hem al beet voordat hij zijn klauwen uit de schors kreeg. De tanden van Luipaardsprong voelden aan als ijspegels in zijn nek, steeds dieper en dieper. Vliegpoot snakte naar adem. Zou Luipaardsprong hem ooit nog loslaten? Hij hoorde de kater diep snuiven, alsof hij even moest proeven hoe goed het weer voelde om leven tussen zijn kaken te hebben.

Onmiddellijk maakte de grijze kater gebruik van Luipaardsprongs verzwakte greep door zijn afleiding en schopte zijn hele lichaam omhoog. De gespikkelde krijger liet hem verschrikt los.

‘Ik begon al te twijfelen of je het echt niet meer in je had’, grijnsde de kater. ‘Maar het jagen op je maakt het alleen maar leuker. Het jagen was altijd het beste!’

Zonder erbij na te denken sprong Vliegpoot naar beneden. Hij had geen tijd voor Luipaardsprongs gepraat. Hij moest maken dat hij wegkwam!

‘Vlucht, Vliegje, vlucht, ik hoor je toch wel zoemen’, lachte Luipaardsprong.

Plots verstarde Vliegpoot. Hij draaide zich bliksemsnel om en schoot omhoog. Hij zette zich af vanaf de stam en beukte Luipaardsprong aan de kant. Hij zou eens laten zien hoe hard hij kon zoemen! Hij zou het iedereen laten zien! Hij ontblootte zijn tanden en boorden ze in Luipaardsprongs staart. Daarna trok hij er hard aan, waardoor de Duistere Woudkrijger bijna uit de boom viel. Snel trok Vliegpoot hem weer terug en duwde zijn nagels in de gespikkelde vacht. Hij was misschien klein, maar zijn tanden en nagels waren vlijmscherp. Scherp genoeg om te doden, in ieder geval.

Toch was Luipaardsprong twee keer zo sterk als hem, waardoor Vliegpoot de controle verloor en voor hij het wist stonden de ijskoude nagels weer in zijn vacht. Hij schreeuwde het uit van de pijn toen hij zijn vel voelde openscheuren.

‘Luipaardsprong! Luipaardsprong, genoeg!’ Hazenoor vloog de boom in en wierp de krijger aan de kant. ‘Ik wil hem nog wel graag heel houden!’

De lichtbruine kater haalde zijn schouders op en likte het bloed van zijn nagels af. ‘Dit was niks heftigs!’

Hazenoors nekharen schoten overeind. ‘Alles is niet heftig voor jou!’ spuugde ze. ‘Je had je gewoon niet zo moeten laten gaan.’

‘Of Vliegpoot had gewoon niet moeten verliezen’, wierp de kater tegen.

‘Nee, jij schaamde je gewoon omdat een leerling je wist te overmeesteren terwijl jij hier al seizoenenlang traint, dus wilde je wraak nemen. Ik weet heus wel hoe je brein werkt, Bloedspikkeltje.’ Hazenoor schudde haar hoofd en controleerde Vliegpoots brandende wond. ‘Het komt wel goed’, verzekerde ze haar leerling.

Vliegpoot haalde zijn schouders op alsof het niets was. ‘Het doet niet eens pijn’, loog hij. Daarbij zou dit allemaal weggaan als hij wakker werd, dus hoefde hij maar heel even te lijden.

‘Pijn of niet, ik denk niet dat het verstandig is als we nog verder gaan trainen, daarbij komt de zon dadelijk op. Je hebt weer goed gewerkt, Vliegpoot!’ prees ze hem.

‘Je bent inderdaad niet verkeerd’, snorde Luipaardsprong. ‘Zodra je ook eens wat bloed over je tong voelt rollen, zou je ook best een klein monstertje kunnen worden volgens mij. Het moet alleen nog een beetje in je naar boven komen, maar dat komt wel. Soort kent soort, geloof me.’ Hij lachte grimmig en keek Vliegpoot vol interesse aan. ‘Neem je die mentor van je ook weer eens mee? Ik wil nog weleens een herkansing tegen hem.’

Vliegpoot knikte. ‘Ik zal kijken of ik hem meekrijg.’

Hazenoor schudde snel haar hoofd. ‘Niet doen hoor. Schervenklauw hoort hier niet echt meer thuis. Luipaardsprong weet gewoon dat hij eindelijk kan winnen nu Schervenklauw wat afgezwakt is.’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Vliegpoot verbaasd. Schervenklauw kon alles! Hij hoorde echt wel in het Duistere Woud!

‘Schervenklauw is gewoon zijn motivatie van vroeger verloren. Hij zit niet meer in een wedstrijd met zijn broer, hij zit eerder in rouw. Ik wil niet zeggen dat liefde slecht is, maar het heeft hem wel verzwakt. Je mentor is gewoon niet meer hoe hij vroeger was – wat niet per se heel erg is’, vertelde Hazenoor.

‘Weet je waardoor het komt?’ vroeg Vliegpoot. Misschien was Hazenoor degene die hem eindelijk antwoord kon geven op al zijn vragen. Zij had tenslotte alles vanuit de hemel kunnen bekijken.

Maar voordat Hazenoor haar mond kon open doen, steeg er een mist op vanuit de duisternis die hem langzaam omhulde. Oh, kom op zeg! dacht Vliegpoot woest. Hij boorde zijn klauwen in de moerassige grond van Duistere Woud, maar voelde het al snel veranderen in het zachte mos van zijn nest. De volgende keer… De volgende keer eis ik alle antwoorden. En ik zal ze krijgen, want zo niet… Een beeld van Luipaardsprong sprong tevoorschijn in zijn hoofd. Zo niet, dan had hij andere manieren waarop hij het zou krijgen.

✩✩✩

Vliegpoots ogen vlogen direct weer open. Ondanks dat hij ontiegelijk moe was, wist hij dat hij al op moest staan. Die straf is nog lang niet zo slecht, dacht hij grijnzend. Wat Havikster er ook mee had proberen te bereiken, het is hem niet gelukt!

Vlug stond hij op, maar meteen voelde hij de vurige pijn door zijn lijf schieten. De geur van bloed vulde zijn neusgaten. Met grote ogen keek Vliegpoot naar de wond in zijn zij. De snee van Luipaardsprong! Het is nog niet weg! Zijn nekharen schoten in paniek overeind. Hoe kon hij deze wond ooit verklaren aan de rest van de Clan?

Snel trippelde hij het leerlingenhol uit en ging onmiddellijk naar Mirrehars. Hoe eerder de wond genas, hoe beter. Want als het ontstoken zou worden, dan was hij nog verder bij het krijgerschap vandaan.

‘Mirrehars?’ vroeg hij toen hij het hol binnenstapte.

‘Ik ben hier!’ riep de medicijnkat. Snel stapte ze achter een struik vandaan en liep naar hem toe. ‘Wat is er aan de poot?’

Vliegpoot wees met zijn staart naar de wond. ‘Dit prikt een beetje’, miauwde hij.

Mirrehars’ ogen werden rond met bezorgdheid. ‘Hoe heb je deze nu weer gekregen? Het was toch niet één van de leerlingen? Eerlijk zijn, Vliegpoot.’

De kleine kater schudde zijn kop. ‘Nee, ze hebben me niks aangedaan. Tijdens het jagen kwam ik vast te zitten in een braamstruik en toen ik vrij wilde komen, sneed er een doorn door mijn huid helaas.’

De bruine poes vernauwde haar ogen, waarschijnlijk wist ze wel dat Vliegpoot niet echt de waarheid sprak. ‘Nou vooruit, ga maar even zitten, dan pak ik de juiste kruiden.’ De medicijnkat draaide zich om en trippelde terug naar haar verzameling achter de struiken.

Ondertussen ging Vliegpoot rustig liggen. Hij kende het medicijnhol best goed. Hij was hier al zo vaak geweest. Wat kwam doordat hij zich zo erg thuis voelde bij Mirrehars. De afgelopen tijd was hij echter zo druk bezig geweest met zijn training, dat hij de loyale poes was gaan verwaarlozen. Hij wist dat hij zich niet per se schuldig hoefde te voelen. Mirrehars zou het wel begrijpen, toch? Hij was aan het opgroeien, hij werd zelfstandiger. Dit hoorde er allemaal bij. Hij kon zich niet meer gedragen als een kleine, verlegen kit die zich telkens verschool achter zijn moeder. Hij moest zoals Schervenklauw zijn, onverschrokken.

Mirrehars kwam snel weer terug en smeerde wat spul over Vliegpoots wond. ‘Ik snap nog steeds niet hoe een braamstruik dit heeft gedaan. Je zult voorlopig maar even wat rustiger aan moeten doen. Ik wil niet dat het dadelijk weer begint met bloeden of dat je toch nog een infectie krijgt. Ik zal Schervenklauw vragen om het meer bij theorie en kamptaken te houden.’

De grijze kater sprong verschrikt op. ‘Nee, Mirrehars! Dat kan je niet maken! Ik kan het niet rustiger aandoen, zodra deze straf voorbij is, moet ik weer hard werken om de andere leerlingen bij te blijven! Ik wil niet altijd de zwakkeling blijven… Ik wil niet altijd de irritante vlieg zijn, waar niemand wat aan heeft.’

De bruine medicijnkat zuchtte. ‘Ik snap het, misschien is de wond wel genoeg geheeld als je straf over is, maar toch moet je Schervenklauw wel vragen om een beetje rekening ermee te houden!’

Vliegpoot grijnsde meteen van blijdschap. ‘Bedankt, Mirrehars! Heel erg bedankt! Ooit zal ik je belonen voor al je goede daden, beloofd.’

Haar donkerblauwe ogen versomberde en ze schudde haar hoofd langzaam heen en weer. ‘Dat hoeft niet, Vliegpoot. Beschouw dit maar eerder als het verlossen van een schuld… Ik had al veel eerder moeten ingrijpen hier. Een medicijnkat is meer dan alleen kruiden en visioenen. Een medicijnkat moet dapper zijn en vechten voor zijn Clan. Ik deed dat echter alleen maar in de schaduwen. Zodra de bomen weken en het zonnelicht op mijn vacht straalde, veranderde ik in een hoopje as. Ik was weg te blazen met één zwiep van een staart… Ik–’

Vliegpoot legde zijn staart op haar rug voordat ze verder kon gaan. ‘Het is oké, Mirrehars. Iedereen maakt zijn fouten. Wat er ook is gebeurd, het is niet jouw schuld.’ Hij staarde naar zijn poten en liet zijn kop hangen. Natuurlijk had hij graag meer willen weten over Mirrehars’ fouten. Alle beetjes geschiedenis waren meegenomen, misschien kon hij dan uiteindelijk wel de puzzel oplossen en zijn antwoorden krijgen. Maar hij hoefde op dit moment niet het verleden te weten. Schervenklauw, Mirrehars, iedereen kreeg pijn als ze aan vroeger dachten. Wilde hij het wel weten als het zoiets vreselijks was? Stiekem was hij best wel bang voor de antwoorden op zijn vragen. Hij had gezien hoe het Schervenklauw had vernietigd om erover te praten, en hij wilde absoluut niet hetzelfde voelen. Hij wilde gewoon geaccepteerd worden in zijn Clan en weten hoe hij dat kon bereiken. Dat was alles.

‘Heb je wat muizengal voor me?’ vroeg hij om de pijnlijke, maar rustgevende stilte te verbreken.

Mirrehars knikte. ‘Ik zal het voor je halen’, miauwde ze, haar stem schor door het verdriet dat op haar vacht drukte. Vliegpoot gokte dat de poes gewoon even wat tijd nodig had om zichzelf te vergeven. Zoals meerderen in deze vervloekte Clan.

De bruine poes kwam terug met wat mos en de gal. Inmiddels trok Vliegpoot zijn neus niet meer op bij het ruiken van de geur. Het voelde voor hem vertrouwd. Het was een teken dat hij zijn vrienden weer kon bezoeken en kon genieten van zijn rust en hun verhalen. Het was iets wat hem al heel zijn leven blij had gemaakt. Mirrehars was immers niet de enige die hij een beetje stil had laten staan. Schervenklauw had geen tijd meer genomen om Vliegpoot kamptaken te laten uitvoeren, zodat hij bij kon blijven met de andere leerlingen, maar daardoor had hij de oudsten al lang niet meer gesproken. Zouden Esdoornlicht, Jaagpsprong en Distelkrul blij zijn met zijn komst? Misschien kon hij weer nieuwe informatie over zijn moeder winnen!

Snel trippelde Vliegpoot het kamp door, op weg naar het oudstenhol. Zijn vacht prikkelde door zijn enthousiasme en zodra hij zijn hoofd door de ingang stak, werd hij met drie warme glimlachjes verwelkomt.

‘Ah, daar is onze kleine krijger’, lachte Distelkrul.

Esdoornlicht stootte hem aan. ‘Klein is hij niet meer’, snorde ze. ‘Je bent echt gegroeid, Vliegpoot!’

Jaagsprongs snorharen trilden geamuseerd. ‘Zelfs ik kan met mijn slechte ogen nu je spieren zien. Je werkt duidelijk hard tijdens je trainingen!’

Vliegpoot stak zijn borst fier vooruit en liet de mos en de gal uit zijn mond vallen. ‘Ik doe mijn best’, miauwde hij.

Distelkrul knikte goedkeurend. ‘Jij wordt later een uitstekende krijger en je gaat gelukkig nog steeds respectvol met ons om, niet zoals die rattenjongen van Kikkerplons en Krekelsprong. Echt waar, die nieuwe generatie weet niet van discipline! Wij zijn de enigen die nog wat manieren bijbrengen. Het is maar goed dat jij en Venkelpoot ons nog weleens opzoeken, zodat jullie breinen niet vergiftigd raken.’ Distelkrul duwde zijn nagels stevig in aarde en krulde zijn staart uit frustratie.

Esdoornlicht mompelde instemmend. ‘Het is niet alleen die nieuwe generatie, het is geen van alle! Ik vind nog altijd dat we gewoon een machtsgreep moeten plegen, maar deze twee zijn te lui.’

Distelkrul stak zijns taart snel in de lucht. ‘Niet lui! Gewoon te zwak en met te weinig. Daarbij denk ik niet dat de Clan ooit zou willen luisteren naar drie oudsten. Die plegen direct weer een machtsgreep terug!’

‘Mijn hulp hebben jullie anders!’ grijnsde Vliegpoot. ‘En die van Schervenklauw en Venkelpoot waarschijnlijk ook wel!’

Jaagsprong glimlachte. ‘Kloofhart, Vederzang, Appelsneeuw, Gerststeel, Mirrehars en misschien Populierloof zelfs ook wel!’

Toch schudde Distelkrul weer zijn kop. ‘Dan moeten we het nog steeds tegen Dillenaald, Meidoorntak, Havikster en alle anderen opnemen. Als we niet in de meerderheid zijn zullen we nooit winnen.’

Esdoornlicht snoof. ‘Pessimist.’

Distelkrul hief zijn kin op. ‘Ik beschouw mezelf eerder als een realist.’

Jaagsprong slaakte een zucht. ‘Oké, zo is het wel weer genoeg.’

‘Genoeg?’ Esdoornlicht keek hem verontwaardigd uit. ‘We zijn pas net begonnen met de discussie! Waar is de Jaagsprong die nooit opgaf voordat hij zijn doel had bereikt?’

De bruine kater boog bedroefd zijn kop. ‘Die is achtergebleven in het krijgershol.’

De oudere poes bromde boos. ‘Sinteldauw zou teleurgesteld in je zijn geweest.’

Meteen schonk haar holgenoot haar een waarschuwende blik, maar Vliegpoot spitste meteen zijn oren bij het horen van zijn moeders naam. ‘W-Was ze ook zo’n doorzetter?’ Zelf vond hij dat hij ook best wat doorzettingsvermogen had. Zou hij dat van zijn moeder geërfd hebben? Hij hoopte het.

Jaagsprong knikte langzaam. ‘Ze zette zich vooral extra hard in voor Varenspikkel, waar ze verliefd op was. Als hij bij je moeder in de buurt kwam, maakte het niet uit hoe moe of chagrijnig ze was, Sinteldauws humeur sloeg meteen om alsof er niks aan de hand was. Soms lokte ik Varenspikkel ook weleens expres naar haar toe, zodat ze goed zou werken en een nog een betere krijger werd.’

Vliegpoots mond viel open van verbazing. ‘Z-Zou hij dan niet misschien mijn vader kunnen zijn?’ Alles was zoveel beter dan Havikster als ouder, alles.

Esdoornlicht legde haar staart meelevend op zijn rug. ‘Nee, helaas was Varenspikkel al een lange tijd voor jouw geboorte vermoord door een zwerfkat of eenling.’

Hij staarde beteuterd naar de grond. ‘Oh.’

‘Zeg, Vliegpoot’, begon Distelkrul snel. ‘Zou jij misschien wat eten voor ons kunnen halen? Niemand heeft nog aan ons gedacht vandaag.’

De kleine grijze kater knikte somber en strompelde het hol uit. Hij had graag nog meer willen weten over zijn moeder. Maar goed, ik weet nu in ieder geval dat ik haar doorzettingsvermogen over heb genomen! dacht hij trots. Ze was vast een fantastische poes.

Hij snuffelde tussen de prooi op de hoop en koos een sappige grote merel uit. De zwarte vogel was vast wel genoeg voor de drie oudsten en ze konden zijn veren ook goed gebruiken voor hun nesten.

Plots kwam zijn vader voor hem staan. Hij had zijn blauwe ogen vernauwd tot spleetjes. ‘Wat hebben die oude eksters je nu weer verteld?’ vroeg hij grommend.

Vliegpoot haalde onschuldig zijn schouders op en gaf zijn poot een lik, alsof alles heel normaal was. ‘Gewoon over hoe Esdoornlicht was als leerling vroeger.’

Havikster bleef hem aanstaren. Hij was duidelijk niet overtuigd door Vliegpoots leugen. ‘Weet je wat?’ miauwde hij. ‘Ik zeg je straf vervroegd op, omdat je zo goed hebt gewerkt. Vanaf nu mag je niet meer bij de oudsten zijn.’

‘Pardon?!’ Esdoornlichts stem weergalmde luid door het kamp. De drie oudsten waren net naar buiten gegaan om nog even van het laatste bladvalzonnetje te genieten. ‘Hoe durf je hem zoiets te verbieden? Wat is dat ook voor een onzinnig iets?’ De poes stampte boos op haar leider af, haar staart zwiepte heen en weer als boomtakken tijdens een storm. ‘Wij zijn de enige die hem nog wat dingen leren! Dit hoort bij zijn discipline! Ik heb nog nooit zoiets doms gehoord als een verbod op het verzorgen voor de oudsten.’

Vliegpoot stapte snel tussen de twee katten in. ‘Ik zorg graag voor ze, pap! Ik vind het echt niet erg!’

Havikster trok met zijn oren. ‘Ik dacht dat jij zo graag een waardige krijger wilde worden? Dan moet je je focussen op trainen, anders bereik je dat nooit.’

Distelkrul gromde, zijn haren schoten overeind. ‘Vliegpoot wordt pas echt een grote krijger als hij discipline en respect leert te hebben!’

‘Hij is klein en zwak! Het enige wat hij nodig heeft is wat spiermassa, als hij naar jullie waardeloze verhalen blijft luisteren, blijft hij zo’n scharminkel insect.’ Havikster strekte zijn poten en ging dreigend over de drie oudsten heen staan. Hij moest even duidelijk maken wie er de baas was.

Vliegpoot voelde tranen opwellen in zijn ogen. Hoe kon een vader dat over zijn eigen zoon zeggen? Hoe gemeen Meidoorntak en Grijsschemer ook waren, ze zouden nooit slecht praten over hun eigen jongen. Waarom Havikster dan wel? Was Vliegpoot dan echt zo’n grote teleurstelling voor de HemelClan? Zag zijn vader dan niet hoe hard hij al had gewerkt, hoe goed hij was geworden?

Esdoornlicht krijste van ergernis en Jaagsprong en Distelkrul vielen haar woest bij terwijl ze tegen hun leider in gingen, maar Vliegpoot wilde het niet meer aanhoren. Hij wilde weg hier. Weg van iedereen. Tranen begonnen over zijn wangen te stromen, maar niemand mocht zijn verdriet zien. Toch wist hij dat hij niet langer meer sterk kon blijven. Als de leerlingen echter zijn druppels zouden zien vallen, zou hij nooit meer hun respect verdienen. Hij zou altijd de huilebalk blijven, zonder enige kans om zijn naam te zuiveren. De kleine kater draaide zich om, veegde snel zijn wangen droog en stormde toen weg. Verderop hoorde hij Naaldpoot, Kuifpoot en de andere leerlingen al lachen, terwijl Jaagsprong juist naar hem riep dat hij niet weg moest gaan. Maar had Vliegpoot een andere keuze? Niets, maar dan ook echt niets zou hem helpen om eindelijk een plekje in de Clan te krijgen. Niets, behalve…

7. Storm in het brein[]

Het gehijg en gepuf dat door de takken heen klonk, deed vogels opvliegen uit hun nesten. Vliegpoot sprong van de ene boom naar de andere boom om te ontkomen aan Steenpoots klauwen. Zijn tegenstander mocht dan misschien bijna krijger worden, maar Vliegpoot zou hem niet laten winnen. Steenpoot was te groot om zich vlug tussen de takken door te wurmen en hij was te zwaar om hoog in de boom te gaan. Vliegpoot grijnsde vals. Hij wist al precies hoe hij de grijze leerling zou gaan inmaken. Hij had het niks voor niks met Luipaardsprong geoefend.

‘Steenpoot! Steenpoot! Steenpoot!’ hoorde hij de leerlingen de grijze kater toe juichen. Vliegpoot gromde bitter. Zij waren gewoon jaloers, omdat hij iedereen al had ingemaakt, behalve Steenpoot. Maar hij hoefde hun acceptatie ook niet meer. Hij wilde gewoon een plekje als krijger in de Clan. De andere katten zouden hem wel respecteren. Zij zouden zijn kracht en inzet zien. Zij zouden hem wel waarderen, toch?

