De Nederlandse Warrior Cats Fanfiction wiki
Advertisement
Zeven jaar.
300+ gebruikers.
3000 pagina's.

Beste gebruiker,
Of je nou lang of kort op deze wiki bent, of je nou veel of weinig verhalen hebt geschreven, of je nou schrijver bent of liever leest... je hebt op je eigen manier bijgedragen aan het voortbestaan van deze plek. En daar willen wij, Zonnepoot en Morgenpoot, jullie heel erg voor bedanken.
In de jaren dat wij op deze wiki zijn geweest, hebben we creativiteit zien opbloeien waar de Erins alleen maar van kunnen dromen. Dat inspireert ons en vele anderen ook weer om steeds maar te blijven creëren. Personages, werelden, meeslepende verhalen en tragische eindes. Cliffhangers, plottwisten, het komt allemaal voorbij en weet iedereen te boeien.
Laten we vooral blijven creëren. Laten we vooral dingen maken waar anderen weer van kunnen genieten.
En om dat te illustreren, is hier de langverwachte 3000-pagina's bundel. Zoveel schrijvers zijn samengekomen om buiten hun comfortzone te treden of juist te doen wat ze zo geweldig goed kunnen. We wensen jullie onwijs veel leesplezier toe!
Zonnepoot & Morgenpoot

Opmerkingen vooraf

  • Alle verhalen zijn voorzien van triggerwaarschuwingen. Dit zijn onderwerpen of thema's die mogelijk schokkend kunnen zijn, zoals geweld en kwetsend taalgebruik.
  • De verhalen zijn gerangschikt op alfabetische volgorde van de gebruikersnamen.
  • We vragen jullie vriendelijk om alleen inhoudelijke reacties onder deze pagina's te plaatsen. Reacties die niks te maken hebben met het onderwerp of reacties die reclame maken voor fanfictions, worden onmiddellijk verwijderd.
  • Alleen het beheer kan en mag deze pagina bewerken. Je kunt een verzoek indienen bij ons om iets in jouw eigen tekst aan te passen. Dit mag echter maar in een paar gevallen! We gaan spelfouten en andere fouten in je tekst NIET aanpassen. Dat is voor ons simpelweg niet haalbaar. De enige fouten die we aanpassen, zijn fouten die door onszelf gemaakt zijn: als we bijvoorbeeld de titel van je verhaal zijn vergeten of een verkeerde overzichtspagina hebben gelinkt. Verzoeken worden ingediend op onze prikborden, dus niet in de reacties.

Triggers

Icoon Betekenis
Moord trigger.png Moord
Sterfgeval.png Sterfgeval
Slapeloosheid trigger.png Slapeloosheid

Donderslag or Thunderstrike

Gemaakt door Moonkitty1.

Heya, ik ben Donderslag, een fanfiction schrijver hier. Ik ben alleen niet zo snel en schrijf vaak wat langere teksten, daarom was onder het minimum van 3000 woorden blijven ook echt een pittige uitdaging oops… die ik heb gefaald hehe… Ik heb in ieder geval al drie boeken voltooid en één novelle! Mijn fanfictions gaan gewoon door op Warrior Cats en spelen zich heel veel jaren na de laatste boeken af, zodat ik wat vrijheid heb om eigen veranderingen in te voeren. Ik hoop dat als je mijn verhalen leest, ze je bevallen en dat je ervan geniet!


Storm van Druiven en Kikkers

Soort van gebaseerd op The Buddies, het is dan ook opgedragen aan mijn fantastische hond <3

‘Ik ben een reus! Ik ben een reus!’ Als een konijn sprong de gouden hond op en neer, enthousiast omdat hij groter was dan enkele planten.

‘Wacht maar, ze worden steeds groter, hoe verder je komt, hoe groter ze zijn. Deze zijn gewoon pas net uit de grond gekomen’, bromde een witte kater.

De hond haalde zijn schouders op. ‘Verpest het nu niet! Ik ben groter dan bomen!’

‘Zijn het wel bomen?’ vroeg de kat zich af.

‘Sst, je doet het weer, Heldere Hemel!’ Boos stampte het lichtharige diertje door.

Sterrenspoor schudde haar hoofd. ‘Moest je nu echt zijn ziel vernietigen?’ snoof ze geamuseerd.

Heldere Hemel glimlachte. ‘Soms is het gewoon leuk om te doen. Daarbij moet hij soms een beetje opgroeien. We moeten wel overleven!’

De zwarte poes gaf hem een tik met zijn staart. ‘Volgens mij heeft hij jouw leven anders meerdere malen gered.’

De witte kater bromde. ‘Maar ook meerdere malen in gevaar gebracht.’

‘Quint weet zich echt wel prima redden! Dat heeft hij echt wel bewezen! Jij moet leren om wat losjes te zijn. We hebben gewoon een nieuw avontuur nodig, om die chagrijnigheid uit je te krijgen!’ mopperde Sterrenspoor.

Heldere Hemel keek haar verontwaardigd aan, maar toch zag ze in zijn prachtige heldergele ogen de pretlichtjes sprankelen. ‘Ik? Chagrijnig?’

Sterrenspoor snorde en gaf hem een liefdevolle lik over zijn wang. ‘Jij hebt nog meer humeur dan een beer die wakker wordt gemaakt tijdens het koude seizoen.’

‘Nou… Nou mijn humeur houdt jullie tenminste in leven! Ik laat me niet afleiden.’