‘Kom op, Vliegpoot!’ riepen Schervenklauw en Venkelpoot in koor. Meteen werd Vliegpoot weer teruggetrokken in het gevecht. Hij schudde zichzelf snel wakker en klom toen hoger de boom in. Hij vond een goed stukje waar er niet te veel takken waren tussen hem en de tak waar Steenpoot op zou springen. Zijn staartpuntje ging enthousiast heen en weer, net zoals zijn hart in zijn keel tekeer ging. Zou dit dan het moment zijn dat hij eindelijk Steenpoot zou verslaan? Dan was hij de beste vechter van alle leerlingen!

Hij sloot zijn ogen en focuste zich op het gekraak dat steeds dichterbij kwam. Als hij nu op zijn ogen zou vertrouwen, zou hij pas springen als het al te laat was. En precies op het moment dat hij de bladeren hoorde ritselen en de boom voelde trillen, liet hij zich vallen. Een grijze flits schoot onder hem door, maar Vliegpoot was net op tijd om de pels vast te grijpen en naar beneden te duwen. Een luide krak brak de tak in tweeën en samen vielen Steenpoot en Vliegpoot naar de grond.

Met een harde plof kwamen de katers op de grond terecht. Trots stak Vliegpoot zijn borst vooruit terwijl hij Steenpoot stevig vasthield. ‘En Vliegpoot is de winnaar!’ schreeuwde Schervenklauw enthousiast.

Venkelpoot sprong meteen snel naar hem toe, haar ogen stralend van geluk. ‘Dat heb je zo goed gedaan! Je bent echt een geweldige vechter!’

Vliegpoot gaf zijn borst snel wat likjes, om zijn bloos te verbergen, en stapte van Steenpoot af. De oudere leerling gromde gefrustreerd en boorde zijn klauwen diep in de grond. Hij mompelde wat lelijke woorden, maar Vliegpoot zat met zijn gedachten in de hemel en trok zich er niks van aan. ‘Bedankt!’ snorde hij tegen Venkelpoot.

‘Dat heb je heel goed en snel gedaan zeg, Vliegpoot’, complimenteerde Dillenaald hem.

‘Dat je Steenpoot uit de boom hebt weten te krijgen met het gewichtsverschil is best knap’, bromde Meidoorntak.

‘Steenpoot had gewoon niet zo onvoorzichtig moeten doen’, siste Sneeuwvos, Steenpoots mentor. ‘We hebben duidelijk nog veel te trainen als hij ooit zijn eindboordeling wil halen. Maar goed gedaan, Vliegpoot. Wie weet haal jij je krijgersnaam wel eerder dan alle anderen…’

‘Wat?!’ riep Naaldpoot uit. ‘Dat mag niet! Dat is zo oneerlijk!’

‘Hij kan niet eens goed jagen!’ wierp Lindepoot tegen.

‘Niet zo jaloers doen’, snauwde Witsnavel. ‘Dan hadden jullie maar beter jullie best moeten doen. Vliegpoot kan jullie stuk voor stuk verslaan, als jullie hetzelfde konden zeggen, dan konden we erover praten.’

‘Belachelijk!’ gromde Rafelpoot.

Vliegpoot grijnsde. Inderdaad, schaam je maar, Rafelpoot. Ik ben je nu al voorbij en ik ben pas veel later leerling geworden. Jullie moeten je allemaal schamen!

Vrolijk trippelde hij naar Schervenklauw toe. Hazenoor had echt gelijk gehad. Hij moest niet te veel meer geven om de leerlingen. Binnenkort was hij misschien wel krijger! En alle krijgers waren zojuist onder de indruk geweest van zijn vechtkunsten!

‘Hey, Vliegpoot, zullen we samen gaan jagen?’ vroeg Venkelpoot hem. ‘Als dat mag van jullie, Schervenklauw en Vederzang.’

Haar grijze mentor knikte. ‘Prima, kom maar terug naar het kamp als jullie allebei twee prooistukken hebben gevangen!’

Vliegpoot keek glimlachend naar zijn vriendin. ‘Dan zijn we binnen één hartslag weer terug hoor!’

Schervenklauw knipperde vriendelijk met zijn ogen. ‘Maak er dan maar drie stukken van’, spinde hij.

‘We beginnen meteen!’ riep Venkelpoot enthousiast. Ze tikte Vliegpoot aan met haar staart en ze spurtte weg, met Vliegpoot achter haar aan denderend.

De twee leerlingen vlogen over de bosgrond als twee blije konijnen. Vliegpoot had zich in tijden niet zo kalm en vrij gevoeld. Eindelijk dacht hij niet meer constant aan de pijn die de leerlingen hem bezorgden, hij focuste zich nu op zijn toekomst, op het krijgerschap. Dan zou hij helemaal geen tijd meer moeten besteden aan dat stel ongedierte.

Plots hield Venkelpoot halt en stak haar staart in de lucht. Vliegpoot volgde haar blik naar een muisje die bij een kleine hazelaar wat aan het eten was. Venkelpoot zakte in haar sluiphouding, haar buik kwam net niet tegen de grond aan, en liep voorzichtig naar voren. Vliegpoot keek aandacht toe, hij bewonderde haar sierlijkheid en geruisloze gesluip. Venkelpoot de beste jager van de Clan, ik de beste vechter, samen zouden we over de gehele HemelClan kunnen heersen! dacht hij grijnzend.

Toen het poesje dichtbij genoeg is, spande ze zichtbaar haar spieren aan en schoot zo snel als de bliksem naar voren. Het muisje schoot weg in de struik, maar Venkelpoot dook er meteen achteraan. De bladeren ritselden even, maar al snel stapte Venkelpoot eruit met prooi tussen haar kaken geklemd.

‘Goed gedaan!’ prees Vliegpoot haar enthousiast.

Venkelpoot legde het dode beestje op de grond en schepte er wat aarde overheen. ‘Dankjewel’, mompelde ze daarna, terwijl ze haar borst wat bescheiden likjes gaf.

‘Je bent echt een hele goede jager’, snorde hij trots.

‘Ach ja, ik moet wat met deze grote oren, hè? Daardoor vind ik een stuk gemakkelijker prooi, haha.’ De lichtbruine poes lachte, maar Vliegpoot merkte de somberheid in haar blik wel op.

Hij ging liggen op de koude aarde onder zijn poten. Er lag dan nog wel geen sneeuw, maar het woud was zich er in ieder geval op aan het voorbereiden. ‘Ik vind het knap hoe je dat kan’, murmelde het grijze katertje.

‘Wat bedoel je?’ vroeg Venkelpoot, terwijl ze naast hem plaatsnam.

Vliegpoot haalde zijn schouders op. ‘Gewoon, zelfspot over je oren. Ik weet dat de andere leerling je er weleens mee plagen.’

‘Oh, nou ja, dat is niks’, glimlachte ze verlegen. ‘Ik moet het maar gewoon accepteren dat ik zo ben, toch?’

Vliegpoot knikte langzaam. ‘Ik zou het nooit kunnen. Zodra één van hen weer een opmerking maakt over mijn kleinte, raast er al meteen vuur door mijn borst.’

Venkelpoot spinde. ‘Ze zijn gewoon jaloers op je, Vliegpoot. Je bent zo’n goede vechter, en ook nog eens jonger dan de rest. Ze kunnen er slecht tegen dat ze telkens van je verliezen. Het zou me niks verbazen als je dadelijk eerder je krijgersnaam hebt dan Steenpoot, Kuifpoot en Arendpoot!’

Een warm gevoel stroomde door zijn aderen en hij verschoof zichzelf wat meer naar Venkelpoot toe. Hij wilde haar zo graag vertellen over zijn avonturen in het Duistere Woud en over de lieve Hazenoor. Maar dat zou hij nooit durven. Venkelpoot zou het nooit goedkeuren dat hij met hen trainde. Ze begrijpt gewoon niet hoe geweldig het is daar, al betwijfel ik ook wel of ze een geschikte kat is voor het Duistere Woud. De Plaats zonder Sterren is voor vechters, niet voor jagers.

‘Ik zou ook wel willen dat ik me er zo goed overheen kon zetten als jij, het zou het leven een stuk makkelijker maken voor me, haha’, miauwde Vliegpoot, starend naar zijn poten.

Venkelpoot sloeg snel zijn staart om hem heen. ‘Wij hebben gewoon geleerd hoe we onze zwaktes kunnen omzetten tot onze sterktes, dat is iets wat zij nooit zouden kunnen doen.’

Vliegpoot glimlachte. ‘Je hebt gelijk’, snorde hij. ‘En jij bent ook een formidabele jageres. Wie had ooit kunnen bedenken dat de twee mislukkelingen van de Clan ook meteen de beste krijgers zouden zijn?’

‘Haha, de beste weet ik niet hoor’, grinnikte Venkelpoot.

Vliegpoot gaf haar een lik over haar wang. ‘Ik wel, dat zijn we gewoon. Jij moet gewoon wat meer zelfvertrouwen krijgen.’

‘En jij moet je gewoon niet zoveel van anderen aantrekken’, vulde ze hem aan.

‘Deal’, lachte Vliegpoot. Venkelpoot knikte akkoord en hij boog zich voorover om haar neus aan te raken. ‘Bedankt dat je mijn vriendin bent, Venkel.’

‘Jij ook bedankt’, mauwde ze. ‘Het voelt altijd gewoon zo fijn om met jou te praten. Dan hoeft het eindelijk eens niet over het krijgersleven te gaan, waar de rest het altijd over heeft. Het is soms even nodig om wat diepere gesprekken te voeren.’

‘Pas op hoor, dadelijk begin je nog zoals Jaagsprong te praten!’ plaagde hij haar. ‘Maar nee, ik begrijp je helemaal. Ik vind onze gesprekken ook altijd erg fijn.’

Uit het niets vielen er opeens een paar bladeren naar beneden. De twee leerlingen keken tegelijk omhoog, precies op het moment dat verschillende katten naar beneden sprongen. Een hinderlaag! dacht Vliegpoot gepanikeerd. Onmiddellijk ontblootte hij zijn klauwen en rolde op zijn rug. Venkelpoot slaakte een verschrikte kreet, maar Vliegpoot gromde juist van woede. Alle lucht werd uit zijn lijf gezogen zodra het zware gewicht op hem landde, toch wist Vliegpoot zijn aanvaller nog snel van zich af te krijgen, doordat hij met zijn klauwen in het lijf boorde en de tegenstander van zich aftrok.

‘Auww!’ krijste de kat. Vliegpoot verstarde, hij kende die kreet. Was dat Naaldpoot? Verblind door woede, ging hij verder. Het maakte hem niet uit wie het was, hij zou wraak nemen, waarvoor dan ook.

Venkelpoot kermde van de pijn, terwijl de twee katten die over haar gebogen stonden, begonnen te schateren van het lachen. Vliegpoot klemde zijn kaken op elkaar en haalde uit naar de andere kat die hem had aangevallen. Lindepoot, dacht hij boos. Dit zal ik hen betaald zetten!

Hij sprong omhoog, brulde en beet de gestreepte kater toen hard in zijn poot. Hij schudde het wild heen en weer, totdat de smaak van bloed op hem terecht kwam. Lindepoot rolde op zijn rug, schreeuwend.

‘Vliegpoot, rustig aan!’ snauwde Naaldpoot terwijl ze hem hard aan de kant duwde. ‘Wij zijn het maar.’

Vliegpoot deed een stap naar achter en spuugde Lindepoots vacht uit zijn mond. Venkelpoot stond wankelend op en haastte zich naast zijn zijde. ‘Waarom zouden jullie dit in SterrenClansnaam doen?’ vroeg Vliegpoot boos, zijn nekharen stonden nog rechter omhoog dan de stam van een boom.

Rafelpoot snoof. ‘Het was gewoon een grapje zeg, zo erg is het nu ook weer niet.’

Lindepoot kwam met behulp van zijn zus overeind. ‘Wacht maar tot Grijsschemer hiervan hoort!’ spuugde hij, terwijl hij zijn bloedende poot nog opgetrokken hield.

Vliegpoot staarde hem boos aan, het puntje van zijn staart bewoog nog steeds wild heen en weer. ‘Dat is volledig je eigen schuld! Wat kon ik anders doen? Dadelijk waren jullie zwerfkatten geweest, dat kon ik toch niet meteen weten.’

‘Jullie hadden gewoon beter moeten opletten, misschien hadden jullie ons dan gehoord. Ik had meer van jou en jouw oren verwacht, Venkelpoot. Je hebt ze toch niks voor niks gekregen? Gebruik ze dan ook’, miauwde Kervelpoot spottend. De andere leerlingen barstten direct in lachen uit.

Vliegpoot boorde zijn klauwen in de grond. Heel zijn lichaam begon te trillen. Hij klemde zijn kaken op elkaar en vouwde zijn oren tegen zijn kop zodat er geen stoom zou uitkomen. Dat ze hem belachelijk maakte om zijn kleinte, dat was irritant, maar daar kon hij mee leven. Dat ze Venkelpoot echter pestte om niks, ging hem te ver. Zonder ook maar te aarzelen, schoot hij weer op ze af. Overal waar zijn poten konden komen, slingerde hij ze naartoe. Het maakte hem niet uit wat hij raakte, als hij maar iets raakte. Gelukkig voelde hij zijn klauwen al over verscheidene pelsen scheuren, totdat hij werd vastgegrepen. Tanden sneden in zijn nekvel. Vliegpoot wilde krijsen, maar zijn gezicht werd hard tegen de grond aan gesmeten.

‘Je denkt toch niet dat je ons allemaal tegelijk aan kan, hè?’ siste Arendpoot in zijn oor. ‘In je eentje ben je misschien sterk, maar je zal ons nooit kunnen verslaan, want wij hebben vrienden, die heb jij niet. Ja, misschien Venkelpoot, maar het is nu niet of die veel waard is.’

‘Laat hem gaan!’ gilde Vliegpoots vriendin. ‘Hij heeft jullie nooit wat misdaan!’

Lijsterpoot snoof. ‘Hij is geboren toch? Dat was al een misdaad op zichzelf.’

Vliegpoot gromde gefrustreerd en probeerde zich uit Steenpoots en Kuifpoots greep te wringen, terwijl Venkelpoot luidop knarsetandde. Ineens hoorde hij Lijsterpoot een kreet slaken en Arendpoot en Lindepoot maakte ook verschrikte geluiden. Was Venkelpoot ze aan het aanvallen?

‘Laat me los!’ hijgde hij. Venkelpoots moedige daad had hem weer de kracht gegeven om in beweging te komen. Hij moest haar helpen!

‘Alleen als je rustig blijft’, snauwde Steenpoot hem toe. ‘Het was gewoon een grapje, jullie maken er weer eens een veel te groot probleem van. Krijg eens een beetje humor zeg, in SterrenClansnaam…’

Langzaam voelde Vliegpoot zijn greep verzwakken en klom hij overeind. Bloed sijpelde uit zijn nek en zijn spieren voelden gescheurd aan, door de gekke houding waarin hij had gelegen. Zelfs als hij zou willen, zou hij Venkelpoot niet echt kunnen helpen. Ondertussen was de bruine poes dan ook allang in een houdgreep gelegd door haar zus. Venkelpoot spartelde nog wild tegen, totdat Vliegpoot naar haar toe stapte en haar met zijn staart kalmeerde. ‘Kom, Venkel, laten we gaan.’

Venkelpoot werd rustig losgelaten en meteen sprong ze overeind. Haar ogen stonden op huilen en zonder een woord te zeggen verdween ze de struiken in. Vliegpoot keek nog even snel achterom en liet zijn brandende blik over de groep leerlingen glijden. Hij wist één ding zeker: ze zouden allemaal boeten.

Daarna schoot hij snel achter zijn vriendin aan, die hij verderop al hoorde snikken. Vliegpoot volgde haar geurspoor – of tranenspoor eerder – en zag er al snel naast een braamstruik zitten. Hij zakte naast haar neer en krulde zijn staart om haar heen. ‘Het is oké’, troostte hij haar.

‘Nee, nee dat is het niet!’ huilde ze. ‘Ik snap zo niet wat jij en ik hen ooit hebben misdaan. Waarom moeten ze ooit zo doen? Grappen over je kleinte zijn al niet oké, maar om te zeggen dat je nooit geboren had moeten worden … dat gaat me gewoon zo veel te ver. En ik zei daarnet nog dat ik dit soort dingen gewoon over me heen liet gaan en me er niks van aantrok… nou lekker is dat.’

Vliegpoot gaf haar een lik over haar oor en drukte zijn wang tegen de hare. ‘Ik ben je in ieder geval erg dankbaar. Je weet pas echt dat je vrienden bent, als je voor elkaar opkomt. En het was ook nog eens ontzettend dapper van je!’

Met haar voorpoot veegde Venkelpoot haar tranen weg. ‘Bedankt’, mompelde ze. ‘Maar het was niks, jij deed ook hetzelfde voor mij daarnet.’

‘Het was zeker niet niks, voor mij betekende het in elk geval veel.’ Met zijn staart trok hij Venkelpoot omhoog. Ondanks haar verdriet, rook de poes nog steeds naar vrolijke bloemen. Hij ontmoette haar blauwgroene ogen en knikte haar bemoedigend toe. Op dat moment wist hij gewoon dat Venkelpoot ooit zijn partner zou worden. Er was toch niemand anders die van hem kon houden. ‘Zullen we terug naar het kamp!’

Zijn vriendin knikte stilletjes, maar zat er duidelijk nog steeds erg over het schandaal van zonet in. Vliegpoot liet haar gewicht op hem rusten en samen trippelden ze op hun gemakje terug naar het kamp. Bloed sijpelde nog vanuit zijn nek richting zijn poot, maar hij durfde het niet van zijn vacht af te likken, want dan zou Venkelpoot waarschijnlijk omvallen.

Een bittere smaak overspoelde zijn mond. Het voelde alsof hij een medicijnkat was met stinkende kruiden in zijn mond. Hij baalde er nog steeds van dat hij de leerlingen niet harder had aangepakt. Was ik maar zo meedogenloos als Luipaardsprong, dan had ik ze eens wat laten zien! Steeds meer broeide de gedachte in hem op dat hij het ze allemaal betaald moest zetten, zeker nu na wat ze met Venkelpoot gedaan hadden. Maar kon hij dat wel in zijn eentje? Vandaag had hem weer laten zien hoe hard hij vrienden nodig had, maar de enige die hem zouden steunen in een gevecht, waren Schervenklauw en Venkelpoot. Daarbij wilde Vliegpoot laten zien dat hij geen hulp nodig had. Zelfs al was hij klein, was dat geen reden om zwak te worden genoemd. Nee, dit was iets wat hij echt alleen moest doen. Alleen had hij geen flauw idee hoe.

Samen liepen de twee katten het kamp in. Zo ongeveer iedereen had zich al verzameld bij de Grote Boom, waar Havikster zat. Schervenklauw maakte zich onmiddellijk los uit de menigte en haastte zich naar de twee leerlingen toe. ‘Vliegpoot! Venkelpoot! Wat zien jullie eruit!’ miauwde hij vol ongeloof. ‘Hebben die andere leerlingen dit gedaan?’

Vliegpoot knikte stilletjes, iets waar Venkelpoot niet eens meer de kracht voor leek te hebben. Ze stond gewoon op instorten.

‘Havikster!’ schreeuwde Schervenklauw boos. ‘Zie je dit? Dit hebben die andere leerlingen hen aangedaan!’

‘Zij vielen ons ook aan!’ spuugde Lindepoot.

Schervenklauw liet zijn vurige ijsblauwe ogen rusten op de jonge leerling, die vlug weer wegkeek. ‘Dat is geen excuus. Acht tegen twee is hardstikke oneerlijk!’

Grijsschemer gromde diep in zijn keel. ‘Oneerlijk of gewoon slim? In een echt gevecht is het ook handiger om met meerderen één kat aan te vallen. Als je het mij vraagt, hebben die acht leerlingen Venkelpoot en Vliegpoot zojuist een goede test gegeven, waar ze veel van konden leren.’

Schervenklauws nekharen schoten direct overeind. ‘Nu begrijp ik eindelijk waarom jij geen nobele krijger bent, Grijspoot. Een ware krijger vecht tegen een eerlijke tegenstander, geen makkelijke.’

De glanzende grijze kater ontblootte zijn tanden en vouwden zijn oren plat tegen zijn kop, maar Havikster was net iets sneller met antwoorden dan hij. ‘Elke HemelClankat is een nobele krijger, Schervenklauw. Als jij dat niet denkt, is dit misschien niet de juiste plaats voor jou’, zei de leider bot.

Schervenklauw staarde zijn broer lang en boos aan. Zou Schervenklauw echt de Clan gaan verlaten nu? dacht Vliegpoot angstig. Het bleef nog even stil en katten begonnen onrustig tegen elkaar te fluisteren. Uiteindelijk keek de kater weg, maar hij zei nog steeds geen woord.

‘Dat dacht ik al’, miauwde Havikster voldaan. ‘Ik denk dat het goed is dat Venkelpoot en Vliegpoot leren dat ze harder moeten worden. Zwakkelingen overleven het niet in deze wereld.’ Vliegpoot voelde zijn vaders blik op hem branden toen hij het over zwakkelingen had. De kleine grijze kater kon niks anders doen dan zijn vader ongelovig aankijken, terwijl een vuur langzaam in hem ontwaakte.

‘Dus ze krijgen helemaal geen straf?’ vroeg Vederzang verbaasd. ‘Kijk wat ze hebben aangericht!’

‘Ik ben er anders ook niet heelhuids vanaf gekomen!’ snauwde Lindepoot.

‘Jij begon er ook mee’, beet Vederzang hem toe.

‘Stilte!’ brulde Havikster, voordat er een grote discussie zou uitbreken. ‘Ik heb mijn beslissing al gemaakt, Vederzang. De leerlingen krijgen geen straf. Het was misschien geen goede grap, maar het was een nuttige les in mijn ogen, waar iedereen van heeft geleerd. Als ze het niet nog eens doen – niet zo schadelijk dan – is er niks aan de hand.’ Vliegpoot schudde stilletjes zijn hoofd. Als ik het was geweest die anderen had laten schrikken en had aangevallen, had ik sowieso een veel heftigere straf gekregen.

Ook Venkelpoot liet haar ergernis openlijk merken. ‘Dit slaat nergens op! Je weet niet eens wat ze gedaan hebben! Wat ze gezegd hebben! Je kan ze niet ongestraft laten gaan, Havikster!’

De zwarte kater klemde zijn kaken op elkaar, zichtbaar geïrriteerd. ‘Als een paar woorden je al pijn doen, moet je geen krijger worden’, bromde hij.

Venkelpoots mond viel open van verontwaardiging. Vliegpoot zag de tranen alweer opwellen in haar ogen, maar zodra hij naar haar toe stapte, stormde ze boos weg, het oudstenhol in. Vliegpoot besloot achter haar aan te gaan, maar werd gestopt door een luide stem.

‘Dat dacht ik niet, Vliegpoot’, gromde Havikster. ‘Jij hebt een verbod op het bezoeken van de oudsten, weet je nog?’

Vliegpoot ontblootte zijn klauwen. Een flits van Luipaardsprong schoot voor zijn ogen en hij moest zich inhouden om ook niet zijn tanden te ontblootten. ‘Waar slaat dat op? Ik krijg straf voor het verzorgen van de oudsten waardoor ik ze nu niet meer mag zien, en de leerlingen verwonden Venkelpoot en mij en die komen ermee weg? Je bent zo onredelijk, pap!’

Havikster sprong van zijn tak af en trippelde naar Vliegpoot toe. Hij maakte zich dreigend groot. ‘Heb jij kritiek op je leider?’ Zijn lippen krulden en woede flitste door zijn ogen.

‘Nee’, miauwde Vliegpoot met een vaste stem, al trilden zijn poten meer als een bloem in de wind. Opnieuw voelde tranen weer in zich opkomen. ‘Maar ik heb wel kritiek op mijn vader.’

Voordat Havikster echter wat terug kon zeggen, schoot de kleine kater ervandoor. Zo snel als de bliksem, was hij uit het kamp verdwenen. Vuur raasde door zijn aderen, heel zijn vacht brandde alsof het de zon was en zijn tanden klemde hij op elkaar in de hoop ze te breken. Hij haatte zijn vader, nee de gehele Clan gewoon! Zijn tranen probeerden de vlammen in hem te doven, maar ze verdampte zo snel als dauwdruppels tijdens het ochtendgloren. In volle vaart sprintte hij op het meer af. Zou hij zichzelf erin laten verdrinken? Dat was wat hij er nu voorover had om zijn moeder te zien, om getroost te worden, om haar liefde te voelen. Iets wat Havikster nooit zou doen. Iets wat niemand in de Clan ooit voor hem zou doen.

Hij stormde door het riet en liet zich doen met een harde plof vallen. Hier zou hopelijk niemand hem vinden. Hij krulde zich op en trok met zijn staart het riet over zich heen. Was dit hoe het voelde om vastgehouden te worden? Deed zijn moeder dit vroeger bij hem? Hij miste het gevoel. Hij miste alles. Maar hij haatte ook alles. Een rivier stroomde over zijn wangen. Misschien had hij het meer niet eens meer nodig, in zijn tranen kon hij vast ook verdrinken.

Plots schoot hij overeind toen het koude water zachtjes tegen hem aangolfde. Met een ruk draaide hij zich om en begon spontaan te rillen. Ondanks dat het water eronder nog bewoog, was er toch al een heel dun laagje ijs gevormd aan de oevers. Bladkaal komt wel erg vroeg dit jaar, dacht Vliegpoot somber. Hij was aan het eind van Nieuwblad geboren, dicht tegen het koude seizoen aan. Dat de hele cyclus weer opnieuw begon, gaf hem alleen maar meer verdriet. Dat is hoelang ik al mijn moeder kwijt ben…

Met uitgestrekte poot, drukte hij zachtjes op het dunne ijs. Het brak meteen en hij trok zich snel weer terug, al verspreidde de kou weer over heel zijn lichaam. Toch zorgden de vonkjes in zijn bloed ervoor dat hij snel weer was opgewarmd. Opnieuw voelde hij een bittere smaak op zijn tong, maar deze keer vond hij het juist plezant. Hij wilde de leerlingen niet langer slechts terugpakken, hij wilde nu volle wraak. Hij wilde bloed.

Misschien had Luipaardsprong toch niet zo erg ongelijk gehad als Vliegpoot had gedacht toen de kater had gezegd dat Vliegpoot op een kleine versie van hem leek. Vliegpoot snapte nu precies waar dat idee vandaan kwam. Het ijs mocht dan nu nog wel klein zijn en niet zo sterk, maar het zou groeien en zich verspreiden over het gehele meer, net als Vliegpoots wraak. Als hij de leerlingen nou eens allemaal naar de diepte van het water zou sturen… Als hij ze nou eens allemaal liet verdrinken… Als hij ze nou eens allemaal door het ijs zou laten zakken… Een simpele ‘krak’ kon heel zijn leven redden. Eén simpele ‘krak’ en dan … dan zou hij eindelijk van al het getreiter af zijn.

8. Een gespannen draadje, op het punt van breken[]

Vliegpoot ademde die muffe geur van het Duistere Woud diep in. Een enthousiaste rilling gleed over zijn lichaam. Elke keer als hij hier weer was, voelde hij meteen de adrenaline door zijn lichaam vloeien. Deze keer sterker dan ooit.

‘Vliegpoot!’ Vanuit de verte kwam er een kat naar hem toe gestormd. Ze leek wel een vogel die de grond als haar lucht beschouwde. Hazenoor kwam hijgend tot stilstand naast hem. ‘Het spijt me dat ik zo laat ben. Het Duistere Woud is een levend doolhof, constant aan het veranderen, dus zelfs ik raak hier nog weleens de weg kwijt.’

‘Jij bent vast niet de enige’, grinnikte Vliegpoot.

Hazenoor knikte zelfverzekerd. ‘Daarbij weet ik al snel weer de juiste weg te vinden dankzij mijn snelheid. Je mag blij zijn met zo’n geweldige mentor zoals ik.’

Vliegpoot snorde. Hij wist dat zijn Duistere Woudmentor het spottend bedoelde, maar hij was oprecht blij met Hazenoor. Er was niemand die hem zo goed begreep als zij, en ze stond altijd voor hem klaar. Voor hem was Hazenoor meer een SterrenClankat dan wie dan ook.

‘Dus, waar wil je mee beginnen? Ik zat te denken aan wat jachttraining. Ik weet dat je denkt dat je met vechttraining meer kan bereiken, maar als je jaagtechnieken niet al te best zijn, zullen de leerlingen je daar ook nog mee plagen. Ze zullen elk zwaktepunt van je opzoeken en tegen je gebruiken, daarom moeten we die juist gaan elimineren’, legde Hazenoor uit.

Vliegpoot knikte instemmend, maar hij had andere plannen. ‘Eigenlijk wilde ik wat met je bespreken.’ Hij keek peinzend voor zich uit en schuifelde ongemakkelijk op zijn poten. Waarom was hij zenuwachtig? Hazenoor zou het wel begrijpen toch? Toch?

‘Prima’, zei de grijsbruine poes, haar oranje ogen fonkelden geïnteresseerd. ‘Wat heb je te vertellen?’

‘Zoals ik vorige keer al zei, ik denk niet dat mijn vaardigheden zullen helpen om het pesten te stoppen. De leerlingen zullen altijd grappen over mij blijven maken – en daar ga ik niks aan kunnen veranderen. Nooit. Dat ben ik nu langzamerhand wel in gaan zien. En zelfs al respecteren de ouderen me meer, ik zal altijd nog die honden zoals Grijsschemer en Havikster hebben rondlopen. Iedereen zal blijven proberen om mijn leven zuur te maken. Daarom… Daarom dacht ik eraan om drastischere maatregelen te nemen.’

Hazenoor gniffelde en Vliegpoot keek haar vragend en tegelijkertijd ook een beetje angstig aan. Had hij wat verkeerd gezegd? ‘Sorry, sorry! Ga verder’, miauwde Hazenoor gauw toen ze merkte dat ze hem had laten stoppen.

‘Nou ja, ik weet dat altijd katten in mijn leven zal hebben waarmee ik niet kan opschieten en waar ik niks tegen kan doen. Grijsschemer en Havikster zou ik nooit van mijn leven aankunnen en als Naaldpoot zo blijft groeien, haar ook al niet meer. Daarom moet dit snel gebeuren… Ik wil gewoon de leerlingen betaald zetten voor alles, maar ik wil ook gewoon de gehele Clan pijn doen. I-Ik wil ze vermoorden. Ik wil wraak.’ De kleine grijze kater keek weifelend naar zijn mentor. Wat zou Hazenoor hier wel niet van zeggen? Het kwam er zo stom uit als hij het zo hardop zei…

‘En wat hoe wilde je dat gaan aanpakken?’ vroeg de poes toen alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Vliegpoot keek haar verrast aan. Vond ze het dan echt niet vreemd dat ze daarom er zo nonchalant over deed?

Opnieuw lachte de poes, waarschijnlijk door Vliegpoots verbaasde blik. ‘Wat? Dacht je dat je de eerste kat bent die hiermee komt? Wraak is de enige reden dat katten worden uitgekozen om hier te zijn, Vliegpoot. Dat is wat ons allemaal motiveert, wat ons verbindt.’

‘W-Wilde Schervenklauw ook wraak dan?’ vroeg hij nieuwsgierig.

Hazenoor knikte meteen. ‘Natuurlijk! Maar voor hem bleek dat niet de juiste oplossing te zijn. Ik zeg altijd: zolang de wraak niet fataal is, moet je het ook niet doen. Want als je slachtoffers nog steeds leven, zullen ze je sowieso weer terugpakken. Je kunt er maar beter meteen voor zorgen dat het voor eens en altijd gedaan is.’

‘Maar maakt het me niet slecht?’ Vliegpoot keek naar zijn poten. Zou Venkelpoot hem ooit nog in de ogen durven aan te kijken als ze wist wat hij wilde doen?

‘Je zult slecht zijn in de ogen van de SterrenClan, ja’, legde de poes uit. ‘Maar je kan niet iedereen tevreden houden, toch? Luister, Vliegpoot, ik ga je nergens toe dwingen. Iedereen denkt meteen dat als je hier traint, je slecht moet zijn, maar we hebben genoeg krijgers gehad die hier slechts kwamen voor extra training. De meeste van ons zijn hier omdat we katten hebben teruggepakt. Wij hebben ze laten boeten voor hun daden. In plaats van hen te laten lijden, kozen wij voor een snellere aanpak. Is dat nu zoveel slechter? In mijn ogen zijn ze gelijk in elkaar. Ik wil gewoon dat je weet dat ik je nooit zou oordelen, wat je ook kiest. In mij heb je altijd een vriend.’

Vliegpoot knipperde dankbaar met zijn ogen. ‘Ik zou ook niet weten wat ik zonder jou zou moeten, Hazenoor.’

‘Ach, dat hoor ik vaker’, glimlachte de poes, terwijl ze hem een knipoog gaf. ‘Na alles wat die leerlingen je hebben aangedaan, zou niemand het je kunnen kwalijk nemen – wat je ook met hen doet. Je hebt hier in ieder geval altijd een thuis, bij mij.’

‘Ik zou ook nergens anders willen zijn’, snorde de kleine gestreepte kater. ‘Maar wat als de leerlingen hier naartoe komen? Verdienen zij het niet om naar het Duistere Woud te gaan?’

Hazenoor snoof, een flits van haat schoot door haar ogen. ‘De SterrenClan boeit alleen om daden, niet om woorden, blijkbaar. Het slaat nergens op. Als iemand weet dat woorden soms de scherpste klauwen hebben, zijn wij het wel. Maar laat ze maar. Ik ben blij dat mijn kwelgeesten hier niet terecht zijn gekomen. Laat ze maar lekker wegrotten in de SterrenClan, waar ze niks te doen hebben. Hier is het elke dag een nieuw avontuur! En geen zorgen, als ik die mierbreinen hier zie, zal ik ze direct afslachten.’

‘Als je er ook maar een paar voor mij overlaat!’ grimaste Vliegpoot.

Hazenoor knikte, haar blik was warm en liefdevol, maar schakelde toen over naar serieus. ‘Waar zat je eigenlijk te denken, massamoordenaartje?’

Vliegpoot streek met zijn staart rustig over het gras. ‘Ik wil ze eigenlijk door het ijs laten zakken, allemaal tegelijk. Ze kunnen niet zwemmen, ze zullen verdrinken in de kilte die ze mij al heel mijn leven bezorgen!’

Hazenoor knipperde verrast met haar ogen. ‘Dat is ook een eerste keer dat ik zoiets hoor… zeer goed bedacht, Vliegpoot! Maar ik had ook niks anders van jou verwacht.’

Vliegpoot glimlachte snorrend en boog een tikkeltje verlegen zijn kop, maar hief zijn kin toen snel weer op om zijn fierheid te tonen.

‘Je moet ze alleen wel op het midden van het meer krijgen, daar is het ijs het dunste’, vertelde de poes.

‘Maar hoe krijg ik ze daar dan? Ik weet dat ze zo arrogant zijn als zwanen, maar van binnenin zijn ze eigenlijk een stelletje piepkleine muisjes.’

Hazenoor lachte. ‘Dat is misschien waar, maar wie weet kunnen we hun enorme ego in ons voordeel gebruiken. Wat is hun grootste angst? Om zwakker dan jou te zijn. In de WindClan kennen we het spelletje Pak de Stok. Iemand verstopt hem en de anderen gaan hem dan gooien. Maar het kan ook zijn dat iemand hem gewoon in een rechte lijn voor de anderen uitlegt en dan is het gewoon sprinten er naar toe. De gladheid van het ijs kan ons echter goed uitkomen, want daardoor kan je de stok op het ijs slingeren naar het midden van het meer. Als zij er dan naartoe gaan rennen, kunnen ze niet meer stoppen–’

‘En zo glijden ze zo over het gladde ijs naar hun dood’, maakte Vliegpoot haar zin af.

‘Precies!’ riep Hazenoor enthousiast, haar ogen fonkelden als die van een kit met een mosbal. ‘Het enige wat we moeten doen, is er voor zorgen dat jij eerst gaat – en niet door het ijs zakt. Je moet namelijk wel hun een beetje uitdagen om ze erop te krijgen!’

‘Dit is briljant!’, miauwde Vliegpoot. Zijn vacht vonkte met opwinding. Hij voelde zich net een vogel die voor het eerst kon vliegen. ‘Bedankt voor dit plan, Hazenoor. Voor velen is bladkaal misschien de vijand, maar deze keer is het mijn vriend. Ik zal ze eens een lesje leren, allemaal!’

Hazenoor gaf hem een lik over zijn oor. Vliegpoots nekharen schoten uit schrik een beetje overeind. Hij had niet verwacht dat een Duistere Woudkat zo lief kon zijn. Als kitten hoorde iedereen verhalen over de gruweltrainingen die sommige katten daar kregen en dat het de kilste katten van het woud waren. Hazenoor verbrak echter al die vooroordelen.

‘Ga anders maar gauw terug naar je nest. Ik denk dat je voorlopig al je energie nodig hebt voor dit plan’, zei ze.

Vliegpoot knikte haar toe. ‘Zal ik doen. Ik zal je niet teleurstellen, Hazenoor.’

De grijsbruine poes spinde vrolijk. ‘Dat kan je al niet meer.’

•~•~•✩•~•~•V•~•~•✩•~•~•

Met een duif en een grote eekhoorn, keer de Vliegpoot terug naar het kamp. Het was een zeer succesvolle jacht geweest en Vliegpoots maag rammelde van de honger. Hij legde snel zijn vangst op de prooihoop en staarde er watertandend naar.

‘Als je wil, mag je best wat pakken hoor’, snorde Schervenklauw. ‘Je hebt het verdiend.’

‘Euh, nee dat hoef niet. Ik heb niet zoveel honger’, loog Vliegpoot.

Zijn mentor keek hem scherp aan, maar haalde uiteindelijk zijn schouders op. ‘Prima, rust dan maar wat uit of zo.’ Zelf pakte de lichtgrijze kater wel een mus en trippelde naar Kloofhart om het met haar te delen.

Vliegpoot keek hem verlangend naar. Hij wilde dolgraag eten, maar dat kon hij niet. Hij moest afvallen, anders zou hijzelf ook door het ijs zakken! Hij hield er ook totaal niet van om tegen Schervenklauw te moeten liegen, hij wist gewoon niet of zijn mentor het goed zou keuren wat hij zou doen. Schervenklauw leek zo goedhartig – al wist Vliegpoot ook dat velen daar anders over dachten. Toch durfde hij het risico niet te nemen. Hij wilde hun band niet verpesten, maar hij wilde ook niet zijn eigen plan saboteren. Dit was zijn eigen missie, iets wat hij zelf moest afhandelen. De leerlingen zijn mijn kwelgeesten, niet de zijne.

Hij draaide zich snel weer om en haastte zich het kamp uit. Hoe sneller hij weg was van het eten, hoe minder hij eraan zou denken. Toch voelde hij zich nu al misselijk en zwakjes. Zou hij het wel aankunnen? Zou hij de beste moordenaar allertijden worden, of zou hij juist falen en nooit wat kunnen maken van zijn leven? Vliegpoot koos voor het laatste. De wraak zou hem wel voeden. Daar was hij zeker van.

Plots beukte er iets hard tegen hem aan en werd hij weggetrokken van zijn duistere gedachtes. Vliegpoot keek vluchtig op en ontmoetten meteen de vlammende ogen van Lindepoot.

‘Kijk eens uit waar je loopt, vederbrein!’ spuugde de bruin gestreepte kater.

Vliegpoot wilde eerst achteruit stappen uit schrik voor de woede van de leerling, maar vermande zich snel en deed juist een stap vooruit. ‘Kijk zelf eens uit!’ snauwde hij terug.

‘Ik zag het wel, je deed het expres!’ miauwde Lijsterpoot luid, met haar staart wijzend naar Vliegpoot.

Grijsschemer vernauwde zijn ogen en knikte. ‘Zo zag het er inderdaad naar uit.’

Witsnavel daarentegen slaakte een vermoeide zucht. ‘Ze hadden allebei beter op kunnen letten’, concludeerde ze. ‘Laten we hier niet een al te groot probleem van maken.’

Lindepoot snoof. ‘Die vlieg zorgt altijd al voor grote problemen.’ Daarna liep de kater door met opgeheven kin en beukte toen met zijn schouder nog net tegen die van Vliegpoot aan.

Sissend van boosheid, draaide Vliegpoot zich om en haalde uit naar de leerling, maar Lindepoot was er al op voorbereid en weerde Vliegpoots poot af. Vervolgens sprong hij naar voren en beukte de kleine gestreepte kater omver.

‘Je kan niet altijd winnen, hè?’ grijnsde Lindepoot terwijl hij met ontblootte tanden boven Vliegpoot stond gebogen. De jonge kater voelde de klauwen van zijn tegenstander in zijn huid zinken, maar in plaats van te gillen, klemde hij zijn tanden stijf op elkaar.

‘Wie zegt dat ik al verloren heb dan?’ Vliegpoots amberkleurige ogen flikkerden uitdagend en zonder enig getreuzel, maakte hij zijn achterpoot los, ontblootte zijn klauwen en boorden ze hard in Lindepoots buik. De kater kromp ineen en zijn greep verzwakte, waardoor Vliegpoot hem omver kon duwen en bovenop hem rolde. ‘Onthoud goed, Lindepoot: wie het laatst lacht, lacht het best.’

Uit het niets werd hij bij zijn nekvel gegrepen en enkele staartlengtes verderop gesmeten. Hij krabbelde overeind en zag Grijsschemer zijn leerling overeind helpen. ‘Natuurlijk heeft hij weer hulp nodig van zijn mentor!’ schreeuwde Vliegpoot door het kamp. ‘Jullie zijn allebei niks alleen!’

Met een ruk draaide Grijsschemer zijn kop naar Vliegpoot om en stampte dreigend op hem af. Vanuit zijn ooghoek zag hij echter Kloofhart en Schervenklauw al naar hem toe haastte, dus was hij niet meer echt bang.

‘Wat zei je daar? Jij miezerig stuk vossenstront!’ spuugde Grijsschemer. ‘Zo hoor jij niet te praten tegen een krijger!’

Vliegpoots nekharen schoten overeind. ‘Als je een krijger bent, waarom gedraag je je dan nog steeds als een leerling van Havikster? Vieze meeloper die bent.’

Achter hem kon Schervenklauw kon met moeite een lach onderdrukken. ‘Oef, gedist.’

‘Hou je verdomde leerling eens wat meer onder controle, Schervenklauw!’, snauwde Grijsschemer. ‘Hij moet weten dat dit gedrag niet getolereerd wordt.’

‘Maar waarom zou Schervenklauw willen dat zijn leerling begint te liegen?’ vroeg Kloofhart scherp. Heel eventjes draaide Vliegpoot zijn kop om naar de poes, verbaasd dat ze hem verdedigde. Meestal nam Kloofhart helemaal geen deel in dit soort discussies, ze wilde liever praten over eendjes en kuikens. ‘Als je de waarheid niet aankan, Grijsschemer, gedraag je je niet als een leerling, maar ben je er ook nog eens echt eentje.’

Vliegpoot kon niet anders dan naar haar grijnzen, zodra hij echter weer terugkeek, verstrakte zijn blik onmiddellijk. Maar goed, dat effect had Grijsschemer gewoon op katten.

‘Oh, alsof we hier in deze Clan nog aan waarheid doen. We leven al manen in leugens en iedereen weet het’, grauwde de grijze kat.

Vliegpoot voelde de brandende blik van de krijger zijn vacht in de fik zetten. Waarom had hij zo het gevoel dat Grijsschemer op hem doelde? Ik heb nooit gelogen! Hij wilde inademen, toen hij opeens merkte dat het hartstikke benauwd was om hem heen. Ondertussen had de hele Clan zich verzameld rondom het tafereel en snakte iedereen opeens angstig naar adem door wat Grijsschemer had gezegd.