Sterrenspoor spinde. ‘Ik zeg ook niet dat het erg is. Het is alleen ook niet erg om het allemaal eens even los te laten. Leer te genieten van het leven!’

‘Ik geniet van het leven!’

‘Nee, je denkt alleen maar aan overleven. Je moet plezier maken!’ Sterrenspoor strekte haar nek om te kijken waar de drukke hond nu weer uithing. ‘Quint!’

Even verderop spotte ze de gouden pluimbal terwijl hij zijn staart achterna zat. Ze grijnsde. Heldere Hemel en Quint waren precies in balans met elkaar. De een serieus, de ander levendig. En als derde was zij er. Wat deed zij eigenlijk in de groep? Wat was haar taak? Ervoor zorgen dat Quint in leven bleef en Heldere Hemel niet zijn vacht eraf scheurde? Opeens begonnen de schrammen op haar pels weer te steken. Ze keek ernaar en streek met haar staart haar haren erover heen. Dat waren ook herinneringen aan een plek waar ze niet gewild was, waar ze niet thuishoorde. Maar daar wilde ze niet aan denken nu. Ze was gelukkig hier met Heldere Hemel en Quint, eindelijk. Toch voelde ze nog altijd het zachte getrek aan haar oren. Een klein stemmetje in haar hoofd bracht haar altijd weer terug bij haar levenslot. Volg het sterrenspoor, volg het sterrenspoor. Alsmaar ging het door. Ze werd er gek van. Heel haar leven was ze opzoek gegaan naar het zogenaamde spoor van sterren. Ze wist dat het iets met haar lotsbestemming te maken had, net als Heldere Hemel opzoek was naar zijn eigen bestemming, zodat hij grootse dingen kon bereiken. Ergens betreurde het haar dat ze hen ooit zou moeten verlaten vanwege hun verschillende levensdoelen. Met elke stap die ze zette, begon ze steeds meer van de twee haarballen te houden. Maar heel haar leven was Sterrenspoor al bezig geweest met haar lotsbestemming. Ze had een pauze nodig. Ze had plezier en geluk nodig, zodat ze daarna weer aangesterkt was en verder kon gaan met het bewandelen van haar eigen pad. Toch bleef ze bang dat deze afleiding ervoor zou zorgen dat ze haar einddoel nooit zou halen. Maar was dat nu wel zo erg? Als het haar lot was, zou het haar wel tegemoetkomen toch? En zo niet, dan had ze heel haar leven om een gezellige tijd te hebben met haar vrienden.

‘Sterrenspoor, schiet op!’ riep Quint naar haar toe. Nog steeds vond ze het ongelooflijk dat de hond de taal van katten had leren spreken. Maar Heldere Hemel en hij kenden elkaar dan ook al heel hun leven.

‘Wat gaan we doen dan?’ vroeg ze terwijl ze richting haar twee vrienden trippelde.

Heldere Hemel wees met zijn staart naar een groot gebouw gemaakt door Tweebenen. ‘Quint wil weer eens ons vermoorden en ons mee naar binnen sleuren in dat ding.’

Sterrenspoor grijnsde. ‘Ach, ik heb een lang en gelukkig leven gehad.’

‘Ik niet, ik zit al heel mijn leven met hem opgescheept’, snikte de witte kater.

Quint gaf hem een harde beuk waardoor Heldere Hemel omviel. ‘Oh, je weet heus wel dat je van me houdt!’

Heldere Hemel hees zichzelf kreunend overeind en keek de gouden pluimbal boos aan, maar zijn ogen schenen vol blijdschap. ‘Laten we zo snel mogelijk naar binnen gaan. Het einde kan niet snel genoeg komen.’

Sterrenspoor knikte instemmend en nam gauw de leiding over de groep en leidde hen richting het reusachtige, glinsterende gebouw. Wat zou er nu weer op hen wachten? Haar nieuwsgierigheid verhoogde haar tempo. Door de rechte paden was het een gemakkelijke wandelingen en zodra de planten groter werden, begon ze opeens te herkennen wat het waren. Druiven!

‘Hebben jullie ooit een druif gegeten?’ vroeg ze.

Heldere Hemel snoof schuddend zijn kop. ‘Ik eet alleen vlees.’

Quints staart ging vrolijk heen en weer. ‘Ik niet! Ik eet alles!’

Ze reikte met haar poot naar het dichtstbijzijnde trosje en gaf het aan de hond. ‘Dan moet je dit zeker proeven. Het is heerlijk!’

Zonder ook maar een hartslag na te denken, likte Quint ze in één keer op. Zodra hij begon te kauwen stroomde het sap uit zijn mond. Hij sloot zijn ogen van genot. ‘Het is geweldig! Ik wil meer! Ik wil meer!’ Hij ging op zijn achterpoten staan en sloeg met zijn klauwen verschillende trosjes naar beneden. ‘Heldere Hemel, je moet dit proberen! Het is geweldig!’ De blije hond duwde een trosje druiven in Heldere Hemels gezicht. ‘Hup, mondje open!’

Heldere Hemel keek snel weg en snoof. ‘Echt dus niet. Ik eet niet wat die mislukte varkens hebben gemaakt!’

‘Dit komt gewoon van moeder natuur hoor!’ wierp Quint tegen.

‘Ach, die Tweebeners hebben het allemaal in hun macht. Het zou me niks verbazen als ze er vergif op hebben gespoten’, bromde de witte kater.

Snel slikte Sterrenspoor haar eigen trosje op. Meteen proefde ze de heerlijke zoete smaak en stroomde het sap door haar keel. Soms was het zo fijn om eens wat anders te eten dan vlees. Ze snorde van genot.