‘Pas op je woorden daar, Grijsschemer.’ Vliegpoot had even verwacht dat de woorden van zijn mentor kwamen, maar het was juist zijn broer die met een duistere stem sprak. Havikster wurmde zich door de menigte en liet zijn donkere blik op zijn oud-leerling rusten. Heel even sprankelden er hoop op in Vliegpoots ogen. Had zijn vader dan eindelijk door dat Vliegpoot hier niet de plaaggeest was? Hopelijk zag hij dat Lindepoot mij als eerste aanviel en niet andersom!

Maar zodra hij de ijskoude ogen van zijn leider ontmoette, wist Vliegpoot wel weer beter. ‘Maar jij, Vliegpoot, moet dat al helemaal doen. Keer op keer ga je respectloos met je Clangenoten om. Alweer heb je een leerling met ontblootte klauwen aangevallen! Dit gedrag accepteren wij niet in deze Clan, laat dat duidelijk zijn. Je hoort te luisteren naar Grijsschemer, of je dat nu wil of niet. Zeg nu sorry tegen Lindepoot’, bromde Havikster.

‘Maar Havikster–’, begon Kloofhart.

‘Zwijg!’ brulde de leider snel. De poes stapte geschrokken achteruit en was abrupt stil.

‘Maar waarom moet ik sorry zeggen?’ vroeg Vliegpoot boos. ‘Hij begon ermee! Hij ontblootte als eerst zijn klauwen!’ Hij weest met zijn staart naar de plek waar Lindepoots zijn nagels in hem had geduwd.

Grijsschemer keek snel naar Havikster. ‘Vliegpoot lokte het uit! Hij had toen al zijn excuses kunnen aanbieden, maar hij besloot om in de aanval te gaan! Dat is niet echt Clangenoot-vriendelijk vind ik.’

Schervenklauw gromde diep. ‘Oh ja, want jij weet daar veel vanaf wil je zeggen?’

Binnen één hartslag draaide Grijsschemer zijn kop weer om richting de lichtgrijze kat. ‘Weet je, Schervenklauw? Ik ben jou echt zo spuugzat gewoon!’ schreeuwde de kater, terwijl hij dreigend en met rechtopstaande haren op Schervenklauw af liep.

Schervenklauw bleef echter rustig en keek hem kalmpjes aan. ‘Och, dat had ik nog niet door’, miauwde hij sarcastisch.

Grijsschemer ging neus aan neus met hem staan en ontblootte zijn klauwen. Vliegpoot had geen idee of Schervenklauw het gezien had, want die staarde recht in Grijsschemers zielloze ziel. ‘Weet je zeker dat je dat wil doen?’ vroeg Schervenklauw hem uitdagend. ‘Net nadat je zoveel te zeggen had over Clangenoot-vriendelijkheid.’

Woest schraapte Grijsschemer zijn klauwen over de grond en draaide zich om. ‘Het is niet Vliegpoot die u aan moet pakken, Havikster. Het is zijn mentor die dat terrorbeest heeft gemaakt!’

Opeens zag Vliegpoot een helder blauw vuur in zijn vaders ogen ontwaken. Grijsschemer had duidelijk iets gezegd wat Havikster net iets te ver ging. ‘Hou je mond, Grijsschemer’, zei Havikster streng, met een waarschuwende blik in zijn ogen. ‘Ik bepaal zelf wie ik als schuldige aanduid.’ Daarna keerde de donkergrijze kat zich weer naar Vliegpoot. ‘En wat jou betreft, ik dacht dat ik mijn beslissing al duidelijk had gemaakt, dus waarom ga je überhaupt nog tegen me in?’

Vonkjes van vuur spatte van Vliegpoots vacht af toen zijn haren overeind rezen. ‘Omdat jij een hypocriete tiran bent die niet zijn eigen fouten inziet! Niet alles wat je zegt is waar, het is niet slecht om een leider in twijfel te trekken of hem op zijn fouten aan te wijzen! Leer dat eens te accepteren!’

Donkere wolken dreven over het HemelClankamp heen een koud briesje ruiste door de ingang van het kamp. Vliegpoot moest een huiver onderdrukken, maar weigerde zijn blik van zijn vader af te wenden. Hij wilde zelfs niet eens knipperen. Het voelde goed om zijn vader eens op zijn plek te zetten.

Eigenlijk had Vliegpoot allang een weerwoord van zijn vader verwacht, maar Havikster bleef onheilspellend stil. Hij en Vliegpoot staarden elkaar lang aan. Vuur vlamden in hun ogen en duisternis omarmden hen.

‘Mirrehars!’ brulde Havikster toen. ‘Kijk Lindepoots wonden na. Die van Vliegpoot moeten zichzelf maar eens zien te genezen, want daar blijf je vanaf.’ Zijn vader had nog steeds niet zijn ogen van Vliegpoot afgetrokken. Het voelde alsof hij Vliegpoot probeerde te doorboren met zijn blik.

‘Nee’, zei Mirrehars toen. Opnieuw ging er een schok door de menigte. Iedereen merkte de spanning die in de lucht hing. Iedereen voelde het rupsendraadje, waarop ze zich bevonden, trillen. Hoelang zou het duren voordat het zou breken?

Vliegpoot wist zich uiteindelijk zo ver te krijgen om naar de bruin gevlekte medicijnkat te kijken. Zijn ogen schitterden vol bewondering voor haar. Als er iemand dapper was in de Clan, was het Mirrehars wel.

‘Pardon?’ vroeg Havikster grommend. ‘Ik mag hopen dat ik je verkeerd verstaan heb!’

Mirrehars hief haar kin op, ook haar ogen schenen vol met dansende vlammen. ‘Ik heb het zelf gezien. Lindepoot viel Vliegpoot als eerste aan, niet andersom. Daarbij treitert die stomme kat Vliegpoot al manen. Ik weiger zulke vossenharten te behandelen. Als Lindepoot zijn wonden wil zien genezen, kan hij beter naar een andere Clan gaan.’

Havikster sprong van zijn plaats af en maakte zich groot. Hij werd enorm toen hij zijn vacht opzette, hij leek wel een wolf. ‘Jij doet zoals ik je zeg, Mirrehars.’

‘Of anders?’ daagde de poes hem uit. ‘Als je me wil weghebben, weet je de woorden wel te vinden. Succes met het doorkomen van bladkaal in ieder geval. Daarbij heb ik de kruiden niet om Lindepoot te genezen. Hij is al ziek gemaakt door Grijsschemer, die het virus weer van jou heeft gekregen, Havikster. Mijn poten zitten aan elkaar gebonden met klimop, ik kan er niks meer aan doen.’

‘Mirrehars stop!’ riep Harpijvleugel wanhopig. De poes sprong voor haar partner en keek haar met gekwetste ogen aan. Vliegpoot wist dat ze vroeger vriendinnen waren geweest, maar sinds Harpijvleugel zijn pleegmoeder was, was dat allemaal al verpest. ‘Jullie maken telkens Grijsschemer het slachtoffer van het gesprek, maar hij is helemaal niet zo kwaadwillend als jullie allemaal denken! Hij verdient dit niet. Hij wil gewoon het beste voor zijn Clan!’

Harpijvleugel kreeg haast tranen in haar ogen, terwijl Mirrehars niks van emotie toonde. ‘Als je dat echt geloofd over je partner, ben je nog een grotere leeghoofd dan ik dacht. En dan kan ik eindelijk begrijpen waarom je hem in SterrenClansnaam hebt gekozen.’

De grijze poes keek met waterige ogen naar haar ex-vriendin. ‘Je bent een medicijnkat, je hoort geen voorkeuren te hebben!’

‘En toch heb ik die. En zelfs al was Lindepoot je zoon en waren we nog vriendinnen geweest, had ik het nooit over mijn hart kunnen verkrijgen om hem te behandelen. En als Sinteldauw hier nu was geweest…’ Plots begon Mirrehars’ stem te trillen en sloot ze even haar ogen, terwijl Vliegpoot haar juist aandachtiger aankeek bij het horen van zijn moeders naam. ‘Nou… dan was jij er in ieder geval niet meer. Ik snap niet hoe je dit haar kit hebt kunnen laten aandoen. Hij verdiende je bescherming, maar toch verkoos je je eigen vossenjongen boven hem. En zelfs met al je liefde en goede zorgen zijn het drie vervelende haarballen geworden, die Kuifpoot, Steenpoot en Arendpoot, terwijl Vliegpoot juist een zoon is geworden waar zijn moeder trots op zou zijn geweest. Dus vertel me nog eens, Harpijvleugel. Waarom zou ik geen voorkeuren mogen hebben, terwijl jij die duidelijk wel had?’

Grijsschemer ontblootte woest zijn tanden en klauwen. Sissend zoals een snotterige slang, rende hij op de poes af, klaar om haar aan stukken te scheuren. Voordat hij echter bij haar was gekomen, was Schervenklauw al snel voor zijn vriendin gesprongen, met Kloofhart aan zijn zijde. Vliegpoot keek verwilderd de Clan rond en zag Venkelpoot angstig naast haar mentor staan, haar ogen groot en rond. Kiezelsnor versperde gauw de weg voor Meidoorntak toen die zich er mee wilde bemoeien en zo werd het steeds duidelijker wie wiens kant had gekozen in het gevecht. Er was echter nog maar één kat die bleef zitten en de ruzie stilletjes aanschouwde. Populierloof, dacht Vliegpoot geïrriteerd. Waarom deed de Clancommandant nooit wat? Elke ruzie, elke keer als Havikster het fout had, elke keer had Populierloof er wat aan kunnen doen. Daar was een commandant voor! De boodschapper tussen de leider en de krijgers, degene die de rust en vrede in het kamp moest bewaren! Maar nooit stak de lichtbruin gespikkelde kat een poot uit. Het was moeilijk te geloven dat hij de bloedverwant van Mirrehars was. Hij is zwak en laf en verdiend het niet eens om daar te staan! Schervenklauw hoort zijn plek in te nemen! Hij durft tenminste tegen Havikster in te gaan, hij is niet zijn slaafje, zoals Populierloof.

‘Genoeg!’ brulde Havikster. Nog nooit had Vliegpoot zijn vader zo woest gezien – en dat zei wat, gezien dat record toch al een aantal keer al was verbroken. ‘Iedereen uit elkaar! Als iemand nog maar een woord tegen elkaar spreekt vandaag, klauw ik persoonlijk hun oren eraf.’ Daarna draaide de donkergrijze kater zich om en sprong zijn boom in. Vliegpoot schudde zijn kop afkeurend. Dit is toch geen oplossing! Havikster is een verschrikkelijk slechte leider. Als je dan een tiran bent, zorg dan dat je een goede bent!

Vanuit zijn ooghoek merkte hij dat Mirrehars naar hem seinde en wees naar haar hol. Hij knikte haar toe en trippelde snel achter haar aan. Pas toen hij het medicijnhol was binnengestapt, merkte hij in hoeveel spanning zijn lichaam verkeerde. Nu voelde het alsof de stormwolk in zijn lijf eindelijk de bliksem kon loslaten. Vliegpoot haalde diep adem, maar niet van opluchting. Hij was totaal niet opgelucht. De discussie van net had niks opgelost. Het had alleen maar laten zien hoe erg de dingen waren in de HemelClan.

‘Blijf hier maar zitten, dan pak ik vlug de kruiden’, miauwde Mirrehars vriendelijk. Haar stem was nu een stuk aangenamer dan daarnet.

‘Mirrehars, wacht!’ zei Vliegpoot snel. ‘M-Meende je echt wat je net zei? Dat ik een zoon ben waar Sinteldauw trots op zou zijn geweest?’

De bruine poes knikte, haar blauwe ogen glommen door de tranen. ‘Dat weet ik echt zeker, Vliegpoot. Zij was ook niet bang om tegen Havikster in te gaan, en jij hebt zojuist bewezen dat je dat ook niet bent. Jullie delen hetzelfde vuur en dat is maar goed ook. De HemelClan heeft meer katten zoals jou nodig. Alles was gewoon een stuk beter geweest als Havikster er nooit was geweest. Zodra hij commandant werd, veranderde alles. De gehele dynamiek in de HemelClan verschoof. Sinteldauw zag dat in en Schervenklauw ook. We besloten er wat aan te doen… maar we waren niet voorzichtig genoeg.’

‘B-Bedoel je dat je al eens hebt geprobeerd om van Havikster af te komen?’ vroeg Vliegpoot verontwaardigd.

De bruine poes bleef verdacht stil en draaide haar hoofd weg. ‘Ik ben er niet trots op geweest, het voelde als verraad tegenover mijn Clan. Maar nu zie ik in dat, al waren het vroeger misschien egoïstische reden die ik gebruikte, als ik toen was geslaagd, was het in het belang van heel de Clan geweest. Dan waren we nu allemaal een stuk beter af. De strijd lijkt misschien tussen Schervenklauw en Grijsschemer, Meidoorntak en Doornstip te liggen, maar in werkelijkheid gaat het allemaal om Haviksters tegenstanders die zich verzetten tegen de voorstanders. Ze zeggen dat ze het voor de Clan doen, maar ze kunnen zelf gewoon niet in zien wat er nu gebeurt. Ja, Schervenklauw en ik kunnen ook zwijgen, dan kan de vrede misschien weer terugkeren, maar dan zal de HemelClan voor een hele lange tijd in duisternis leven. Wij hebben besloten dat we dat niet wilden. Of het de juiste keuze was? Ik denk van wel, maar dat zal pas echt duidelijk worden wanneer de Clan van Havikster verlost is en de andere krijgers kunnen inzien wat ze doen.’

Vliegpoot zweeg. Hij had niks meer te zeggen, niks meer te vragen. Hij was gewoon sprakeloos. Hij krulde zich op en wachtte totdat Mirrehars zou terugkeren met de juiste medicijnen. Eigenlijk wilde hij ze gewoon allemaal pijn doen. De leerlingen, Grijsschemer, Doornstip en Meidoorntak. Maar misschien waren zij nooit het probleem geweest. Misschien kwam het wel allemaal door Havikster. Nadat ik de leerlingen kwijt ben, zullen Grijsschemer en Meidoorntak ook al de pijn van mijn wraak voelen. Maar mijn vader… die zal niet weten wat hem gaat overkomen.

9. Wraak zo zoet als honing[]

Het Duistere Woud was veranderd in een sneeuwuil. Overal was het er wit, behalve op de plekken waar de donkere bomen er als stekels bovenuit staken. Vliegpoot wist dat het territorium onder hem ook zo wit was geworden de afgelopen dagen. Het had niet normaal veel gesneeuwd, waardoor hij met zijn kleine pootjes een stuk moeilijker ergens naartoe ging. Gelukkig had Hazenoor hem al snel laten zien dat wanneer hij zich zo vluchtig als een WindClankat bewoog, hij niet de kans zou hebben om zijn poten naar de overdekte grond te laten zinken. Toch kostte het hoe dan ook meer energie dan eerst, en dat was precies wat hij nu niet echt had.

Elke dag moest hij letten op wat hij at. Ondanks zijn honger, wist hij dat hij flink moest afvallen als hij op het ijs wilde blijven staan. Het enige wat Vliegpoot er doorheen hielp, was zijn visie op het resultaat. Hij zou eindelijk van het getreiter af zijn, Grijsschemer, Meidoorntak en de anderen zouden te gebroken zijn door het verdriet om zich nog op de kleine kater te focussen en iedereen zou eindelijk eens voelen wat hij al die tijd had gevoeld. Niemand zou precies te weten komen wat er met de leerlingen was gebeurd en Vliegpoot zou het ze niet vertellen, net zoals niemand hem ooit precieze dingen over zijn moeder wilde vertellen. Het was het perfecte wraakplan en Vliegpoot zou zich door niemand meer laten stoppen.

Hij bood zich aan voor elke patrouille die langs het meer ging. Dat hield hem van de lust naar eten af, maar het gaf hem ook telkens weer de kans om het meer te inspecteren. Ondertussen zat er al een heel dun laagje ijs op, maar het zou niet lang duren voordat het helemaal klaar was voor Vliegpoots plan. Hij had het nu al een paar keer met zijn poot uitgetest. Elke keer drukte hij voorzichtig op het ijs, waardoor het brak. En elke keer kon hij zich weer perfect inbeelden hoe de leerlingen er door zouden zakken. Hoe ze het ijskoude water zouden voelen. Hoe de dood door hun lichaam zou schieten en hen de pijn zou bezorgen van duizend bliksemstralen. Hij klemde zijn kaken op elkaar en zijn tanden knetterden als vonkjes. Hij kon niet wachten.

‘Hoe gingen de trainingen vandaag?’ vroeg Hazenoor. Ze had haar oren gespitst en keek hem geïnteresseerd aan, het toonde Vliegpoot dat ze oprecht om hem gaf.

Hij liet zijn hoofd hangen. ‘Niet geweldig’, gaf hij toe. ‘Ik heb weer verloren van Naaldpoot. En natuurlijk voelden ze zich opeens allemaal weer superieur tegenover mij. Het is alsof al mijn harde werk van de afgelopen manen is gevallen en verrot, net zoals de bladeren in bladval. Iedereen is het weer vergeten en ik ben dezelfde miezerige muis die ik altijd al was. Maar goed, dadelijk zal ik geen last meer van ze hebben… hopelijk’, mompelde hij. Telkens als hij dacht aan zijn plan, begon er een nieuw vlammetje in hem te vonken. Het gaf hem nieuwe hoop. Maar toch was de teleurstelling een grote regenbui die het erg moeilijk maakte om het vuur weer te laten dansen.

‘Precies!’ zei Hazenoor blij. Ze gaf hem een duwtje om hem wat op te vrolijken. Vliegpoot keek met een schuin oog recht in haar stralende gezicht, die was bezeten door een enorme glimlach. ‘Je moet leren om het goede van dingen in te zien. Weet je het nog? Maak van je zwaktes je kracht! Dit werkt hetzelfde! In elke duisternis, brandt er ergens een vuurvliegje, Vliegpoot. Je moet alleen je ogen wel eerst openen om het te kunnen zien.’

Vliegpoot zuchtte. ‘Nou ja, ik denk dat het niet erg is, aangezien ze dadelijk zo dood zijn als prooi in mijn klauwen.’

‘Ja, dat ook’, grinnikte de poes, ‘maar we hebben het niet over dadelijk, we hebben het over nu. Zie je niet hoe goed dit uitkomt? Dit helpt je plan zo erg! De leerlingen weten eindelijk weer dat ze je kunnen verslaan, dus dat gaan ze blijven proberen. Als jij dadelijk die stok op het ijs slingert en je gaat er zonder te zeuren achteraan, zullen zij wel extra drang voelen om weer beter te zijn dan jij. Nu ben je weer de zwakke Vliegpoot tegen wie ze niet kunnen verliezen, in plaats van degene die ze beginnen te respecteren omdat je zo goed bent. Maar die Vliegpoot heb je juist nodig nu, en dat is niet erg. Dat maakt je niet zwak, Vliegpoot, echt niet. Weet waar je het voor doet.’

De kleine grijs gestreepte kater knikte en klemde zijn kaken op elkaar. Hij wist dondersgoed waar hij dit voor deed. Hij deed dit voor wraak. Alle honger verdween onmiddellijk uit zijn maag. Als er nog iets rommelde in zijn lijf, dan was het onweer van woede.

‘Goed zo’, snorde Hazenoor goedkeurend. ‘Dat vuur zie ik graag. Ga nu maar gauw terug naar je bed en rust lekker uit. De trainingen gaan wel weer verder als het ijs is gebroken.’

‘Is goed’, murmelde Vliegpoot. Hij knikte, maar eigenlijk wilde hij nog helemaal niet weggaan. Hij had nog iets om te bespreken. Hij had het nog niet willen delen, omdat hij nog geen idee had hoe hij het zou moeten aanpakken, maar Hazenoor had hem al eerder geholpen en dat zou ze nu weer kunnen. ‘Hazenoor?’ vroeg hij weifelend.

De grijsbruine poes keek hem aandachtig aan. Vliegpoot wist niet hoe ze het voor elkaar kreeg om telkens haar prachtige oranje ogen te doen schitteren. ‘Ja?’

‘Ik vroeg me wat af… De leerlingen zijn misschien mijn grootste nachtmerrie, maar degene die verantwoordelijk is voor deze verziekte generatie, is mijn vader, Havikster. Ik wil de HemelClan weer goed en groots maken – de sterkste van alle Clans! Maar dat kan niet zolang we elkaar de afgrond intrekken. Maar hoe maak ik een einde aan hem? Hij is zo sterk, heeft zoveel volgelingen. Hoe kan ik daar tegenop?’

Hazenoor glimlachte. ‘Het antwoord is simpel: door een leger op te bouwen. Maar dat komt later wel. We moeten eerst het ene obstakel uit de weg ruimen voordat we door kunnen gaan met het andere. Maak je maar geen zorgen, Vliegpoot. Havikster zal jouw klauwen spoedig voelen. Wij stoppen niet voordat jij je gerechtigheid van iedereen hebt geëist!’

Vliegpoots ogen begonnen te stralen. Hij kon het al helemaal voor zich zien. Hij aan de top van zijn Clan, heersend over alles en iedereen. Niemand zou hem nog pijn durven te doen. Hij knikte grimmig voordat hij zich omdraaide, maar stond toen ineens oog in oog met twee andere krijgers.

‘Biesneus, Panternacht’, ademde Hazenoor verbaasd. ‘Wat brengt jullie in dit gedeelte van het woud?’

De grote donkerbruine poes vernauwde haar ogen. ‘Wij moesten even toekijken of alles hier goed ging.’

Panternacht snoof en zijn staart zwiepte heen en weer. ‘We kwamen duidelijk precies op tijd.’

Hazenoor fronste en Vliegpoot merkte op dat haar nekharen langzaam omhoog kwamen. ‘Hoe bedoel je? Vliegpoot en ik zijn gewoon aan het werk om zijn plan te laten slagen.’

‘Ja, om de leerlingen te vermoorden. Er is nooit wat afgesproken over Havikster’, gromde Panternacht.

‘Dus?’ vroeg Hazenoor bot. ‘Wat kan hij jullie schelen? Die kat heeft nergens een thuis als hij doodgaat.’