‘Nouja, dan gaan Quint en ik maar samen dood. Wil je niet met ons mee? Ik denk dat wij veel irritanter zullen zijn als geesten hoor…’ plaagde de zwarte poes de kater.

Heldere Hemel slaakte een hopeloze zucht. ‘Levend of dood, jullie zullen altijd mijn kwelgeesten zijn. Als geest hoef ik hopelijk niet tegen jullie gezichten aan te kijken.’

Quint sprong blij op hem af, zijn donkerbruine ogen glommen. ‘Als we geesten zijn kan, je ons ook niet wegduwen of slaan. Weet je zeker dat je in een wereld wil leven waar je absoluut geen controle meer over me hebt?’ grinnikte de hond.

Lachend schudde de witte kater zijn kop. ‘Oké, oké. Liever samen dood dan samen levend’, murmelde hij. Met zijn poot griste hij een druif van de takken en stopte het snel in zijn mond. Direct trok hij een vies gezicht en maakte een kokhalzend geluid.

‘Ach, stel je niet zo aan! Ze zijn hartstikke lekker!’ De zwarte poes sprong op hem en begon hem te porren over heel zijn lichaam. Al snel deed Quint blaffend mee. ‘Zeg dat ze lekker zijn! Geef het toe!’

‘Auw! Auw! Auw!’ kermde Heldere Hemel alleen maar, al ging hij pas echt dood door het harde lachen. Na een tijdje duwde hij ze van zich af en bleef stil liggen op de grond. ‘Oké, oké, ik geef het al toe. Ze zijn zalig!’

Sterrenspoor knikte goedkeurend. ‘Heel goed, was dat nu zo moeilijk?’

‘Wat?’ vroeg Heldere Hemel. ‘Blijven ademen? Ach, ik ben het gewend. Leven met jullie is elke dag weer een uitdaging… en geef me nu eens wat meer van die bessen!’

‘Hé!’ riep Quint. ‘Het zijn druiven! Je moet wel respectvol met zulke verrukkelijke dingen omgaan!’

Heldere Hemel haalde zijn schouders op. ‘Bes, druif, wat is het verschil?’ Hij haalde zijn klauwen over de planten en zo vielen er verschillende trosjes naar beneden. Binnen een mum van tijd hadden ze zoveel verzameld, dat Sterrenspoor niet wist of ze het ooit op zouden krijgen.

‘We moeten snel dit opeten, het wordt al donker!’ zei Quint.

Sterrenspoor keek hem droogjes aan. ‘Alsof snel eten voor jou een probleem is. Jij verorbert tien hazen in één hartslag, ik denk dat er wel een paar druiven ingaan bij jou.’

‘Kunnen we het daar niet opeten?’ Quint wees met zijn staart naar het Tweebeennest ‘Daar zouden we toch al heen gaan. Misschien kunnen we er overnachten?’

Heldere Hemels nekharen schoten overeind. ‘Ben je gek geworden? Ik ga niet daarin slapen! Dat is veel te gevaarlijk!’

Quint staarde neutraal terug. ‘Dus? We wilden toch een avontuur hebben, dit klinkt als een avontuur!’

Sterrenspoor knikte instemmend. ‘Ik dacht dat jij zo dapper was en alles durfde? Kom op, muisje, we zullen het vast overleven.’

Zonder op een antwoord te wachten, sprintte Quint al met enkele trosjes naar het grote gebouw toe.

Hoofdschuddend raapte Heldere Hemel zijn deel bij elkaar. ‘Ooit zullen jullie echt mijn einde zijn’, zuchtte hij.

✶⊶⊷⊶⊷❍⊶⊷⊶⊷✶

‘Is het niet heerlijk warm en gezellig hier?’ blafte Quint vrolijk.

Sterrenspoor keek afwachtend naar Heldere Hemel. Zou hij weer brommen? Maar tot haar verbazing bleef de witte kater stil. Hij was nog steeds bezig met het druivensap van zijn poten te likken. Ze grinnikte. Ze wist maar al te goed hoe verslavend die druiven konden zijn, maar na een tijdje maakten ze je zo moe… Zij wist dat ze goed moest blijven opletten voor een teken van gevaar, zeker nu ze zich in het territorium van Tweebenen bevonden. Ze wilde haar vrienden plezier laten hebben, maar zijzelf moest paraat blijven staan om ze te beschermen.

‘Ik heb ze al op’, jammer de witte kater toen. ‘Ik wil meer! Wie gaat mee om ze te halen?’

Quint sprong direct op zijn poten en hield zijn oren wat omhoog. ‘Waarom helemaal daar naartoe gaan? Hierbinnen ruik ik ook een hele hoop! Ik ruik het nog beter zelfs!’

Sterrenspoor knikte instemmend. ‘Het ruikt inderdaad zoeter hier. Zullen we op onderzoek uitgaan?’

‘Jullie ook met jullie avonturen’, kreunde Heldere Hemel. ‘Maar oké, voor vanavond ben ik “leuk”. Geef me alleen niet de schuld als we morgen dood zijn.’

‘Heldere Hemel leuk?’ vroeg Quint verontwaardigd. ‘Nooit gedacht dat dat zou gebeuren.’

‘Ik wist niet eens dat het mogelijk was’, mompelde Sterrenspoor vol verbazing. Nu wilde ze zeker weten niet in slaap vallen door de druivensuiker. Dit moest ze meemaken.

‘Jaja, stil jullie. Anders word ik weer een brombeer.’

Quint begon te kwispelen. ‘Als dat gebeurt zullen, Sterrenspoor en ik onze krachten bundelen en het kietelmonster in ons naar boven brengen.’

Heldere Hemels ogen werden groot van schrik. ‘Oh, Saturo, red me!’ De kater sprong op en sprintte weg, verder het gebouw in.

‘Grijp hem!’ joelde Sterrenspoor en Quint stoof er onmiddellijk achteraan, alsof Heldere Hemel een tak was die ze had weggegooid.

De drie vrienden stormden door het gebied heen. Sterrenspoor had amper de tijd om de omgeving in haar op te nemen. Haar neus werd geblokkeerd door de zoete zurige geur die als een dikke wolk in het Tweebeennest hing. Ze zag veel creaties van hout, maar ook gladde, zilveren ronde dingen. Haar poten prikkelden om er eens in te gluren, maar eerst Heldere Hemel vinden.

Plots struikelde Quint over zijn eigen poten en gleed het hele pad door, totdat hij met een harde knal ergens tegen aanstootte. Maar de hond sprong meteen weer op, alsof er niks was gebeurd. Ze snapte nooit hoe Quint zich zo weinig aan kon trekken van zijn pijn. Aan de andere kant snapte ze wel weer precies hoe het kon voelen, want zij had hetzelfde, maar toch anders.

Opeens werd ze besprongen. ‘De prooi wordt de jager!’ grauwde Heldere Hemel triomfantelijk. Hij sloeg haar een paar keer op haar lichaam, maar het deed geen pijn. Want dat was precies haar probleem. Ze had geen pijn als iemand haar pijn deed. Haar pijn kwam altijd later, uit het niets. Ze wist namelijk van de vechtpartijtjes tussen Quint en Heldere Hemel dat ze allebei redelijk ruw speelden en hun eigen krachten konden onderschatten. Quint kon niet eens zijn klauwen intrekken, dus was ze al een paar keer gewond geraakt. Maar nooit deed het pijn. Heldere Hemel was er jaloers op, hij zou willen dat hij niet pijn had in een gevecht, maar toch beviel het Sterrenspoor niet helemaal. Het gaf haar het gevoel dat ze harteloos was. Was dat misschien waarom ze haar littekens had gekregen? Dan zou ze eindelijk een reden hebben…

Opeens verdween Heldere Hemel van haar rug en hoorde ze Quint speels blaffen. De hond en de kat rolden tussen de ronde houten dingen door. Ze waren pure chaos samen, maar dat vond Sterrenspoor juist leuk. Heldere Hemel en Quint was een combinatie die ze niet kon verklaren, net zoals ze een hele hoop dingen over haar zelf niet kon verklaren. Het was prettig zo.

‘Kijk uit!’ riep ze naar haar vrienden, een hartslag voordat ze allebei hard ergens tegenaan stootte.

Heldere Hemel probeerde nog wat te roepen, maar doordat Quint bovenop hem ging zitten met zijn dikke kont, kwam er nauwelijks geluid uit. ‘Ik heb hem! Ik heb hem!’ schreeuwde de hond blij uit. De pretlichtjes van triomf dansten als een storm in zijn ogen. ‘Laten we hem in die dingen gooien!’ lachte hij, terwijl hij met zijn staart wees naar de zilveren dingen.

Sterrenspoor lachte, maar keek toch even onzeker naar het Tweebeenspul. Wat als het gevaarlijk was? Maar voordat ze kon antwoorden, had Quint Heldere Hemel bij zijn nekvel gepakt en sleurde hem mee. De witte kater spartelde inmiddels niet eens meer tegen, hij had zich gewoon volledig overgegeven.

‘Druiven… ik heb druiven nodig’, kermde hij zachtjes. ‘Alleen druiven kunnen mijn pijn nog genezen.’

‘Sterrenspoor, een beetje hulp graag!’ drong Quint aan terwijl hij onhandig omhoog klauterde. Het was eigenlijk onmogelijk hoe een wezen die nog over zijn eigen poten struikelde zo behendig was. Quint stopte nooit met haar te verbazen.

Ze haastte zich naar hem toe en probeerde Heldere Hemel aan te geven, wat nog lang niet zo soepel ging als ze had gehoopt. Gelukkig was Quint redelijk sterk en nam hij de kat gemakkelijk van haar over. ‘Weet je zeker dat je nog meer druiven wil?’ vroeg Sterrenspoor uitgeput terwijl ze zelf ook omhoog sprong. ‘Ik denk niet dat er nog veel bij past met dat gewicht van jou.’

Heldere Hemel opende een oog en vernauwde die naar haar. ‘Noem je me nu gewoon dik? Terwijl Quint recht voor je neus staat? Ik dacht dat ik vergeleken met hem nog wel meeviel.’

Quint gaf de kater een gemene por in zijn maag. ‘Ik ben niet dik! Ik heb gewoon veel vacht!’

Heldere Hemel snoof. ‘Altijd weer die excuses…’

De gouden hond vernauwde zijn ogen. ‘Wacht maar.’ Hij pakte Heldere Hemel bij zijn nekvel, terwijl die angstig begon te gillen voor de grap, en wierp hem in de zilveren bak.

‘Quint!’ riep Sterrenspoor bangig. Ze had gezien hoe diep het was, wat als Heldere Hemel er nooit meer uitkwam?