‘Hoezo niet?’ vroeg Biesneus. Ze liet haar blik op Vliegpoot rusten, haar afkeuring jegens hem droop eruit. De kleine kater keek haar gekwetst aan. Wat had hij haar ooit aangedaan? ‘Havikster is een perfecte Duistere Woudkat, een zeer goede bondgenoot om te hebben. Hij heeft ons niet eens nodig gehad om een briljant monster te worden.’

Hazenoor ontblootte haar tanden. ‘Wat maakt dat uit? Vliegpoot is onze familie geworden. We kunnen Havikster hier niet accepteren en de rug naar Vliegpoot keren! We gaan hem gewoon helpen om Havikster te verslaan.’

Biesneus klemde haar kaken zichtbaar op elkaar. ‘Daar gaat het me niet om. We moeten denken aan het grotere geheel, aan de toekomst, Hazenoor. Jij hebt je veel te erg geïnvesteerd in die jonge kat. Vliegpoot is een uitlokker. Hij is zo onzichtbaar dat hij iets idioots moet doen om anderen mee te krijgen. Havikster is een manipulator. Hij weet hoe hij zijn zin kan krijgen zonder een poot uit te steken. Zo iemand hebben we nodig.’

‘Onzichtbaarheid is een kracht die je niet moet onderschatten’, siste Hazenoor. ‘Vliegpoot is veel krachtiger dan jullie allemaal denken en ik zal het jullie bewijzen.’

Biesneus gromde. ‘Wat denk je hiermee te gaan bereiken, Hazenoor? Je kunt me niet verrassen. Dat Vliegpoot een paar leerlingen kan vermoorden, maakt totaal geen indruk op me. Wat Havikster heeft gedaan met zijn Clan, dat is pas merkwaardig! Je zou tegen jezelf liegen als je denkt dat Vliegpoot hetzelfde zou kunnen.’

De grijsbruine poes opende haar mond om wat te zeggen, maar Vliegpoot stapte snel voor haar. ‘Hazenoor is geen leugenaar! En mijn vader heeft niks indrukwekkends gedaan voor zijn Clan. Hij is een luilak die amper wat gedaan krijgt!’

Biesneus lachte en stapte naar Vliegpoot toe. Ze maakte zich groot en boog over hem heen, waardoor Vliegpoot even moest slikken. ‘Amper wat gedaan krijgt, zeg je? Hij heeft anders een hele Clan zover gekregen om tegen je te liegen, Vliegpoot. Al heel je leven! Zelfs degene die je het meest liefhebt: de oudsten, Mirrehars, Schervenklauw en zelfs Venkelpoot. Allemaal hebben ze tegen je gelogen, Vliegpoot. Zo bang zijn ze voor Havikster. Dat laat maar weer eens zien wat voor een macht hij heeft.’

Vliegpoot fronste. ‘Hoe bedoel je ze hebben gelogen? Zij zouden nooit tegen me liegen, al helemaal niet als Havikster dat ze heeft bevolen!’

‘Oh, ben je daar echt zo zeker van dan?’ Pretlichtjes dansten in Biesneus’ ogen. Vliegpoot haatte het dat hij niet kon weten of ze loog of niet, dus keek hij opzij en ontmoette Hazenoors vlammende ogen.

‘Laat ons met rust, Biesneus’, snauwde de grijsbruine poes. ‘We zijn bezig.’

‘Prima’, bromde de donkerbruine kat. ‘Maar vergeet niet wat ik tegen je heb gezegd, Vliegpoot. Jij bent misschien onzichtbaar, maar de leugens om je heen zijn dat ook voor jou. En als onzichtbaarheid werkelijk zo’n sterke kracht hebt, zullen je die je recht door het ijs duwen.’ Haar ambergele ogen glinsterden onheilspellend en ze glimlachte vals naar de kleine kater, voordat zij en Panternacht zich weer omdraaiden en verdwenen in de duisternis.

‘Let niet op haar’, gromde Hazenoor. ‘Zij probeert altijd alles en iedereen te manipuleren en zinnetjes in hun hoofden te boren, maar het moet gewoon bij het ene oor erin gaan en bij de andere er weer uit. Biesneus probeert gewoon iedereen in haar macht te houden.’

Vliegpoot knikte langzaam. Hij probeerde naar Hazenoor te luisteren, maar de woorden van Biesneus waren al te ver doorgedrongen om nu vergeten te worden. Hij had niks voor niks altijd het gevoel gehad dat iedereen wat voor hem verzweeg. Maar dat zelfs Venkelpoot zou liegen tegen hem, kon hij niet geloven. Zij was zo goedhartig als een babyeendje. En ook de oudsten klopten niet. Ze hadden al zoveel naar hem doorgespeeld wat niet had gemogen, zouden ze echt nog wat tegen hem verzwijgen? Ze waren de meest rebelse katten die hij kende! Wat Havikster hen ook had bevolen, ze zouden zich er niet aan houden, toch? Of had hij Haviksters macht over de Clan onderschat? Was iedereen slechts een mosballetje waar Havikster mee speelde? En ik ben zo dom geweest om het nooit op te hebben gemerkt…

Een onbehagelijk gevoel golfde door zijn vacht. Het was alsof vonkjes knetterden tussen zijn haren door. Was het een teken dat hij stiekem wel wist dat Biesneus de waarheid had gesproken? Hij vroeg zich af of de poes erover zou liegen. Een goede manipulator zou eerder de waarheid verdraaien en tegen je gebruiken dan iets verzinnen toch? Hij schudde zich uit, in de hoop zijn irritaties weg te gooien, maar toch bleef het kriebelen. Met zijn poot probeerde hij het weg te krabben, maar niks leek te helpen. In paniek schuurde hij zijn vacht tegen de stam van een boom aan en daarna tegen het gras. Wat is er aan de hand? dacht hij angstig.

‘Vliegpoot?’ vroeg Hazenoor fronsend. ‘Je gedraagt je als een vos die vergeten is dat ‘ie een vis is!’

‘Ik-Ik weet het niet!’ riep Vliegpoot terwijl hij wild om zich heen sloeg, alsof hij een mug wilde meppen in de nacht.

‘Vl-Vliegpoot? Je verdwijnt…’ Hazenoors stem stierf weg, evenals haar lichaam. Het enige wat bleef, waren de kriebels in zijn vacht.

✩✩✩

Hij sprong overeind zodra hij zijn ogen opende. Hij sloeg zichzelf overal zo hard mogelijk. Waarom ging het niet weg? Vanuit zijn ooghoek zag hij opeens de rode stippen in zijn groene nest. Hij staarde naar zijn poten en zag overal de rode mieren die hem hadden geterroriseerd. Die leerlingen hebben dit in mijn nest gedaan! Boos klemde hij zijn kaken op elkaar en rende naar buiten. Hij had water nodig om het spul van zich af te krijgen.

Toen hij het hol verliet, klonk er direct keihard gelach aan de overkant van het kamp. Vliegpoot kwam even tot stilstand en staarde de leerlingen vurig aan. Lijsterpoot was op haar rug gerold door het lachen. Geniet nu maar van die grond onder je poten, dacht Vliegpoot listig. Het zal niet lang meer duren voordat die voor eeuwig verdwijnt.

‘Vliegpoot?’ klonk Venkelpoots stem vanaf de andere kant. Meteen draaide hij zijn kop naar haar toe. ‘Wat is er met je gebeurd?’ vroeg ze geschokt.

‘Wat denk jezelf?’ bromde hij boos. ‘Ze hebben rode mieren in mijn nest gestopt! Die rotleerlingen ook!’

‘Ik dacht dat hij iedereen kon verslaan!’ hoorde hij Rafelpoot roepen. ‘Hij kan het zelfs niet opnemen tegen die kleine diertjes!’ En alweer lachte de rest vrolijk en luid mee.

Vliegpoot boorde zijn klauwen in de grond, maar trok ze er snel weer uit toen hij kleine beetjes begon te voelen. ‘Auw!’ gilde hij met een hoog stemmetje – wat absoluut niet de bedoeling was.

‘Haha, mijn buik doet zoveel pijn van het lachen!’ proestte Arendpoot uit.

‘Auwww!’ imiteerde Lindepoot Vliegpoot, met dezelfde hoge stem.

Vliegpoot deed een stap in hun richting, zijn klauwen ontbloot, maar Venkelpoot hield hem snel tegen.

‘Kom, we ga je wassen in de rivier, ik zorg wel dat die mieren uit je nest verdwijnen. Trek je er maar gewoon niks van aan, ze groeien vanzelf ooit een keer op’, miauwde zijn vriendin kalmpjes. ‘Zolang je niks zegt en gewoon niet reageert, zullen ze niet uit je krijgen wat ze willen. Stilte is soms het meest effectieve wat er is!’

Vliegpoot snoof, draaide zich om en stampte het kamp uit. De beetjes in zijn huid vond hij niet eens meer het ergste. Zij bezorgden hem niet het onbehagelijke gevoel, dat deed het HemelClankamp zelf gewoon.

Al snel had hij de beek bereikt. Hij had geluk dat het snel stroomde, waardoor het nog niet bevroren was. Hij plonsde er gauw in en waste zich, om er zeker van te zijn dat elke mier van zijn lijf was verdwenen. Het water was ijskoud, maar dat vond hij niet eens erg. Dat zou betekenen dat de leerlingen ook een hele nare dood stond te wachten. Dan zouden ze eindelijk de kilte in zijn hart kunnen voelen.

Toen hij weer schoon was, plofte hij neer in de sneeuw. De overige mieren die nog niet verdronken waren, zouden zich nu wel doodvriezen. Daarbij had hij even de tijd nodig om zijn nacht te overdenken. Biesneus’ woorden ratelden nog steeds door zijn kop. ‘De oudsten, Mirrehars, Schervenklauw en zelfs Venkelpoot. Allemaal hebben ze tegen je gelogen, Vliegpoot.’ Hij wilde haar gewoon niet geloven, maar toch zei iets in hem dat ze de waarheid sprak. Wat Venkelpoot net tegen hem had gezegd beviel hem dan ook totaal niet. ‘Stilte is soms het meest effectieve wat er is!’ Wat was dat voor onzin? Venkelpoot was niet vaak stil als ze samen waren. Ze hadden altijd wel wat om over te praten. Maar misschien deed zijn vriendin dat puur om haar leugens te ontwijken. Ze deed zich al tijd zo vrolijk voor, ze liet nooit haar ware pijn zien als de leerlingen haar weer eens kwetsten. Als ze daar zo goed in was, betekende dat dan ook niet dat ze uitstekend kon liegen? Het kriebelde opnieuw door zijn vacht, maar deze keer niet door de mieren. Nee, het waren zijn natte nekharen die omhoog rezen.

Opeens viel er een dode muis voor zijn poten. Vliegpoot keek verschrikt op en zag Venkelpoot naar hem toe trippelen. ‘Hopelijk warm je daar wat van op!’ snorde ze terwijl ze ging zitten.

Meteen begon het weer te rammelen in zijn maag, zoals de donder in de hemel. Hij had nog niet aan eten gedacht, maar telkens als het weer voor zijn neus geschoven werd, voelde hij de drang om het volledig op te vreten. Maar dat mag niet, ik moet licht genoeg zijn voor het ijs!

‘Ik hoef het niet’, bromde hij. ‘Maar bedankt.’

‘Oh, oké’, miauwde ze somber. ‘Zeker weten? Je bent echt heel erg vermagerd al zeg en we zitten nog maar in het begin.’

‘Nou en? Het gaat prima met me’, snauwde hij kortaf. Voor het eerst in zijn leven, had hij helemaal geen zin in Venkelpoot. Hij wilde niet alles over zich heen laten gaan elke keer, hij wilde in opstand komen.

Venkelpoot slikte even en keek hem onzeker aan met haar blauwgroene ogen. ‘I-Ik heb in ieder geval je nest mier-vrij gemaakt, met Vederzangs hulp ging dat al snel! Ik wilde nog een paar mieren achterlaten in de nesten van de rest, maar deed het toch maar niet haha.’

Vliegpoot kon er niet om lachen en staarde haar met een strak gezicht aan. ‘Waarom niet?’

‘Ach, wat schieten we ermee op om ze telkens terug te pakken? Zo blijven we in oorlog met elkaar!’

‘Hoe bedoel je telkens? Wij hebben nooit wat teruggedaan!’ Vliegpoot boorde zijn klauwen in de koude sneeuw, in de hoop wat af te koelen, maar hij voelde de vlammen al onder zijn huid dansen. ‘Het werd juist eens tijd dat wij eens wat terug zouden doen.’

‘Vliegpoot, het blijven mijn nestgenoten die erbij horen, ik zou ze nooit pijn kunnen doen’, murmelde ze terwijl ze naar haar poten staarde.

De kleine kater snoof. ‘Oh, en ik zou dat niet kunnen begrijpen, want ik heb geen broers of zussen natuurlijk.’

‘Dat is niet wat ik zeg!’ Venkelpoot keek hem recht in zijn ogen aan en hield zijn blik vast. Opeens was zijn vriendin helemaal niet meer zo leesbaar als altijd. Hij kon vaak zo goed inschatten wat er precies door haar heenging, maar het voelde alsof hij haar niet eens meer goed kende. Hij wist dat ze wat voor hem verzweeg.

‘Je zegt wel meer dingen niet’, bromde hij, terwijl hij zijn hoofd snel wegdraaide.

‘Wat bedoel je daar nu weer mee?’ Hij kon de pijn in Venkelpoots stem voelen. ‘Ik zou je nooit–’ Ze werd meteen weer door hem afgekapt.

‘Nooit wat? Tegen me liegen?’ Vliegpoot probeerde haar aan te blijven kijken, maar zodra hij de druppels tranen in haar ogen zag, sprongen ze er bij hem ook in. Het voelde alsof hij zelf naar de bodem van het meer zonk. Was het dan echt waar? Echt waar?

‘I-Ik…’ Haar stem viel weg doordat ze moest snakken naar adem, maar ze trok haar ogen niet van hem af. Ze keken elkaar aan. Lang. In stilte. Het enige wat Vliegpoot hoorde, waren haar tranen die zachtjes op de sneeuw vielen. Maar hij had haar woorden niet nodig om te weten wat ze wilde zeggen. Of beter wat ze niet wilde zeggen.

‘Waarom zou je ooit dingen voor me verzwijgen? Wij deelden alles samen! Je was er altijd voor! Ik dacht dat het uit medelijden voor me was, maar volgens mij doe je het alleen maar om je beter over jezelf te laten voelen!’ spuugde hij. Met zijn poten duwde hij zich overeind. Hij wilde niet meer met haar praten. Zijn hoofd begon te tollen. Hij voelde zich zo licht als een veertje. Maar hij kon dit niet aan. Niet nu. Niet ooit.

‘Ik kon niet anders, Vliegpoot! Je begrijpt het niet–’ begon ze snikkend.

‘Leg het me dan uit!’ schreeuwde hij. Woest sloeg hij met zijn poten de sneeuw voor zich weg. ‘Niemand legt me ooit dingen uit! Ik zag het bij iedereen. Pijn en verdriet, ze zijn er altijd als ik in iemands ogen kijk. Ik wist dat ze dingen voor me verzwegen. Maar bij jou…’ Hij krulde zijn lippen en wendde zijn kop van haar af.

‘Vliegpoot, wacht alsjeblieft! Laat het me uitleggen!’ smeekte de poes. ‘Ik ben oprecht je vriendin! I-Ik… Het werd ons allemaal bevolen om niks te zeggen. Maar liegen deed ik niet!’

‘Alsof verzwijgen niet al erg genoeg is!’ schreeuwde hij. ‘Vertel het me nu. Wat hou jij – wat houdt iedereen hier voor me achter!’

Zijn zicht was troebel door het water in zijn ogen, maar toch bleef hij naar zijn vriendin kijken. Hij probeerde haar met zijn blik te smeken om wat te zeggen, maar hij zei niks. En Venkelpoot bleef ook stil. Ze was enkel aan het snikken.

‘Prima’, snauwde hij, zijn tranen weg knipperend. ‘Zeg maar weer eens niks. Stilte is inderdaad effectief – om katten weg te duwen. Verwacht maar niet van mij dat ik dan ooit nog terug zal spreken. Rot op.’

‘Vliegpoot…’, huilde Venkelpoot zachtjes, maar hij besteedde er geen aandacht meer aan.

Met een hoofd vol stekende bijen een vacht zo koud als Haviksters hart, strompelde Vliegpoot terug het kamp in. Ondertussen had heel de Clan zich blijkbaar verzameld rondom de Grote Boom.

‘Arendpluis! Steenregen! Kuifwind!’ hoorde hij zijn Clangenoten gillen. Het bezorgde hem alleen maar meer koppijn. Hij strompelde om de groep juichende katten heen, door naar het oudstenhol.

‘Hey, Vliegpoot, ben je oké? Je rilt net zo erg als een boom in een storm!’ Het was Schervenklauw die hem van achteren inhaalde.

‘Laat me met rust!’ snauwde Vliegpoot boos naar zijn mentor, zijn vaderfiguur.

De lichtgrijze kater keek hem geschokt aan. ‘Heb ik iets verkeerd gedaan?’

‘Die vraag kan je zelf ook al beantwoorden’, snikte Vliegpoot. Hij merkte niks van de rillingen die door zijn lichaam gingen van de kou, het enige wat hij nog voelde was het verdriet van leugens.

‘Heb je gehuild?’ Schervenklauw keek hem bezorgd aan, maar Vliegpoot ontweek zijn blik. Schervenklauw had hem al een paar keer dingen proberen te vertellen, maar het was hem nooit gelukt om de echte waarheid te zeggen. De enigen waarbij hij nog hoop had, waren de oudsten. Zij zouden het hem vertellen. Als zij het niet waren, wie dan wel? Er waren geen andere opties in de Clan.

‘Laat me gewoon met rust’, beet Vliegpoot hem toe.

‘O-Oké’, miauwde Schervenklauw, hoorbaar gekwetst. Maar daar boeide Vliegpoot niet om. Schervenklauw had hem diezelfde pijn ook bezorgd.

En waarom heeft Hazenoor niks tegen me gezegd? Die kon dat allemaal zien toch uit de hemel! Het knetterde bliksemstralen toen hij zijn tanden op elkaar drukten. Hij was zo boos, op alles en iedereen ook gewoon!

Snel vluchtte hij het oudstenhol in. Hij hoopte maar dat hij hier veilig was voor de pijn, al zou dat hem altijd achtervolgen. Dat deed het toch al heel zijn leven.

‘Vliegpoot?’ vroeg Esdoornlicht opgewekt. ‘Wat doe jij hier? Ben je weer eens rebels?’ Haar oranje ogen lichtten op. Vliegpoot onderdrukte nog net een snor. Het was zo fascinerend hoe Esdoornlicht zelf hield van opstandigheid, en ook opstandig was, maar hoe ze tegelijkertijd het haatte als alle andere katten in de Clan rebels tegen haar deden. Bij Vliegpoot leek ze het altijd leuk te vinden wel, gelukkig.

‘Voor jullie altijd’, grijnsde hij, al had hij niet het idee dat hij net zo goed in het verbergen van zijn pijn was als Venkelpoot.

‘Dan hebben we je goed opgevoed!’ lachte Distelkrul. ‘Was er net een ceremonie buiten? Ik hoorde allemaal kabaal.’

Vliegpoot knikte. ‘Arendpoot, Steenpoot en Kuifpoot hebben hun krijgersnamen ontvangen.’

Esdoornlicht snoof. ‘Die drie ganzen die zichzelf katten durven te noemen? Blijkbaar betekent het tegenwoordig niks meer om krijger te zijn. Vroeger ging het nog om respect, maar tegenwoordig–’

Jaagsprong kapte haar gauw af. ‘Voordat we weer een hele preek krijgen over wat er overduidelijk mis is met deze generatie – waar ik het volledig met je mee eens ben hoor, daar niet van, Esdoorn. Ik zou het niet durven om tegen je in te gaan – maar kan je niet duidelijk zien dat Vliegpoot wat dwarszit? Het is precies de blik die zijn moeder altijd opzette.’ Vliegpoot kreeg een brok in zijn keel, maar ergens verwarmde het zijn hart dat hij op zijn moeder leek.

‘Nee, hoe moeten wij weten dat hem wat dwarszit? Wij hebben zijn moeder nooit als leerling gehad, vederbrein’, bromde Distelkrul terwijl hij Jaagsprong met zijn staart sloeg.

‘Het heet ook wel kattenkennis, mislukte egel’, snauwde Jaagsprong, wel met een knipoog.

‘Alsof we in een Clan vol vossen wat kunnen leren over kattenkennis’, snoof Esdoornlicht weer. ‘Een leider die een leerling het verbiedt om de oudsten te spreken, het is de grootste onzin die ik ooit heb gehoord!’

‘We dwalen weer af van het onderwerp…’, zuchtte Jaagsprong. ‘Dus vertel, Vliegpoot, wat is er mis?’

De drie oudsten keken hem aandachtig aan en Vliegpoot kreeg het warm onder zijn vacht. Zijn hart begon sneller te kloppen en zijn ademhalingstempo begon te versnellen. Wilde hij de waarheid wel weten? Was hij er klaar voor? Voordat hij het wist stroomden de tranen uit zijn ogen en zakte hij in elkaar op de grond. Beschaamd en in pijn krulde hij zich op.

Hij voelde Esdoornlichts staart meelevend over zijn vacht strijken en hij kijk op. Ondanks door zijn troebele zicht en zijn plakkerige wimpers, knipperde hij haar dankbaar toe. ‘I-Ik weet h-het gewoon niet’, snikte hij. ‘Niemand wil me ooit wat vertellen. Hoe mijn moeder was als krijger, waarom de leerlingen mij treiteren, waarom iedereen altijd met pijn en verdriet aankijkt, waarom mijn vader mij haat. Ik wil antwoorden… ik heb ze nodig.’

Plots voelde hij een druppel op zijn hoofd vallen en zag dat Esdoornlicht hem met betraande ogen aankeek. ‘Het is ook niet eerlijk voor je, Vliegpoot. Dat is het nooit geweest’, bekende ze. ‘Maar je verdient het niet om zo in zoveel lijden te leven. Ik kan je niet alle antwoorden geven, maar wat ik wel weet, is dat je vader je niet haat.’