Direct hoorde ze een plons en spoelde er een golf van water over haar heen. Of water? Wat was dit spul? Zodra ze haar ogen weer opende snuffelde ze eraan en likte eroverheen. Meteen verwarmde haar maag door het heerlijke spul. Dit was het zoete wat ze al die tijd had geroken!

‘He-Help! Hel-lup!’ hoorde ze Heldere Hemel in de bak proesten. Snel keek ze over de reling en zag de witte kater in roodachtig water heen en weer spartelen. Onmiddellijk stak ze een poot naar hem uit. Toen Heldere Hemel haar echter te pakken had, trok hij haar met zich mee en belandde ze in het zoete water.

‘Aaah!’ gilde ze toen ze weer boven kwam.

‘Hahaha’, hoorde ze Quint en Heldere Hemel keihard lachen.

‘Wist je niet dat ik kon zwemmen?’ snorde Heldere Hemel.

Sterrenspoor vernauwde haar ogen en bewoog haar poten naar hem toe en duwde hem kopje onder. De witte kater was niet de enige die voor vis kon spelen. Luchtbelletjes schoten omhoog uit het water terwijl Heldere Hemel wild heen en weer bewoog, maar voordat ze het wist werd ze zelf weer naar beneden getrokken.

Ze opende haar mond door de schrik en het zoete sap stroomde haar mond binnen, maar eigenlijk vond ze het niet eens erg. Ze vond het best wel lekker. Gelukkig liet Heldere Hemel haar snel weer los zodat ze naar adem kon happen.

‘Wacht op mij!’ hoorde ze Quint roepen. ‘Bommetjeeeeee!’

Voordat ze zich erop kon voorbereiden, sprong de hond het water in en veroorzaakte een vloedgolf, waardoor ze bijna weer stikte. Heldere Hemel plonsde in het water en iedereen nam zijn beurt om elkaar onder water te duwen. Op een gegeven moment had Sterrenspoor het gevoel dat ze zoveel sap had binnengekregen dat het in elk deel van haar lichaam zat.

‘Ik kan niet stoppen met drinken!’ zei Quint terwijl hij rustig rondzwom in de grote bak.

‘Hmmm, ik ook niet’, snorde Heldere Hemel.

Ook Sterrenspoor kon niet van het spul afblijven. Het was zo lekker en verleidelijk… ondanks haar goede voornemens om er niet te veel van te nemen. Ach, ik moet ook een keertje leven, dacht ze terwijl ze verder dronk.

Opeens spitste Heldere Hemel zijn oren. ‘Waag het trouwens niet om erin te plassen, Quint. Als jij veel drinkt komt het er altijd twee keer zo groot uit.’

Quint lachte ongemakkelijk. ‘He…he… te laat, oeps.’

Meteen spuugde Heldere Hemel het uit zijn mond en klauterde op de kant. Een hartslag later hoorde Sterrenspoor een harde klap op de grond. Snel zwom ze ook aan de kant, het water werd plots verdacht warmer namelijk… Gelukkig was er zoveel druivenwater in de bak gegooid, dat ze nog gemakkelijk bij de rand kon en zichzelf op kon hijsen. Maar zodra ze dat deed, tuimelde ze voorover en belandde net zoals Heldere Hemel met een smak op de grond.

‘Auww…’ kreunde ze.

Heldere Hemel barstte in lachen uit. Hij probeerde op te staan, maar zodra hij dat deed begon hij te wankelen en viel weer om. ‘Je viel uit de bak! Je viel uit bak!’

‘Jij ook, Rode Hemel’, snorde ze. De witte kater was nog allesbehalve wit na de lange zwempartij.

‘Rode Hemel! Hahaha!’ De kater viel op de grond van het lachen en rolde heen en weer.

Spontaan moest Sterrenspoor meelachen. De halve wereld draaide voor haar, maar toch voelde ze zich opeens zo vrolijk en lacherig.

Niet veel later klonk de derde plof en was Quint ook naar beneden gestort. Sterrenspoor en Heldere Hemel begonnen nog harder te lachen toen ze zijn verwilderde kop zagen.

Quint wankelde naar ze toe. ‘Ik heb … geplast.’

‘Ieeuwwwww’, miauwden Sterrenspoor en Heldere Hemel in koor, waarna ze weer moesten lachen. Sterrenspoor had werkelijk geen idee wat er met haar aan de hand was. Waarom lachte ze zo? Het voelde gewoon alsof ze complete controle over haar lichaam was kwijtgeraakt, maar goed, dat had ze wel vaker.

Haar gedachten verdwenen  als sneeuw voor de zon terwijl ze samen met haar vrienden terug probeerden te lopen naar de plek waar ze hun druiven hadden opgegeten. Voor de derde keer op een rij struikelde Quint over zijn poten, Heldere Hemel over zijn staart en Sterrenspoor viel gewoon om. Alle drie kwamen ze niet meer bij van het lachen en tranen sprongen in haar ogen.

‘Je ogen plassen! Je ogen plassen!’ proestte Quint uit.

Heldere Hemel kromp ineen van het gelach. ‘Ogen kunnen helemaal niet plassen… of wacht, toch wel?’

‘Kijk dan naar haar!’ riep Quint keihard. ‘Natuurlijk plassen ze! Hahaha.’

Sterrenspoor zelf kon het ook niet meer inhouden en liet het water – of plas – uit haar ogen stromen.

‘Ieeuwwww’ riepen Quint en Heldere Hemel weer in koor.

Uit het niets liet Quint opeens een keiharde boer. ‘Dat was ik niet!’ riep de hond weer snel.