Vliegpoot spitste zijn oren en veegde zijn ogen droog met zijn voorpoot, terwijl hij haar vragend aan bleef kijken.

‘Esdoornlicht, ik weet niet of dit verstandig is’, mompelde Jaagsprong in haar oor.

‘Als Havikster hier achter komt…’, prevelde Distelkrul onheilspellend.

‘Dan wat?’ snauwde de poes. ‘Dan verband hij me? Vermoord hij me? In de SterrenClan zal ik gelukkiger zijn dan hier! Als dat mijn offer moet zijn om Vliegpoot de waarheid te laten kennen, dan accepteer ik dat. Niemand moet denken dat hij van een monster afkomstig is.’

Vliegpoot ging snel overeind zitten. ‘W-Wat bedoel je?’

Esdoornlicht wendde haar kop weer terug naar hem. Medeleven vloeide in haar oranje ogen. ‘Oh, Vliegpoot’, zuchtte ze. ‘Ik snap niet hoe we je hebben kunnen laten leven in gedachte dat je van zo’n wreed monster de zoon bent. Je bent in niks gelijk aan Havikster. En al haat hij je misschien, je vader haat je niet. Dat weet ik zeker.’ Ze keek hem afwachtend aan, maar Vliegpoot gaf nog geen reactie. ‘Begrijp je wat ik probeer te zeggen?’

Een ijzig gevoel deed Vliegpoots bloed stoppen. Een scherpe pijn sneed door zijn hoofd heen terwijl hij Esdoornlicht bleef aangapen. Hij wist wat ze bedoelde, maar hij moest het uit haar mond horen komen. De wereld om hem heen begon langzaam te draaien en toverde zichzelf in een en al duisternis.

‘Havikster is niet je vader, Vliegpoot. Dat is hij nooit geweest.’

Vliegpoot voelde hoe zijn lichaam begon te vallen. Met zijn poten probeerde hij zich op te vangen. Hij wankelde en schuifelde heen en weer. Hij hoorde Esdoornlicht wat naar hem roepen. Hij voelde Jaagsprongs poot bezorgd tegen zijn hoofd gedrukt worden en Distelkrul was luid aan het vloeken. Toen opeens kwam alles tot stilstand door een brul van een zware stem. Vliegpoots nekharen probeerden overeind te komen, maar hij was al buiten bewustzijn zodra hij neerviel op de koude grond.

•~•~•✩•~•~•V•~•~•✩•~•~•

Toen Vliegpoot zich uitrekte, merkte hij dat hij gewikkeld was in mos en dorre bladeren. Hij gaapte en keek om zich heen. Waar bevond hij zich eigenlijk?

‘Vliegpoot, je bent wakker! Eindelijk.’ De opgeluchte stem van Mirrehars, vertelde hem meteen alles wat hij moest weten.

‘Wat is er gebeurt?’ vroeg Vliegpoot, terwijl hij zijn gedachten probeerde terug te halen. ‘Ik weet gewoon dat het voelde alsof heel de wereld draaide, alsof ik geen macht meer had over mijn lichaam – en dat ik neerviel.’

Mirrehars knikte. ‘Je bent flauwgevallen gisteren, je hebt vannacht in mijn hol doorgebracht. Ik denk dat het kwam doordat je onderkoelt bent geraakt en doordat je amper wat eet! Denk je dat ik het niet doorheb soms? Ik ben een medicijnkat, Vliegpoot. Ik zie alles. Ik weet ook alles, zoals dat jij meer moet gaan eten. Je moet vet opbouwen, al helemaal in bladkaal. Dat houdt je warm, jij verenbrein!’

Vliegpoot luisterde aandacht naar zijn bruine vriendin, maar het drong niet echt tot hem door. Zijn hoofd vulden zich met herinneringen aan de vorige dag. Esdoornlichts woorden staken er het meest bovenuit en opnieuw voelde hij een storm opkomen in zijn brein. Zijn keel deed pijn toen hij slikte, alsof een vos zijn klauwen eroverheen haalde. ‘Is Havikster echt niet mijn vader?’ vroeg hij toen plots aan Mirrehars.

De bruin gevlekte poes hapte verschrikt naar adem. ‘Hoe kom je daar nu weer bij?’

Vliegpoot boorde zijn klauwen in blaadjes voor zijn neus. Aan de flitsen in haar ogen, kon hij al zien dat de poes precies wist waar het over ging. En nog steeds probeert ze te liegen! ‘Lieg niet langer’, gromde hij boos. ‘Het is waar zeker? Kom op, Mirrehars! Ik had gedacht dat jij het wel aan me zou vertellen…’

Ze zuchtte en liet haar kop hangen. ‘Je moeder zou willen dat je dit weet’, gaf ze toe. ‘Wat Esdoornlicht zei is juist. Havikster is niet echt je vader. Hij beval ons echter om erover te zwijgen – ons allemaal.’

‘Dus?’ snoof Vliegpoot. ‘Het is niet alsof je je ooit aan zijn bevelen houdt en nooit tegen hem in gaat! Dus waarom deze keer wel?’

‘Omdat mijn leven deze keer op het spel stond’, murmelde Mirrehars.

‘Wat?’ vroeg Vliegpoot verontwaardigd. ‘Z-Zou hij katten hebben vermoord als ze hun mond hadden opengetrokken?’ Hij wist dat Havikster kwaadaardig was. Maar Clangenoten doden leek gewoon – nee dat kon hij zich niet eens inbeelden.

‘Hij heeft het al eens eerder gedaan’, prevelde ze, terwijl ze haar ogen samenkneep door de pijn.

Vliegpoots nekharen rezen overeind. Havikster had al eens een Clangenoot vermoord? Waarom was die kat dan überhaupt nog leider?! Hij keek peinzend naar de uitgang van het medicijnhol. Hij wilde heel graag weten wat Havikster allemaal had gedaan, maar er waren nu belangrijkere dingen om te weten te komen. Mirrehars sprak eindelijk eens zonder leugens ertussen, en daar moest hij gebruik van maken.

‘Wie is mijn vader dan wel?’

De poes haalde haar schouders op. ‘Dat weten alleen Sinteldauw en je vader, echt waar. Ik was heel close met Sinteldauw, maar ze heeft me nooit verteld wie de vader van haar kits was. Ze wilde me niet in gevaar brengen gok ik – en je vader ook niet. Het moest een geheim blijven, kosten wat het kosten zou. Al heb ik wel een vermoeden wie het zou kunnen zijn.’

‘Wie?’ vroeg Vliegpoot onmiddellijk. Zijn oren stonden net zo scherp gespitst als de snuit van een spitsmuis.

‘Ik wil je geen valse hoop geven, Vliegpoot. En als het degene is die ik denk dat het is, snap ik maar al te goed waarom het al die tijd geheim moest blijven. Ik kan hem niet nu nog in gevaar brengen.’

‘Voor wie loopt hij gevaar dan? Voor Havikster?’ Vliegpoot voelde zijn hart bonzen in zijn keel. Hij wilde zo graag alles weten, maar hij had ook even de tijd nodig om dit te laten bezinken. Alles was opeens anders.

Mirrehars knikte stilletjes. ‘Er is nog zoveel dat je niet weet, Vliegpoot…’

Vliegpoot voelde de bui alweer hangen. Mirrehars vond het duidelijk weer genoeg geweest, maar hij niet. Hij moest antwoorden zien te krijgen. Hij stond op, zijn poten waren nog zwak van zijn lange slaap, maar deze keer viel hij niet om.

‘Waar ga je heen? Ik weet niet of je nu alweer moet terugkeren naar je krijgerstaken… je moet eerst eens even je voeding in orde krijgen, pas dan ben je weer sterk genoeg om deel te nemen aan de trainingen’, miauwde Mirrehars. Haar ogen waren duister, alsof ze wist wat Vliegpoot van plan was.

‘Ik ga antwoorden verzamelen. Er is maar één iemand die me alles zou vertellen. Eén iemand waarop ik volledig kan vertrouwen. Esdoornlicht’, zei hij vastbesloten. Hij draaide zich om en stampte weg. Mirrehars, Schervenklauw, Venkelpoot, hij zou het ze nooit vergeven dat ze zo lang tegen hem hadden gelogen. Littekens van leugens waren op zijn hart gekrast, en die zouden niet meer weg kunnen gaan.

‘Vliegpoot, wacht!’ riep Mirrehars gauw naar hem. De poes haastte zich naar hem toe en keek onzeker naar buiten.

‘Wat?’ vroeg hij nijdig.

‘Je-Je kan niet naar Esdoornlicht toe, Vliegpoot.’ Mirrehars’ stem trilde en heel even dacht Vliegpoot een glans van verdriet in haar ogen te zien.

‘Waarom niet?’

‘Ze… Gisteravond… Havikster hoorde wat ze tegen je zei’, ratelde ze. De poes zuchtte even en herpakte zichzelf. ‘Esdoornlicht is verbannen, Vliegpoot.’

Een ijskoud vuur vlamde onder Vliegpoots huid door. Een rilling liep over zijn ruggengraat naar zijn staart toe, niet van angst, maar van pure woede. ‘Wat?!’ brulde hij woest uit. Hij keek naar het kamp. Het leek zo vredig en rustig. Appelsneeuw deelde een prooi met Gerststeel, Vederzang zat met Kiezelsnor bij te kletsen en Kloofhart lag naast Witsnavel uit te rusten. Allemaal lagen ze op het dek van zachte sneeuw, al was het in werkelijkheid een dek van leugens. Hoe konden het er zo rustig uitzien?

Mirrehars probeerde haar staart meelevend om Vliegpoot te wikkelen, maar hij sloeg haar boos weg. Hij kromde zijn klauwen en krulde zijn lippen. Zijn ogen schenen vol met haat en afschuw. Waarom deed niemand wat? Waarom kwam niemand tegen Havikster in opstand?

Hij klemde zijn kaken op elkaar. Vanuit zijn ooghoek kwam Venkelpoot samen met Schervenklauw door de uitgang van de doorntunnel. De twee katten keken hem even aan. Vliegpoot keek niet weg, maar de emotie in zijn blik veranderde ook zeker niet. Van alles en iedereen, hadden zij hem de meeste pijn gedaan. Het deed hem niets om het verdriet in hun ogen te zien. Voor spijt was het nu te laat. Wat niet gezegd was, was niet gezegd. Zij hadden het geweten. Zij hadden hem laten geloven dat zijn eigen vader hem haatte, terwijl hij al die tijd had kunnen spenderen om zijn ware ouder te vinden. Die katten waren zijn beste vrienden geweest, zijn steun en toeverlaat. Nu wilde hij echter niets anders dan ze zien verdrinken samen met de leerlingen.

Ze waren nu misschien nog bang voor Havikster, maar binnenkort zou er een nieuw gevaar bijkomen. Een gevaar dat niemand zou zien aankomen, een onzichtbaar gevaar. Vliegpoot kon de bittere smaak van bloed al proeven op zijn tong. Hij liet zijn blik glijden over het kamp, over zijn Clangenoten. Binnenkort zouden ze allemaal verdronken worden in hun eigen tranen. Niet alleen de leerlingen gingen eraan, niet alleen Havikster. Nee, de hele HemelClan zou gaan lijden. Allemaal hadden ze keer op keer tegen hem gelogen. Hij zou hun stembanden uit hun kelen moeten rukken, ze gebruikten het toch voor niks goeds. Hij wilde hun vergif toch niet meer aanhoren.

Hij spuugde de bittere smaak voor zich op de grond en slikte even. Zijn klauwen boorden zichzelf in de koele sneeuw, maar Vliegpoot gaf geen kick. Hij zou dit gehele kamp met de grond gelijk maken. Hij zou alles vernietigen.  Vliegpoot haalde zijn tong over zijn snoet en proefde opnieuw de smaak in zijn mond. Deze keer was het zoet. Niet de smaak van honing. Nee, de smaak van wraak.

10. Pas op, het ijs is glad[]

Vliegpoot haalde diep adem. Hij strekte zijn poot uit op het ijs en duwde erop. Geen krak. Hij duwde nog harder. Weer geen krak. Voorzichtig schoof hij zijn tweede poot op het ijs. Er was zelfs nog geen scheurtje! Langzaam en geleidelijk, stapte hij met heel zijn lichaam op het ijs. Nog steeds brak het niet. Enthousiaste prikkels vonkten van zijn vacht af. Door alle heisa van afgelopen dagen, had hij niet echt de kans gekregen om het ijs uit te testen. Hij had de afgelopen dagen nog bij Mirrehars in het hol doorgebracht. Zij wilde dat hij meer zou eten en weer op volle kracht was voordat hij weer verder ging trainen, en Vliegpoot had elke dag weer opnieuw gelogen dat hij zich nog steeds niet top voelde. Telkens als ze kruiden ging verzamelen, bracht hij ook de prooi die ze voor hem had gepakt snel naar Distelkrul en Jaagsprong. Zo bleef hij een licht veertje en kon hij de twee katers wat opbeuren.

Sinds de verbanning van Esdoornlicht voelde het hol vreemd en leeg aan. Vliegpoot herkende het nauwelijks meer terug. Maar het gaf hem ook extra motivatie. Motivatie om de HemelClan te laten boeten, om zijn plan uit te voeren, om te doden. Eerst was hij nog bang over wat anderen van hem zouden denken. Hij wilde zijn relatie met Venkelpoot, Schervenklauw en Mirrehars niet verpesten. Hij wilde ze allemaal niet teleurstellen. Maar nu boeide dat helemaal niks meer. Zij waren de teleurstelling, niet hij.

Hij liep wat verder op het ijs, helemaal tot aan het midden van het meer. Plots hoorde hij een kleine scheur ontstaan. Zijn hart schoot onmiddellijk naar de sterren. Tegelijkertijd besefte hij zich echter dat dit een goed teken was. Als het ijs hem al nauwelijks kon houden, zou het de leerlingen – plus Kuifwind, Steenregen en Arendpluis eigenlijk, maar voor Vliegpoot zouden ze altijd leerlingen blijven vanwege hun gedrag – al helemaal niet kunnen dragen! Ja, dacht hij tevreden. Het is tijd. Vandaag is de dag.

Vliegpoot trippelde snel terug naar het kamp. Zijn poten prikkelden, al was dat misschien meer door de sneeuw die in zijn pootkussentjes sneed. Ach, des te kouder het was, des te meer de leerlingen zouden lijden.

Hij dook snel onder de doorntunnel door en zag meteen zijn hoopje prooi liggen. Niet de prooihoop, maar de hoop leerlingen bij elkaar. Zodra ze hem zagen, begonnen ze meteen harder te fluisteren en daarna nog harder te lachen. Vliegpoot snoof. Zo onzichtbaar ben ik dus blijkbaar niet, Biesneus. Een eindje verderop zag hij Venkelpoot in haar eentje een kleine muis naar binnen werken. Ze maakten oogcontact. De bruin gestreepte poes keek hem hoopvol aan en haar blauwgroene ogen sprankelden uitnodigend. Maar Vliegpoot draaide zijn hoofd snel van haar weg, om iets duidelijk te maken. Hij wilde ook helemaal niet met haar praten. Venkelpoot en hij zouden nooit meer vrienden kunnen zijn, maar toch kon hij haar niet doden. Daarom mocht ze er niet bij zijn.

Ineens verschenen achter de leerlingen enkele geesten. Vliegpoot herkende de voorste poes onmiddellijk. Hazenoor! Naast haar namen ook Luipaardsprong, Panternacht en Biesneus en enkele anderen. De donkerbruine poes keek hem met vernauwde ogen aan. Vliegpoot wist dat hij zichzelf zou moeten bewijzen tegenover haar. Ik ben ook veel beter dan Havikster! Ik kan ook manipuleren! dacht hij wanhopig. Hij wilde Havikster absoluut niet tegenkomen in het Duistere Woud. Zijn nepvader, die al die tijd tegen hem had gelogen. Die hem verschrikkelijk had behandeld, had gehaat zelfs. Vliegpoot snapte nog steeds niet waarom hij heel de Clan had bevolen om te zwijgen. Als hij me toch zo vreselijk vond, waarom deed hij zich dan voor als mijn vader? Gelukkig was de Clanleider dan ook nergens te bekennen de afgelopen dagen. Vliegpoot wist ook niet of hij zich had kunnen inhouden tegenover hem. Mirrehars had hem echter genoeg gewaarschuwd om te weten hoe gevaarlijk de kater wel niet was. Nee, zijn plan voor Havikster zou nog komen. En het zou nog veel gruwelijker zijn als het lot dat de leerlingen te wachten stond. Het lot dat samen met de komende zonsondergang ten onder zou gaan.

‘Hé, Vliegpoot! Zie je geesten of zo?’ riep Lijsterpoot spottend naar hem. Een enorme grijns verscheen rond haar gezicht. Hem belachelijk maken leverde haar duidelijk enorme blijdschap op. Deze keer snauwde Vliegpoot echter niks terug. Hij was kalm en beheerst. Hij hoefde geen ruzie uit te lokken nu, de leerlingen zouden snel genoeg hun karma ontvangen.

‘Volgens mij heeft hij gewoon denkbeeldige vriendjes gekregen’, snoof Lindepoot. ‘Maar ja, je moet wat, hè, als je zo eenzaam bent.’

Arendpluis grinnikte. ‘Waarschijnlijk heeft dat constante gezoem van een vlieg in zijn hoofd hem gek gemaakt.’ Meteen schoten de anderen weer in de lach en deze keer moest Vliegpoot tegen zijn rijzende nekharen vechten. Hij klemde zijn kaken even op elkaar en blies toen rustig uit. Jouw tijd komt dadelijk, vertelde hij zichzelf.

‘Hou jullie mond eens!’ snauwde Venkelpoot toen vanaf haar plek. Ze keek de rest met vlammende ogen aan en voor het eerst leek haar vacht overeind te staan. ‘Jullie zijn gewoon jaloers dat Vliegpoot jullie al meerdere keren heeft weten te verslaan en dat hij veel jonger is dan jullie. Jullie zijn gewoon jaloers dat iedereen altijd rekening moest houden met hem, en aan jullie werd er nooit gedacht. Zelfs al zijn de geheimen nu naar buiten en hoeven we het niet langer te verzwijgen, blijft hij nog altijd de speciale kat. Jullie zijn niks vergeleken met hem en zullen dat ook nooit worden.’

Kervelpoot gromde diep en gooide wat sneeuw naar zijn zus. ‘Het is knap dat je ons hebt gehoord met de kleine oren. Je hebt ze voor een reden, Venkelpoot; bemoei je er niet mee. Waarschijnlijk was jij alleen maar bevriend met hem omdat je ook speciaal wilde zijn. Maar zelfs al mankeer je net zoveel als hij, blijft hij altijd bekender dan jij.’

‘Inderdaad!’ spuugde Rafelpoot. Zijn ogen glinsterden vol haat naar Venkelpoot. ‘Wie weet als Vliegpoot weg is, kan jij eindelijk een keer wat betekenen voor je Clan.’

‘Nee, ik hoef zijn plaats helemaal niet. Vliegpoot verdient alle aandacht die hij krijgt want hij is een geweldige vriend, dat is hij altijd geweest. Hij is getalenteerd, lief en verdient alles wat de wereld te bieden heeft. Hij heeft het het moeilijkst van ons allemaal gehad, maar in plaats van hem te steunen, maakten jullie het hem nog lastiger. Ik snap niet hoe jullie ooit zo harteloos hebben kunnen worden. Jullie zullen al snel in de SterrenClan vervagen, want niemand zal jullie herinneren – niemand zal jullie willen herinneren! Maar Vliegpoot wel, daar kunnen we allemaal een voorbeeld aan nemen. Hij bleef sterk, terwijl het leven er alles aan deed om hem te verkruimelen. Hij is een held. Mijn held.’ Venkelpoot doelde met haar woorden op de leerlingen, maar met haar troebele ogen keek ze naar Vliegpoot. Hij wist dat dit haar manier was om zich te verontschuldigen tegenover hem. Hij wist echter niet of hij er klaar voor was om het haar te vergeven. Venkelpoot was als een eikenboom in een sparrenbos tussen haar nestgenoten, ze verdiende daarom ook niet hetzelfde lot als hen. Vliegpoot beet op zijn lip. Hij zou later wel beslissen wat hij met haar zou doen. Diep vanbinnen voelde hij echter een vonkje beginnen te gloeien. Wie weet kon hij het dansende vuurvliegje nog vinden die hij en Venkelpoot ooit waren geweest.

Naaldpoot maakte een brakend geluid toen Venkelpoot klaar was met spreken. ‘Ga alsjeblieft weg. Ik walg van je’, grauwde ze.

‘Jij prijst Vliegpoot alsof hij in de zevende hemel zit’, bromde Steenregen, ‘maar in werkelijkheid zit hij eigenlijk onder de grond. Er is een verschil tussen goed bekend staan en slecht bekend staan. Vliegpoot is dat laatste. Wij hoeven zo helemaal niet worden. Ik ben liever onbekend, dan dat ik bekend sta als een zwak scharminkel!’

‘Het zwakke scharminkel van wie jij hebt verloren?’ vroeg Vliegpoot toen. Hij zag nu de opening van zijn plan, en hij greep het met alle vier zijn poten vast.

‘Ik heb je vaak genoeg verslagen’, gromde Steenregen. ‘De laatste keer zelfs weer. Echte katten zwakken namelijk niet af in bladkaal.’

‘Dat neemt nog steeds niet weg dat ik ook eens heb gewonnen. Het leven is een cirkel, nieuwblad komt er weer aan. Ik zou maar vast oppassen voor mij!’ siste het donkergrijs gestreepte katertje. Hij voelde het vuur langzaam aanwakkeren in zijn borst, maar misschien was het niet zo erg. Hij had het vuur juist nodig.

Naaldpoot sprong snel op haar poten en trippelde dreigend op haar af. ‘Ik zou maar oppassen voor ons juist, Vliegpoot’, gromde de poes. ‘Wij zijn en zullen altijd sterker zijn.’