Heldere Hemel keek geschrokken op. ‘Ik ook niet!’ zei hij voordat hij weer in lachen uitbarstte.

Sterrenspoor viel weer om. ‘Ik ook niet!’ schaterde ze.

‘Oh wacht, ik was het toch wel…’, gaf Quint toe.

‘Nee, ik was het!’ zei Heldere Hemel.

Sterrenspoor schudde haar hoofd, haar ogen dichtgeknepen door de lach op haar gezicht. ‘Nee, volgens mij was ik het!’

‘We waren het alle drie!’ joelde Quint terwijl hij weer heen en weer begon te rollen.

Om de beurt lieten ze allemaal opnieuw een boer. ‘We lijken wel een kikkerkoor!’ miauwde Heldere Hemel blij.

‘Oeh! Oeh! Zullen we een kikkerkoor beginnen!’ riep Quint blij.

Sterrenspoor sprong als een dooie vis op en neer. ‘Kwaak! Kwaak!’

Quint en Heldere Hemel deden gauw met haar mee. ‘Kwaak! Kwaak! Kwaak die kwaak! Kwaak kwaak! Kwaak! Kwok!’

Ze stopten alle drie en rolden weer om. ‘Kwok! Kikkers zeggen helemaal geen kwok!’ lachte Quint zich dood.

‘Kwok! Kwok! Kwok!’ schreeuwde Heldere Hemel opnieuw. ‘Burp!’

‘Burp! Burp!’ boerde Quint opnieuw. Sterrenspoor kwam haast niet meer bij.

Samen begonnen ze het kikkerlied te boeren terwijl ze langzaam maar zeker terugkwamen bij hun slaapplek. ‘Burp! Barp! Kwaak! Burp! Kwaak die kwaak! Burp burp! Kwaak kwok!’ En zo gingen de drie vrienden nog even door, tot in het diepste van de nacht.

✶⊶⊷⊶⊷❍⊶⊷⊶⊷✶

Plots werd Sterrenspoor wakker door een scheurende pijn in haar maag. Ze opende haar ogen, meteen voelde ze haar flinke koppijn. Wat was er in vredesnaam gebeurd?

Ze ging overeind zitten en hoorde Heldere Hemel zachtjes snurken. Quint probeerde het ook, maar af en toe kwam er een “burp” tussendoor. Sterrenspoor had geen flauw idee waarom, maar het geluid kwam haar bekend voor.

Opnieuw werd ze uit haar gedachten gescheurd door de snijdende steek op haar flank. Sterrenspoor keek naar haar buik en begon over de nieuwe wond te likken. Er stroomde flink wat bloed uit en ze had al zoveel koppijn… Ik moet even naar buiten, besloot ze.

Ze strompelde naar buiten, nog steeds wankelde ze een beetje. Waarom kon ze zich niks meer van afgelopen nacht herinneren? Pas toen ze de buitenlucht diep inademde om haar hoofd rust te geven, rook ze hoe erg ze stonk. Had ze overgegeven?

Een nieuwe snee verscheen op haar lichaam. Langzaam keek ze toe hoe het steeds groter en groter werd en hoe de druppels bloed eruit vloeide. Ze begon snel met likken. Waren er ergens kruiden hier? De grond was zo droog en kaal, op de druivenbomen na. Sterrenspoor betwijfelde of ze iets nuttig zou vinden, dus bleef ze maar likken. Als het een infectie werd, had ze een groter probleem. Gelukkig had ze het nu al vaak genoeg meegemaakt om te weten hoe ze het moest behandelen.

Tranen prikten langzaam in haar ogen terwijl ze de wond probeerde schoon te likken. Ze wist zeker dat dit weer een nieuw litteken zou worden. Hoelang zou het nog duren totdat haar vacht haar schrammen niet meer verborg? Waar kwamen ze ook vandaan? Ze herinnerde de dag nog dat haar vader haar had aangevallen en haar had verscheurd. Toen had ze haar eerste littekens al gekregen, maar ze had er nooit wat van gevoeld. Er stroomde ook amper bloed uit. Ze was eerst  nooit bang meer geweestvoor gevaar. Maar toen ze helemaal alleen was, toen begon alles. Het was net zo’n donkere nacht als deze. De sterren hadden de hemel verlicht en alles was vredig, maar Sterrenspoor had het uitgeschreeuwd van de pijn. Ze was bijna in haar eigen bloed verdronken. En er was niemand om haar heen. Niemand had haar pijn kunnen doen. Sindsdien had ze altijd naar een oplossing gezocht om haar eigen pijn te voelen, niet die van iemand anders. Ze wilde niet constant in onzekerheid meer leven. Ze wilde gewoon antwoorden. Waarom had haar moeder haar in de steek gelaten en haar vader haar mishandeld? Waarom waren haar ogen wit? Waarom de onverklaarbare littekens?

Een sterke wind trok aan haar vacht en opeens hoorde ze stemmen schreeuwen. Tweebenen! dacht ze gealarmeerd. Ze moest Quint en Heldere Hemel waarschuwen! Snel stond ze op. Ze liet het bloed maar uit zich stromen, haar vrienden waren belangrijker. Ze rende terug naar het gebouw, maar voordat ze er was, hadden de Tweebenen al de ingang geblokkeerd met grote wanden, die er eerst nog niet waren. Ze hoorde de Tweebenen opnieuw schreeuwen naar elkaar, ze klonken in paniek.