‘Dat betwijfel ik anders’, grauwde Vliegpoot terug. Hij stond neus aan neus met de poes en was niet van plan een stap naar achteren te doen, ondanks haar stinkende adem. ‘Zullen we een wedstrijdje doen anders?’ Hij keek langs haar een, zijn ogen fonkelden uitdagend naar de anderen leerlingen. ‘Wij allemaal. Om dit voor eens en altijd duidelijk te maken.’

‘Dat is allang helder hoor’, snoof Rafelpoot. ‘Daar hoeven we geen wedstrijdje meer voor te houden.’

Vliegpoot trok zijn lippen wat op. ‘Is dit het WindClankamp soms? Ik dacht al dat ik angsthazen rook.’

‘Angsthaas’, verbeterde Kuifwind hem. ‘Ik ben namelijk totaal niet bang. Als we dit winnen, weet jij ook eindelijk eens je plaats, Vliegpoot.’ Hij keek naar de rest en wenkte met zijn staart om mee te komen. ‘Kom op, dit winnen we met gemak!’

Lijsterpoot knikte enthousiast. ‘Inderdaad! Het is Vliegpoot maar. We kunnen hem met gemak aan.’

Naaldpoot hief haar kin op. ‘Ik heb hem laatst ook weer verslagen in een gevechtspartijtje, en ik doe het zo nog een keer!’

Vliegpoot keek haar met vernauwde ogen aan. ‘Deze keer doen we geen gevechtspartijtje, dat zegt niks meer over hoe goed we echt zijn. We gaan nu onze andere krachten testen. Ik heb al een idee namelijk…’

Kervelpoot snoof. ‘Kom maar op, kleintje.’

Vliegpoot probeerde zijn duistere blik te verbergen achter een grijns en draaide zich om. Met elke stap voelde hij zich dichter bij zijn doel komen. Maar net voordat hij en de leerlingen het kamp uit wilden gaan, versperde Schervenklauw hem de weg.

‘Vliegpoot, kan ik je even spreken?’ vroeg de lichtgrijze kater. Achter hen liepen de leerlingen al door de doorntunnel het kamp uit.

‘Ik heb niks meer tegen je te zeggen’, bromde Vliegpoot. Hij wilde zijn mentor niet eens meer aankijken.

‘Het spijt me zo erg, Vliegpoot. Ik had het je zo graag willen vertellen, maar ik dacht… ik dacht–’

‘Je dacht verkeerd’, snauwde Vliegpoot bot.

Schervenklauw liet zijn kop hangen. ‘Ja, dat is zeker waar. Als je een andere mentor wil, zal ik dat bij Havikster aangeven, maar ik wil gewoon dat je weet hoeveel pijn het me heeft gedaan. Elke dag opnieuw.’

‘Mij deed het ook pijn. Constant.’ Vliegpoot voelde weer tranen opwellen in zijn ogen, maar hij kneep ze gauw weg. Hij haatte het hoe erg hij Schervenklauw had gemist de afgelopen dagen. Hoe erg hij iedereen had gemist eigenlijk. Maar telkens als ze in de buurt kwamen, duwde hij ze weer weg. Dat was beter dan nog keer een ijsscherf in je hart geboord krijgen. ‘Heb je verder nog wat te zeggen? Ik heb namelijk al andere plannen.’

Schervenklauw zuchtte en schudde zijn hoofd. Vliegpoot snoof en stapte vooruit, maar toch hield de lichtgrijze kater hem nog snel tegen met zijn dikke staart. Vliegpoot keek achterom en zag de pijn schitteren in Schervenklauws ogen. De kater wierp een blik naar de doorntunnel waarin de leerlingen waren verdwenen en zijn ogen bewolkten. ‘Doe alsjeblieft geen domme dingen, Vliegpoot.’

Vliegpoot ruste zich los en ontblootte zijn tanden naar zijn mentor. ‘Dom zou ik het niet noemen. En ik hoef niet meer naar jou te luisteren. Vanaf morgen heb ik een nieuwe mentor’, spuugde hij.

Schervenklauw kromp ineen en kneep zijn ogen stijf samen. Vliegpoot keek hem nog heel even aan, voordat hij zich omdraaide en weg stampte. Eigenlijk wilde hij geen nieuwe mentor. Er was niemand beter dan Schervenklauw in de HemelClan. Toch voelde het alsof hij geen keuze had. Hij moest dit doen, anders zou hij dadelijk nog erger lijden dan een vos in een vossenval. Hij wist namelijk dat nog niet alles aan het licht was gebracht. De hemel was nog vol geheimen.

•~•~•✩•~•~•V•~•~•✩•~•~•

‘Wat doen we hier?’ vroeg Arendpluis terwijl ze om zich heen keek. Eindelijk waren de leerlingen aangekomen bij het bevroren meer. Het ijs kleurde nu nog ijzig lichtblauw, maar het zou niet lang meer duren voordat dat veranderde naar bloedrood. Vliegpoot haalde zijn tong al smullend over zijn snoet.

‘We gaan een spel spelen op het ijs!’ verklaarde Vliegpoot zo enthousiast mogelijk. ‘Het heet Pak de Stok en het gaat er eigenlijk gewoon om dat één iemand de stok gooit en de rest gaat die dan zo snel mogelijk pakken. Wie het snelst is, wint!’

Rafelpoots en Kervelpoots ogen glommen vol interesse, maar die van Arendpluis en Lijsterpoot waren rond van de zorgen.

‘Weet je zeker dat het veilig is?’ vroeg Arendpluis weifelend.

‘Kan dat ijs ons allemaal wel houden?’ Lijsterpoot schuifelde ongemakkelijk met haar poten, ze was overduidelijk zenuwachtig.

Vliegpoot raapte gauw de stok op die hij onderweg had gevonden en meegenomen. Hij legde het voor Steenregens poten neer. ‘Hier’, miauwde hij, gebarend naar tak. ‘Werp het over het ijs heen, dan ga ik het halen en laten zien dat het prima mogelijk is!’

Steenregen knikte en klemde de stok stevig tussen zijn kaken. Voorzichtig stapte hij op het ijs. Vliegpoots hart begon te versnellen. Hij hoopte maar dat Steenregen er niet meteen doorheen zou zakken, dan zou hij ze allemaal persoonlijk moeten vermoorden. En al leek hem dat leuk werk, wist hij dat hij daar nu veel te zwak voor zou zijn met zo weinig eten op.

De grijze kater slingerde de stok eerst naar achter en toen met zijn gehele lichaam naar voren en hij liet het los. De tak gleed ver over het ijs en Vliegpoot voelde zijn ogen prikkelen door de spanning. Het was nu of niet. Zonder enig teken te geven, rende hij het ijs op. Heel even had hij de neiging zijn klauwen in het ijs te boren voor meer grip, maar hij wilde niet riskeren dat hij het open zou breken als een pas-geheelde wond. Uiteindelijk kreeg hij zijn poten zover om goed op het ijs te kunnen bewegen en rende hij over het meer heen. Enkele staartlengtes voor de stok stopte hij met rennen en liet zichzelf over het ijs glijden. Hij strekte zijn nek uit en pakte precies op tijd de stok met zijn opengesperde kaken beet. Langzaam gleed hij tot stilstand. Vliegpoot wachtte even totdat hij zeker wist dat hij goed kon blijven staan en hief toen trots zijn kin op. Onder zijn poten zag hij al langzaam enkele scheurtjes ontstaan in het ijs, maar gelukkig brak het niet helemaal door. Voorzichtig, maar toch een beetje snel ook, trippelde hij terug naar de oever waar de leerlingen op hem stonden te wachten. Hij gleed een paar keer uit, maar herpakte zich telkens weer net op tijd. Toen hij van het ijs afsprong, liet hij trots zijn stok voor de leerlingen vallen.

‘Zie je? Niks aan de hand! Het ijs kraakte zelfs niet eens! Het is echt stevig genoeg.’ Vliegpoot keek de twee twijfelende poezen aan, maar irritatie kriebelde onder zijn buik. Ze deden altijd zo stoer en nu wilden ze opeens niet mee doen? Lafaards waren het, zij verdienden het meer dan wie dan ook om dadelijk te verdrinken.

‘Maar ben ik hier niet veel te zwaar voor?’ vroeg Naaldpoot, terwijl ze onzeker naar haar poten staarde. Vliegpoot had de poes nog nooit zo kwetsbaar gezien. ‘Ik heb een veel grotere bouw dan jij, Vliegpoot… en meer spier natuurlijk!’ voegde ze er snel aan toe. Ze wilde natuurlijk niet zwak overkomen.

Vliegpoot snoof en keek haar recht in haar ogen aan. ‘Wil je soms zeggen dat je te mislukt bent om op het ijs te gaan?’

Naaldpoots ogen werden groot van schrik. ‘Nee! Nee! Nee, dat ben ik zeker niet. Ik ga op het ijs.’

Vliegpoot grimaste. ‘Goed zo.’

‘Maar stel dat het ijs zelfs Naaldpoot kan houden’, begon Lijsterpoot. ‘Wie zegt dan dat het ons allemaal kan houden?’

De kleine grijze kater klemde zijn kaken gefrustreerd op elkaar. Lijsterpoot verpestte alles! ‘Als het ons allemaal individueel kan houden, kan het ons toch ook in een groep aan?’

Lindepoot knikte. ‘Inderdaad, Lijsterpoot, doe eens niet zo laf!’

‘Maar… Maar dat klinkt echt totaal niet logisch…’, mompelde de poes stilletjes.

Rafelpoot slaakte een geërgerde zucht. ‘Het is een spel, het hoeft niet per se logisch te zijn!’

‘Daarbij heb ik gehoord dat angst je lichter maakt, dus jij hoeft je nergens zorgen over te maken, angsthaasje’, verzekerde Vliegpoot met een valse twinkeling in zijn ogen.

‘Ik ben niet bang!’ zei de lichtbruin gestipte poes vlug.

Vliegpoot hief zijn kin op en snoof. ‘Laat het zien dan.’

‘Wacht!’ Klonk er opeens vanaf een afstandje. Het was Venkelpoot die op de groep afrende. ‘Mag ik ook meedoen?’ De bruine poes kwam vlak voor hen tot stilstand en keek de groep hoopvol aan. Vliegpoots hart versteende echter toen hij haar zag. Zij mocht het ijs absoluut niet betreden!

‘Van mij wel’, bromde Kervelpoot. ‘Het spel is simpel. Eén iemand gooit de stok op het ijs, de rest gaat het pakken.’

Venkelpoot fronste. ‘Is dat wel verstandig? Misschien kunnen we beter wachten tot we wat verder in bladkaal zijn…’

Vliegpoot slikte even en sloot zijn ogen. Hij wilde allesbehalve Venkelpoot buitensluiten, maar deze keer was het met een goede reden. ‘Wat is daar nu spannend aan? Nu krijgen we nog een beetje adrenaline hiervan!’

‘Inderdaad!’ riep Rafelpoot enthousiast.

Venkelpoot leek echter niet overtuigd te zijn. ‘Maar–’

Vliegpoot slaakte onmiddellijk een diepe, luide zucht. ‘Ik wist wel dat jij het niet zou begrijpen’, gromde hij terwijl er een steek door zijn hart schoot.

Venkelpoot keek hem verbaasd en gekwetst tegelijk aan. Voordat ze echter wat kon zeggen, was Vliegpoot haar weer voor. ‘Dit spel is voor dappere en stoere katten, Venkelpoot. Niet voor jou dus. Nou keer terug naar het kamp en ga lekker teken van de oudsten afhalen. Dat lijkt me een meer geschikt spelletje voor jou.’

Alle andere leerlingen barstten in lachen uit, maar bij Venkelpoot verschenen er tranen in haar ogen. Snel draaide de poes zich om en rende huilend weg. Vliegpoot snoof en keek naar de rest. ‘Zei ik niet dat ze zwak en laf was?’

Lindepoot grijnsde. ‘Nu nog maar eens zien of jij dat niet bent!’

Heel even twijfelde Vliegpoot. Was dat alles wat het had gekost om geaccepteerd te worden door de rest? Venkelpoot pesten? Als het zo makkelijk was… - nee, dat zou hij nooit kunnen doen. Dit was niet alleen wraak voor zichzelf, dit was ook de wraak voor Venkelpoot. Zij verdiende het ook om van het getreiter af te zijn.

‘Nou zijn we er klaar voor?’ vroeg hij toen. De katten om hem heen knikten gretig. Pretlichtjes dansten in hun ogen als vuurvliegjes in de nacht. Ze waren allemaal even fanatiek, allemaal zo erop gefocust om niet als zwakkeling bekend te staan, om niet vernedert te worden. Vliegpoot moest zijn lach haast inhouden. Het werd hem ook veel te makkelijk gemaakt. ‘Ik zal nu de stok slingeren zodat jullie met z’n allen kunnen gaan. De winnaar van jullie zal tegen mij gaan. Dan zullen jullie zien dat ik de allerbeste ben!’

‘Over mijn lijk!’ spuugde Naaldpoot. ‘Ik ga dit winnen.’

‘Nietes! Ikke!’ zei Rafelpoot.

‘Nee, ik!’ schreeuwde Steenregen.

‘Jullie spelen allemaal voor de tweede plaats, ik win dit met gemak!’ joelde Kuifwind enthousiast.

Vliegpoot merkte hoe ze hun poten niet meer stil konden staan. Ze hadden er zin in.

‘Maar waarom mag jij de stok gooien? Hadden we niet beter Venkelpoot die stok kunnen laten pakken? Dan was het eerlijker geweest’, wierp Lijsterpoot tegen hem in. Vliegpoot trok zijn klauwen snel in en uit en blies geïrriteerd door zijn neusgaten zijn stoom naar buiten. Lijsterpoot is toch zo’n vervelende spelbreker! Maar goed, dadelijk zal ze een ijsbreker worden… Hij schoot in de lach door zijn eigen binnenpretje, maar zorgde er snel weer voor dat zijn gezicht strak stond.

‘Als ik tegen degene strijd die van jullie allemaal heeft gewonnen en ik win, betekent dat automatisch toch dat ik ook beter ben dan de rest? Daarbij is Venkelpoot veel te zwak om die stok te gooien…’ beet hij terug naar Lijsterpoot.

‘Inderdaad!’ viel Lindepoot hem bij. ‘Wat heb jij vandaag met domme opmerkingen, zus? Het is gewoon maar een spel…’

Lijsterpoot schonk haar broer een boze blik toe, maar hield haar mond stevig dicht en zei voor de rest niks meer. Vliegpoot knikte goedkeurend en pakte toen de stok weer op en trippelde het ijs op. Hij voelde de spanning in zijn lichaam samentrekken, maar het was goede spanning, want hij had er enorm veel zin in.

Hij pakte de stok goed beet, niet te goed, want hij wilde het nog kunnen loslaten. Hij haalde diep adem en probeerde zijn rust te bewaren, maar toch voelde hij zijn poten trillen. Als dit mislukte… Nee, het zou niet mislukken. Zo mocht hij niet denken.

Hij boorde zijn klauwen zachtjes in het ijs voor extra grip. Hij slingerde stok eerst naar de zijn ene zijde en draaide zijn nek en hoofd toen helemaal de andere kant op en liet de stok los. Deze keer kwam de grote tak misschien niet zover als dat Steenregen hem had gegooid, maar hij kwam wel bijna precies in het midden – waar het ijs op z’n zwakst was.

Toen hij omkeek, stormden de rest van de leerlingen al langs hem heen. Vliegpoot keek ze lachend na. Nu pas wist hij zeker dat ze allemaal uilendons in hun brein hadden. Hij had makkelijk met ze mee kunnen rennen. Ze hadden kunnen zeggen dat, nadat hij de stok had gegooid, hij naast hen moest plaatsnemen en dat ze samen zouden aftellen tot drie. Maar daar hadden ze allemaal niet eens over nagedacht. Ze waren zo blind als mollen en zo dom als muizen. En over een paar hartslagen waren ze net zo aan het spartelen als vissen.

Vliegpoot staarde ze na met een grijns op zijn gezicht. Hij zag hoe ze het allemaal moeilijk ze het hadden om goed vooruit te komen. Zoveel moeite, alleen maar om dadelijk dood te gaan. ‘Oh en trouwens, pas op voor het gladde ijs’, siste hij hen nog na.

Plots gleed Naaldpoot tot stilstand terwijl de rest langs haar heen sprintte. Vliegpoots nekharen vlogen overeind door de stress. Waarom rende die poes niet door? ‘Naaldpoot, wat doe je?’ schreeuwde hij naar haar.

‘Dit ijs houdt mij niet!’ gilde de poes. ‘Ik zei toch dat ik te zwaar was!’ De grote poes keek hopeloos naar haar poten. Haar vacht stond nog rechter dan de stekels van een egel. Ze durfde niet meer te bewegen.

Vliegpoot keek langs haar heen. Gelukkig was de rest nog bezig met sprinten. Hij zag Kuifwind en Rafelpoot glijden over het ijs, recht op de stok af. De anderen hadden er wat meer moeite mee. Maar uiteindelijk doken ze allemaal als roofvogels op de stok af. Kuifwind probeerde Rafelpoot aan de kant beuken, maar gleed uit en belandde hard met zijn snuit op het ijs. Lijsterpoot en Lindepoot gleden tegen elkaar aan en begonnen toen te vechten. Ze bevonden zich nu allemaal op één kluitje bij elkaar, als een hoopje stront.

‘Stop!’ riep Kervelpoot toen, de angst sneed door zijn stem heen.

‘Ik hoor wat kraken!’ gilde Lijsterpoot angstig.

Alle katten op het ijs verstarden, alsof ze zelf ook bevroren waren.

‘W-Wat gaan we nu doen?’ vroeg Lindepoot met een bevende stem.

‘Praat niet!’ snauwde Rafelpoot wanhopig naar hem toe. ‘Daardoor breekt het ijs alleen maar verder!’

‘Het ijs is sowieso aan het breken!’ krijste Arendpluis bang.

‘Wacht! Allemaal niet bewegen! Blijf bij elkaar!’ schreeuwde Vliegpoot naar hun toe. ‘Ik zal jullie redden! Maar verroer je niet! Dan breekt het ijs zeker weten!’

‘Ik zei toch dat dit geen goed idee was!’ jammerde Lijsterpoot.

‘Hou je mond, Lijsterpoot’, gromde Lindepoot naar zijn zus.

‘Wees stil!’ spuugde Rafelpoot weer. ‘Vliegpoot, schiet op! Het kraakt nu overal!’

Vliegpoot knikte begrijpend naar hem toe. Het geluid begon nu ook zijn oren te bereiken. Hij sloop voorzichtig naar Naaldpoot toe.

‘H-Help mij eerst!’ smeekte de poes, tranen glanzend in haar ogen. Vliegpoot kon haar angst en zweet al een paar staartlengtes verderop ruiken.

Ineens begon hij zijn tempo te verhogen. Hij trok zijn klauwen iets verder uit, zodat hij meer grip had, en rende op haar af. ‘Vl-Vliegpoot?!’ riep Naaldpoot geschrokken. ‘Wat doe je? Dit is niet voorzichtig!’

Vliegpoot gleed naar over het ijs met veel vaart naar haar toe. Zodra hij in de buurt kwam, strekte hij zijn poten uit en duwde haar zo hard als ze kon verder over het ijs. ‘Dat is ook de bedoeling, stuk vossenstront’, snauwde hij nog naar haar toe.

Naaldpoots ogen werden ze groot als de maan toen ze verder naar achteren gleed. Ze staarde hem vol doodsangst aan. ‘Vliegpoot!’ piepte ze luid.

‘Naaldpoot, nee!’ schreeuwde Kervelpoot naar zijn zus toe. De grote poes haalde haar klauwen over het ijs, in de hoop tot stilstand te komen, maar niks hielp. Daar was het ijs te glad voor. Ze schoof door precies naar de plek waar de anderen bij elkaar stonden. Geen van allen verroerden zich. Geen van allen durfden nog te ademen. Vliegpoot bleef staan waar hij stond. Hij grijnsde vals, zijn ogen gevuld met haat en pret. Langzaam zag hij witte scheuren in het ijs ontstaan. Het krakende geluid vulde zijn oren, maar werd overstemd door de schreeuwen van de leerlingen.

‘Help!’ brulden ze in koor.

Maar niks was meer oorverdovend als het volgende geluid wat hij hoorde.

Krak.

Dat was het geluid geweest waar Vliegpoot al dagen naar had gesmacht. Het geluid dat hij in zijn dromen had gehoord en met heel zijn hart voor had gewenst. Zijn oren waren verdoofd door het geschreeuw van de leerlingen, hij hoorde slechts krak en daarna een vrolijke ochtendballade van vogels die zich afspeelde in zijn hoofd.

Het leek uit het niets te gebeuren. Het ijs aan de zijkanten schoof omhoog, het water spatte overal naar toe, maar precies waar de leerlingen stonden, zakten het naar beneden. Naar de diepte van het meer. Naar hun dood.

Het gekrijs verdween door het geluid van het spattende water op het ijskoude ijs. Vliegpoot zette voorzichtig een stapje dichterbij. Het enige waar hij zich op focuste, was het water dat als een woeste storm heen en weer golfde. Zijn hart bonkte in heel zijn lijf, zijn adem stokte in zijn keel. Hij moest alles geven om nog een stapje dichterbij te zetten. Uit het niets verscheen toen het hoofd van Rafelpoot, die radeloos naar adem probeerde te happen, maar alleen maar meer water binnen kreeg. Plots werd hij weer onder water getrokken en gebruikte Kuifwind zijn lijf om zich naar boven te duwen, maar Rafelpoot trok de gevlekte kater weer naar beneden. De twee katers worstelden als twee boze snoeken in het water. Vliegpoot stond vanaf de kant mee te kijken en barstte in lachen uit. Tranen sprongen in zijn ogen. Tranen van opluchting, maar vooral ook tranen van blijdschap.

Hij speurde het water rond en zag voor de rest geen van de anderen hoofden verschijnen. Het waren slechts luchtbubbeltjes die naar boven dreven en een poging deden om te ontsnappen aan de kou, maar ze braken zodra ze het wateroppervlak hadden bereikt.