Toen opeens hoorde ze nog meer geschreeuw in de verte. En toen overal. Vogels begonnen te krijsen. Was er storm op komst? Langzaam voelde ze zich meegetrokken worden door de wind. Druivenbomen werden uit de grond gerukt en vlogen weg. Sterrenspoor boorde haar klauwen in de grond terwijl een groot kabaal haar oren vulden. Wat was er in hemelsnaam aan de hand? Het voelde alsof elke haar op haar vacht van haar afgerukt werd. Ze rende naar het gebouw en beukte er tegen aan. ‘Heldere Hemel! Quint! help!’ schreeuwde ze. ‘Help!

Ze hoorde wat aan de andere kant, maar ze kon er geen woorden van maken. De wind gonsde door haar oren. Toch voelde ze de houten wand trillen en wist ze dat er klauwen overheen werden gehaald. Opnieuw welden tranen in haar op toen ze voelde hoe haar nagels langzaam uit de grond werden gerukt. ‘Sterrenspoor!’ hoorde ze Heldere Hemel zachtjes zeggen, al schreeuwde hij waarschijnlijk. ‘Sterrenspoor kom!’

‘Heldere Hemel!’ riep ze naar hem toe, hopend dat hij het kon horen. Ze wist opeens niet meer wat ze moest zeggen. Was dit afscheid? Haar achterpoten schraapten inmiddels over de grond, opzoek naar houvast, maar niks was sterk genoeg. ‘Heldere Hemel!’ riep ze opnieuw. Haar voorpoten begaven het onder de kracht van de wind. Tranen stroomden over haar wangen, bloed stroomde over haar lijf. ‘Ik hou van je’, mompelde ze.

Vervolgens liet ze los en gaf zich over aan de wind. De eerste zonnestralen van de nieuwe morgen verlichten de hemel. Nu pas kon Sterrenspoor zien in wat voor draaikolkende wind ze terecht was gekomen. Ze slingerde omhoog. Ze vloog. Takken en druiven sloegen tegen haar hoofd, bladeren sneden over haar huid, maar Sterrenspoor sloot rustig haar ogen en beeldde zich in dat het kikkers waren. Ze zou haar eigen pijn toch niet voelen, hoe graag ze het ook wilde. Ze had er alles voorover.

Ze draaide en draaide in het rond. Ze vloog als een vrije vogel, maar toch was ze nog steeds gevangen door de wind. Opeens kwamen de herinneringen aan de avond daarvoor in haar op en verdween haar koppijn als sneeuw voor de zon. Ze glimlachte terwijl ze huilde. Het was de beste avond van haar leven geweest met Quint en Heldere Hemel. Zou ze zich ooit weer als een doorgedraaide kikker kunnen gedragen?

✶⊶⊷⊶⊷❍⊶⊷⊶⊷✶

Plots raakte haar poten de grond. Ze wist niet hoe, ze wist niet wanneer en ze wist al helemaal niet waar. Ze opende haar op elkaar geplakte ogen. Heel haar lijf plakte. Het ene deel door bloed, de ander door tranen. Zou ze haar vrienden ooit nog terugzien? Hadden ze het overleefd? Er verscheen een brok in haar keel toen ze het verwoeste landschap voor zich zag. Nog nooit had ze gedacht dat de wind zo krachtig was, maar ze begreep de boodschap maar al te goed. Ze moest zich weer focussen op het sterrenspoor, ze moest haar antwoorden vinden. Ze moest haar pijn voelen. Ze kneep haar ogen stijf samen en liet de tranen maar rollen. Het kikkerlied ging vrolijk verder in haar hoofd, al wist ze dat ze het waarschijnlijk nooit meer zou horen. Quint en Heldere Hemel hadden hun eigen lotsbestemmingen, net zoals zij. Ze kreeg opeens dorst door haar verdriet. Ze miste hen nu al, maar ze zou er maar aan moeten wennen. Ze wist toch al hoe ze alleen moest zijn, dat was haar grootste talent. Ze sloot haar ogen en strompelde langzaam verder over de gebroken aarde, met maar één gedachte die door haar hoofd schoot. Volg het sterrenspoor.

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Donderslags fanfictions!


Goudvuur

GoudvuurPF.jpg
Hallo Fandom! Ik ben Goudvuur (dubbelacc van Gaaivedertje) en ik doe mee aan de 3000 pagina's verzamelbundel! Momenteel schrijf ik aan Verbroken, en dit boek is gelinkt aan dat boek. Ik lees al jarenlang Warrior Cats en Momenteel lees ik in het Engels. Ik ben echt een hardcore lover! Hieronder staat de oneshot (er is een dodelijk gevecht). Mijn pf staat hiernaast, weetje, de kat op mijn profielfoto is Zwaan uit mijn ff! Veel leesplezier!

Moord trigger.png

Schedels wraak cover.jpg
Een witte kater met een zwarte snuit liep door een donkere steeg. Hij was kwaad, nee woedend. Hij was afgewezen door de Clans, waar hij graag lid van wilde worden. Maar ze wilden hem niet.

Hij zinde op wraak. Hij wilde zich wreken en de Clans een lesje leren. Ze zouden boeten. Maar Sneeuw – zo heette hij- stond even stil. Hij moest een groep hebben…een groep van katten om de Clans aan te vallen.. Hij lachte gemeen.

De enige groep die goed kon vechten was de groep van Rat, een grote donkergrijze kater met zwarte strepen. Hij had een grote groep van zwerfkatten. Hij zou Rat uitdagen voor een gevecht en als hij won, zou hij de groep krijgen.

Hij liep de steeg uit en zag de groep – en Rat- op een hoop vuilniszakken.