‘Vl-poot!’ proestte Rafelpoot uit. De donkerbruine kater gooiden zijn poten op het ijs en probeerde er op te klimmen. ‘Hlp me!’ Hij spuugde wat water uit, waardoor hij grip verloor en weer opnieuw kon beginnen.

Vliegpoot liep voorzichtig naar hem toe en boog zich over hem heen. Het koude water klotste tegen zijn poten aan, maar hij voelde alleen maar de warmte van het vuur dat in hem brandde. ‘Waarom zou ik? Heel mijn leven treiteren jullie me al, maken jullie het leven me zuur. Ik heb nooit wat verkeerd gedaan! Maar toch besloten jullie om mij als zwak schakel te nemen, om te telkens opnieuw weer belachelijk te maken. Jullie verdienen dit, Rafelpoot.’

‘H-Het spijt me’, riep Rafelpoot. Hij keek Vliegpoot smekend aan, pijn straalde van zijn ogen af.

Vliegpoot drukten zijn kaken hard op elkaar en sloeg zijn poten zonder pardon weg. ‘Te laat’, grauwde hij.

Rafelpoot verdween onder het ijs, maar Vliegpoot kon hem nog volgen. De luchtbelletjes drukten tegen de onderkant van het ijs aan en Rafelpoots poten probeerden met al hun kracht het ijs te breken. Maar niks werkte. Vliegpoot veegde het ijs schoon met zijn staart zodat hij kon toekijken. De donkerbruine kater duwde zijn gezicht nog tegen het ijs. Nog één laatste keer kon Vliegpoot hem recht in zijn ogen aankijken. Dit was hoe het hoorde te zijn, wist Vliegpoot. Hij zou nu voor altijd in Rafelpoot zicht staan. Rafelpoot zou zijn gezicht nooit meer kunnen vergeten. Vliegpoot was namelijk het gezicht van zijn dood.

Hij keek nog even toe hoe Rafelpoot langzaam naar beneden zonk en verdween in de duisternis, waar Vliegpoot hem niet meer kon zien. Ik zei toch dat ik dat ik op de top zou eindigen? dacht Vliegpoot grimassend. Hij boog zijn nek naar de hemel en glimlachte. Hij had het gewoon gedaan. Hij had het echt gedaan! Zijn plan was geslaagd. De leerlingen waren dood. Eindelijk was hij van hun onheil af. Nu stond niemand hem meer in de weg. Straks zou iedereen inzien wat Vliegpoot werkelijk waar was. Het was voorbij nu. Hij draaide zich grijzend om, nu moest hij naar het kamp om de rest over het ongeval te vertellen. Hij wilde om zich heen kijken, in de hoop dat niemand hem hier gezien had, maar toen ineens zag hij de kat die vlak voor zijn poten stond.

Hij staarde recht in de blauwgroene ogen van Venkelpoot.

Vliegpoot hapte verschrikt naar adem. Hij wilde een stap naar achteren doen, maar wist dat hij dan in het water zou vallen. Toen hij haar zo zag, wist hij dat het ijs niet het enige was wat vandaag was gebroken. Venkelpoot was dat ook. De poes staarde hem met open mond aan, tranen stroomden langs haar wangen nog naar beneden en kletterden als regen op het ijs.

Geen van beiden zei wat. Ze konden alleen maar elkaar blijven aankijken. Maar Vliegpoot wist heel goed dat een stilte dit niet kon oplossen.

‘Venkelpoot, je begrijpt het niet…’ begon hij mompelend.

‘Hoe kon je?’ ademde Venkelpoot, nog steeds in shock. ‘Ik… Vliegpoot…’ Ze zuchtte en sloeg haar ogen neer. Het leek erop dat ze gewoon in elkaar wilde zakken.

‘Al heel mijn leven–’ ging Vliegpoot verder, maar hij onderbrak zichzelf doordat hij moest happen naar adem. Tranen welden op in zijn ogen, en deze keer kon hij ze niet meer zo maar wegknijpen. Ze moesten eruit. ‘Ik had geen keuze, Venkelpoot. Ik kon zo niet verder. Ze moesten gestraft worden.’

‘Dat is niet de manier waarop!’ schreeuwde Venkelpoot. De poes begon hevig te snikken en te huilen.

‘Er was geen andere manier’, mompelde Vliegpoot rustig. ‘Ik was niet van plan om de hele tijd stil te blijven en het over me heen te laten komen. Zo kan niemand leven, Venkelpoot, jij ook niet. Ik deed dit voor ons!’

‘Niet waar!’ spuugde de bruine poes. ‘Dit deed je voor jezelf. Alleen voor jezelf.’

‘Vertel me niet dat jij ze niet doodwilde! Ze treiteren jou ook al heel je leven!’ riep Vliegpoot boos uit. Zijn nekharen begonnen overeind te komen en zijn ogen begonnen te vlammen. Ergens smachtten zijn klauwen ernaar om de poes aan te vallen, maar hij kon het gewoon niet. Dit was niet zomaar iemand. Dit was Venkelpoot.

‘Ik wilde ze niet dood!’ huilde de poes. ‘Ze waren familie, Vliegpoot. Mijn familie!’

‘Oh, en ik weet zeker niet wat dat inhoudt? Ik kan me niet inleven hoe dat voelt?’ spuugde hij naar de gebroken poes.

‘Nee, Vliegpoot… zo is dat niet’, miauwde Venkelpoot, nu wat rustiger.

‘Nee, laat maar zitten! Ik dacht dat jij mijn vriendin was, maar je bent net als hun. Je was het altijd al.’ Vliegpoot klemde zijn kaken op elkaar. Zijn tranen stroomden misschien nog, maar hij voelde niks meer.

‘Dat is niet waar! Ik moest wel liegen, Vliegpoot, iedereen moest dat. En het spijt me. Het spijt me. Het spijt me. Het spijt me. Het spijt me! Ik kan het niet genoeg zeggen. Ik zou willen dat ik niet zo’n angsthaas was, maar dat ben ik wel. Ik was bang voor Havikster, net als iedereen in de Clan. Maar ik probeerde altijd een goede vriendin voor je te zijn. Daar was niks van gelogen. Maar je kan niet zeggen dat ik een monster ben net als hun. De enige die dat hier is, ben jij’, snikte ze.

‘Ik hield van je, Venkelpoot.’ Vliegpoot kneep zijn ogen stijf samen toen hij dat zei en slikte. Zijn hart voelde net zo versnipperd als het ijs waarop de leerlingen zojuist hadden gestaan. ‘Je zult zien dat dit voor het beste is geweest. Als we samen het ongeluk vertellen, zullen ze ons geloven! Ze zullen ons niet pakken. Wij zullen eindelijk aan de top staan, met niemand die ons naar beneden kan halen.’

‘Wil je dan echt zo winnen?’ vroeg ze huilend. ‘Geef je dan echt zo veel om die winst? Geeft dat je dan echt zoveel voldoening? Is dat dit allemaal waard?’

‘Ja, dat was het zeker.’

Vliegpoot staarde naar zijn poten waar zijn tranen op vielen. ‘Dit is het beste voor ons, Venkelpoot. Voor iedereen.’

‘Er is geen ons’, jammerde Venkelpoot. ‘Dat had er kunnen zijn. Maar ik kan dit je nooit vergeven, Vliegpoot. Het spijt me, maar ik moet dit vertellen aan de Clan.’ Ze draaide zich om en probeerde weg te komen, maar Vliegpoot greep haar vliegensvlug bij haar staart. Venkelpoot slaakte een angstige gil en hij trok haar naar zich toe. De poes gleed over het gladde ijs naar hem toe en hij sprong op haar.

Tranen vulden hun ogen. Ze hielden van elkaar, maar toch konden ze elkaar niet vergeven. Vliegpoot had het kunnen weten. Er kon er maar één als winnaar eindigen, net zoals dat er maar één leider was. Het was eenzaam aan de top, dat was het offer dat je moest betalen om er te komen. ‘En nu spijt het mij, Venkelpoot. Ik zou willen dat dit niet had moeten gebeuren. Maar ik kan je dit niet laten doen. Ik hou van je.’ Daarna sloot hij zijn ogen en duwde haar richting het gat in het ijs.

Venkelpoot liet een tranenspoor achter, terwijl ze over het ijs schoof, maar toen ineens draaide ze zich bliksemsnel om. Ze boorde haar klauwen stevig in het ijs en trok zichzelf overeind.

Vliegpoot staarde haar aan, wetend wat er nu zou komen. Zijn hart, of wat er nog van over was, zonk naar zijn poten. Heel zijn lichaam beefde. Hij wilde dit niet doen. Maar het moest. Er was geen andere mogelijkheid. Deze keer moest hij een geheim bewaren, niet de rest.

Hij stormde op haar af en zij vloog hem in de haren. Hij haalde zijn klauwen over haar lijf en zij boorde haar nagels in zijn gezicht. Allebei schreeuwden ze het uit van de pijn. Fysieke pijn, maar ook innerlijke pijn. Vanbinnen waren nu wonden geopend die nooit meer zouden helen.

Vliegpoot probeerde haar van zich af te duwen, maar de poes hield zich stevig aan hem vast. Hij hapte naar voren, zijn kaken opengesperd en klaar voor haar nek, maar Venkelpoot was sneller en ontweek hem. Ze gebruikte zijn ongelukkige positie en gooide hem omhoog. Met zijn snufferd belandde Vliegpoot op het ijs. Nu pas voelde hij werkelijk hoe koud het was. Zijn lichaam begon echter pas te rillen toen hij haar klauwen in zijn lijf voelde.

Opeens voelde hij haar duw en gleed hij over het ijs. Zijn nagels schuurden over het koude oppervlak, in een poging tot stilstand te komen.

Vliegpoot viel echter regelrecht het water in.

Als een doorgedraaide vis spartelde hij wild heen en weer. De kou schoot als duizend bliksemstralen door heel zijn lichaam. Uiteindelijk bereikten zijn poten weer de bovenkant van het ijs. Hij schraapten zijn klauwen erover, in de hoop grip te vinden zodat hij zichzelf kon ophijsen.

Toen viel er een duistere schaduw over hem heen.

De altijd-vrolijke Venkelpoot stond over hem heen gebogen met voor het eerst een donkere blik in haar ogen. Deze keer waren het haar tranen die op zijn poten vielen. ‘Ik zou ook willen dat het niet zo moest eindigen’, jankte ze. ‘Ik zou willen dat dit allemaal nooit gebeurd was. Dat ik je weer kon zien als de kleine onschuldige Vliegpoot met wie ik altijd zoveel medelijden had. Maar dat kan ik niet meer, Vliegpoot.’ Ze boorden haar scherpe klauwen in zijn poten. Door de pijn trok Vliegpoot zijn nagels meteen in en schreeuwde het uit. ‘Het spijt me!’ kermde ze. Happend naar adem, snikte ze nog een paar keer. Heel haar lichaam was aan het trillen. ‘Ik hield ook van jou.’

En toen liet ze los.

Vliegpoot voelde hoe zijn poten van het ijs weggleden. Hij deed nog twee pogingen om het ijs weer te voelen, maar hij voelde zich naar de boden getrokken worden. Hij omhoog en zag Venkelpoots gebroken blik nog een paar keer. Nooit had hij gedacht dat de poes die hem altijd nieuwe hoop had gegeven, ook zijn einde zou betekenen.

Hij zonk steeds verder naar beneden en duisternis sloot hem in. Het beeld van Venkelpoot brandde nog op zijn netvlies. Hij wilde huilen, maar zijn tranen hadden in dit water toch geen betekenis meer. Er glinsterden dan ook geen verdriet meer in zijn ogen, maar eerder voldoening. Zijn plan was alsnog geslaagd en Venkelpoot zou dat nooit meer kunnen terugdraaien. Het meer zou inderdaad rood kleuren vandaag, al had hij niet verwacht dat zijn eigen bloed er ook bij zou zitten. Maar hij vond het niet erg. Zijn lichaam zou voor eeuwig op de bodem van het meer zijn, evenals die van zijn slachtoffers. De Clans zouden hem zo voor altijd blijven herinneren. Niemand zou Vliegpoot vergeten.

Ineens verschenen er flikkerende schimmen naast hem. Hij keek verwilderd om zich heen. Hij zag Biesneus weer, en Panternacht. Uiteindelijk kwam ook Luipaardsprong tevoorschijn en daarna Hazenoor. Ze juichten hem luid toe. Hij ontmoette de troste blik van zijn mentor en een warm gevoel verspreidde zich door heel zijn lichaam. De kou kon hem nu niks meer maken, dus opende hij zijn mond om het water naar binnen te laten gaan. Maar het was niet water wat er naar binnen stroomde. Het was iets zoets. Iets wat hij al eerder had geproefd.

Het was honing.

Epiloog[]

Ondanks dat het voelde als slechts een hartslag geleden, was het toch weer raar om de grond onder zijn poten te voelen. Vliegpoot hapte naar adem en zijn ogen vlogen open. Het water spatte van hem af en vloeide over de duistere bosgrond. Maar na één keer knipperen, was hij zo droog als een boom na een brand. Hij hoefde niet eens meer om zich heen te kijken om te weten waar hij was. Hij wist het antwoord al: het Duistere Woud.

Het enige wat hij zich nog afvroeg, was of de leerlingen hier ook waren. Vliegpoot trippelde ergens naartoe. In dit deel van het woud was hij nog nooit geweest en door de mist kon hij niet ver voor zich uitkijken. Het was er doodstil.

Toen opeens hoorde hij in de verte wat stemmen. Ze riepen zijn naam.

Hij versnelde zijn pas en rende er op af. Hij stormde door de bosjes en kwam toen aan op een open plek. Normaal zou er een grasveldje zijn, maar dit was natuurlijk het duistere woud. Hier was alleen droge grond.

‘Vliegpoot!’ Hij hoorde Luipaardsprong zijn naam het luidst schreeuwen.

Verontwaardig keek hij de open plek rond. Allerlei Duistere Woudgeesten stonden bij elkaar en joelden zijn naam. Hazenoor stond natuurlijk vooraan. De grijsbruine poes liep naar voren en tikte met haar neus de zijne aan. ‘Welkom in het Duistere Woud, Vliegpoot. Ik ben zo trots op je. Je hebt die pestkoppen eens wat laten zien!’

Vliegpoot sloot vol genot zijn ogen. ‘Bedankt voor alles, Hazenoor. Jij hebt me zoveel geleerd.’

‘Maar uiteindelijk heb je alles zelf gedaan’, vulde ze hem weer aan. ‘Jij verdient alle eer, Vliegpoot, echt waar.’ Ze sloeg een poot om hem heen en ging naast hem staan. Opnieuw vulden luide kreten de duistere hemel. De verloren krijgers sprongen enthousiast op en neer en schreeuwden de lucht uit hun longen. Vliegpoot kon niet anders doen dan lachen. Hij wist het zeker nu. Hier was hij echt thuis.

‘En de leerlingen?’ vroeg hij voor de zekerheid.

Hazenoor klemde haar kaken zichtbaar op elkaar. ‘Die zijn in de SterrenClan belandt. Niet verdient, maar beter dan hier, toch?’

Hij knikte meteen. ‘Absoluut!’

‘Het spijt me wel dat je niet nog wraak hebt kunnen nemen op Havikster. Maar ik weet zeker dat Mirrehars en Schervenklauw nog iets van plan zijn. Die geven niet zomaar op’, vertelde Hazenoor hem. ‘We zullen blijven zoeken naar nieuwe rekruten in de HemelClan, katten die ons zouden kunnen helpen tegen die tiran.’

Vliegpoot wierp een blik opzij naar Biesneus. Ze joelde uitbundig mee met de rest, maar haar ogen glommen onheilspellend. Zou ze hem ooit accepteren? Zou zij meewerken met een plan om Havikster uit de Grote Boom te gooien?

‘Dat is fijn, maar onnodig’, zei Vliegpoot toen tegen zijn mentor. Hazenoor keek hem zoals verwacht verontwaardigd aan.  ‘Dit was namelijk altijd al deel van mijn plan. Of nou ja, ik had er rekening mee gehouden.’

Hazenoors oranje ogen glommen geïnteresseerd. ‘Vertel.’

‘Kijk ik wist dat er altijd een kans was dat ik zou gaan sterven. En ik had gezworen om Havikster nog meer te laten lijden dan de leerlingen. En nu… nu kan ik hem kwellen. Hem en Venkelpoot. Ik zal zijn nachtmerries bezoeken, in zijn oren fluisteren, mijn klauwen over zijn lijf halen. En hij zal het voelen en er niks tegen kunnen doen. Ze zullen vernietigd worden. Allebei.’ Hij grimaste en staarde voor zich uit. Hij zag het al helemaal voor zich.

‘Ik zal je helpen, altijd’, beloofde Hazenoor. ‘Zou je trouwens een krijgersnaam willen? Je hebt hem meer dan verdiend.’

Vliegpoot dacht heel even na en schudde toen zijn hoofd. ‘Nee, laat mij maar mijn leerlingennaam behouden. Dan zal iedereen altijd herinneren wat ik heb gedaan.’

Hazenoor knikte goedkeurend en lachte. ‘Jij stelt me ook nooit teleur, hè?’ Ze gaf hem een liefdevolle lik tussen zijn oren. Normaalgesproken had het gevoeld alsof hij weer een kit was, maar deze keer ervaarde Vliegpoot dat niet meer zo. Hij was niet meer de kleine donkergrijs gestreepte kater. Hij was groot nu, gevaarlijk ook. Groot en gevaarlijk, zo zou hij nu door iedereen onthouden worden!

Hij keek naar zijn poten en beeldde zich in wat er beneden zou afspelen op het moment. Waarschijnlijk was Venkelpoot zojuist overstuur het kamp ingestormd en zou ze iedereen alles vertellen. Zouden ze geschokt zijn? Wat zouden Mirrehars en Schervenklauw wel niet van hem denken? Ach, wat boeide het ook. Het enige waar hij aan dit moment kon denken, was wraak.

Havikster en Venkelpoot zouden moeten oppassen. Binnenkort zou er namelijk een kwelgeest in hun leven zijn. Zij zouden zijn mosballetjes worden in zijn wraakspel. Hij had nu het ijs gebroken, dus nu waren hun aan de beurt om te breken. Vliegpoot klemde zijn kaken hard op elkaar en kon het krakende geluid daardoor al horen. Oh, wat zou hij er van gaan genieten!

Een diepe grom borrelde op uit zijn keel. Hij boorde zijn klauwen zo ver mogelijk in de grond en kromde ze toen, alsof hij een hart in zijn poten had die hij aan het vernietigen was. Er ontstonden scheuren in de donkere aarde. Vliegpoot trok ze nog verder uit elkaar. Het deed hem denken aan de kloof die in de HemelClan was ontstaan. De kloof waar hij ze allemaal in zou duwen. Havikster en Venkelpoot als eerste.

‘Jullie leven nu, geniet ervan, want morgen zal het zeker weten een heel ander verhaal wezen.’

Nawoord[]

Wow, dan opeens is Glad IJs af. Ik heb hier zolang aan gewerkt. Er zaten zoveel tussen pauzes in. Dit is de volgorde waarop ik het gepost en geschreven heb:

De proloog kwam op 7 september 2019 op de wiki.

Hoofdstuk 1 verscheen op 15 oktober 2019 en toen hoofdstuk 2 op 1 november.

Toen kwam er een grotere tijdsprong want hoofdstuk 3 kwam er op 27 februari 2020 op.

En toen… hoofdstuk 4… 20 november 2020 oml. Zoveel maanden erna.

Hoofdstuk 5 was net zo erg want die verscheen pas op 4 september 2021.

Gelukkig werd Glad IJs toen mijn prioriteit en ging het wat sneller. Op 10 oktober verscheen hoofdstuk 6, op 16 november hoofdstuk 7, op 13 december hoofdstuk 8. Uiteindelijk kwam hoofdstuk 9 op 21 december en verschenen hoofdstuk 10 en de epiloog op 23 december.

Zoveel tijd sprongen zeg… niet normaal. Ik vond het ontzettend lastig om er weer terug in te komen, maar man wat ben ik blij dat ik dat gedaan heb. Ik heb dit boek altijd leuk gevonden. Zelfs de proloog die in 2019 verscheen ben ik nog tevreden mee en dat gebeurt niet vaak. Ik ben echt van dit boek gaan houden en hij betekent heel veel voor me. Ik ben zo blij dat ik heb doorgezet (de beloofde doden op het einde hielpen hele erg) en ben best trots op het eindresultaat! Dit was allemaal niet mogelijk geweest door deze fantastische mensen die me altijd aanmoedigde om verder te gaan! Morgenpoot, Moonkitty1, Withart en Zonnepoot, zo erg bedankt. Door jullie is dit verhaal er nu! Ook aan al mijn andere lezers: bedankt <3

Nu wordt Kille Winden weer mijn prioriteit en voordat de opvolger Kwelgeesten komt, staan er nog wat andere boekjes in de planning. Dus dat is helaas nog even wachten, maar hopelijk bevat de rest ook!

Ciao ciaoooo, Donder.

Donderslags Warrior Cats fanfictions
Het Nieuwe Pad: Boeken Opkomende DonderDe Dodelijke SchaduwDuistere HemelenKille WindenRivier van VerdrietVallende Sterren
Novelles Lotsbestemming (Ochtenddauws TekenSchildpadbloems HartDauwschemers Schuld)Leugens en Bedrog (Populiersters StilteStippelloofs KeuzeSparrentaks Mysterie)
Superedities De Reis naar de Grote PlataanClan van Vuur
Verhalen van het Duistere Woud Vliegpoots Wraak (Glad IJsKwelgeestenSchaduwwraak)Biesneus' Macht
Het Nieuwe Pad: Hoofdpersonen DonderslagSchaduwveerHemelwolfWindjagerRiviersprongEngelhartAvondmaanGraanpootEendenhartHeemstvleugel
Novelles: Hoofdpersonen OchtenddauwSchildpadbloemDauwschemerPopuliersterStippelloofSparrentak
Superedities: Hoofdpersonen PruimpootVuur Dat Bos Doet Branden
VDW: Hoofdpersonen VliegpootVenkeloorSchervenklauwBiesneus
Advertisement