‘Hé Rat!’, riep Sneeuw. De zwerfkatten keek achterom, zijn ogen flitsten. ‘Hallo, Sneeuwvlokkie', grijnsde hij en hij sprong van de vuilniszakken. Zijn zwerfkatten lachten ook. ‘Wat wil je', bromde hij. Sneeuw keek hem recht aan. ‘Ik wil je uitdagen voor een duel.’, zijn stem was vol van zelfvertrouwen. Maar zo voelde hij zich niet. Rat was een heel goede vechter en had al veel overwinningen op zijn naam staan. Rat lachte luid en lang. Zijn zwerfkatten ook. Vol spot keek de leider van de zwerfkatten hem aan. ‘Jij? Een duel?’, hij lachte nog een keer. ‘Ja’, mauwde hij. Hij liep een stap naar voren. Hij stak zijn borst vooruit. ‘Als ik win, krijg ik je groep’, mauwde hij. Rat lachte, en zonder enig teken, besprong hij Sneeuw.

Hij duikelde achterover en voelde de tanden van de zwerfkat in zijn nek boren. Hij schreeuwde en worstelde zich onder hem uit. Sneeuw klauwde over de snuit van Rat en sprong naar voren. Hij haalde naar hem uit, maar miste. Hij grauwde. Rat tackelde hem en Sneeuw viel tussen de vuilnisbakken. Lege blikjes en kapotte flessen klingelden naast hem. Even was hij verwart. Hij reageerde trager en merkte hoe Rat naar voren dook en hem hard klauwde over zijn borst. Hij hoorde bloed spatten. Hij gorgelde en duwde zichzelf naar voren en viel bovenop zijn tegenstander. Rat liet hem los en toen zag Sneeuw zijn kans. Hij dook naar voren en beet Rat in de keel. De donkere kater viel dof achterover tussen de vuilniszakken. Er viel restafval uit gaten in de zakken naast hem op de grond. Zwakjes keek Sneeuw naar Rat, die niet bewoog.

Heb…heb ik hem vermoord?

‘Je…hebt…gewonnen', mauwde een witte poes zacht. De zwerfkatten liepen naar hem toe. Sneeuw grijnsde.

‘Je moet een nieuwe naam hebben', mauwde de witte poes. Sneeuw keek naar Rat.

‘Noem mij vanaf nu Schedel’, hij grijnsde gemeen richting het lijk van Rat.

Pas maar op Clans…mijn wraak zal zoet zijn…

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Goudvuur!

Hulstdroom

HulstdroomPF.png
Op bijna alle social media heet ik DreamyWhale maar mijn wiki account is erg oud en vroeger noemde ik mezelf Hulstdroom dus daarom heet ik zo op de wiki. Ik heb op de fanfiction wiki op het moment nog maar één fanfiction ([1]). Maar het is deel één van een trilogie. Ik ben niet zo heel druk bezig met schrijven maar doe het zoveel mogelijk. Ik hoop in de nabije toekomst actiever te worden op de wiki.

Sterfgeval.png

Een koele bries woei door het woud, van de hoge naaldbomen, door het dicht begroeide woud en richting het moeras. Twee katten plonsden door het water, het had veel geregend en dus was het water in het moeras hoger komen te staan. Een slanke zwarte tuxedo kat, en een grote cyperse kater waren veel meer geluid aan het maken dan gewend.

Als je zou moeten raden wie van hen de leiding had zou je het snelst zeggen dat het de grote cyperse kater is, toch? Nou ik kan je verzekeren dat dat niet zo is. De cyperse kater is Distelsteel, en de zwarte tuxedo kat? Dat is Ekstervlucht. Ze zijn opweg naar de maansteen.

Hun leider, Drassigster, is net overleden en Ekstervlucht is op weg om zijn negen levens in ontvangst te nemen. Zodra de twee katten bij vierboom aankwamen stopten ze even. ‘We kunnen hier wel even uitrusten.’ Mompelde Distelsteel.

De medicijnkat was niet spraakzaam en ging nooit harder dan mompelen, maar dat vond Ekstervlucht niet erg, soms hoef je niet te praten om elkaar te kunnen verstaan. Ekservlucht schudde zijn kop.

‘Nee ik moet doorgaan. Moerasvoet is een geweldige commandant maar het is nog te kort op om haar lang te laten wachten.’ Bromde de zwarte tuxedo kater.

Hij ging Distelsteel ondertussen voor, hij kon zich de toch naar de maansteen nog herinneren van zijn jongere jaren. Hij sloot zijn ogen kort en liet zich teruggaan naar die tijd.

Toen hij met zijn mentor Regenbui naar de maansteen was gegaan was het nog helemaal nieuw geweest. Nu wist hij wat hem te wachten stond. Hij opende zijn ogen toen hij merkte dat Distelsteel verder was gelopen. Ekstervlucht schudde zijn kop en volgde de medicijnkat.

De heide waar ze overheen liepen gaf hem de rillingen en hij wenste dat hij terug in het moeras was. Nee, stop met dat denken. Je bent hier voor je Clan, ze hebben je nodig. Dacht hij meteen.

Nadat ze WindClanterritorium achter hen hadden gelaten wist hij dat het echte gevaar begon. Ze moesten langs de monsters komen die bezig waren een tweebeennest maken. Distelsteel, die het pad regelmatig volgde, wist precies waar hij heen moest. Ekstervlucht daarintegen volgde hem op de voet, doodsbang. Beide katten zwegen,

Ekstervlucht wist niet waarom Distelsteel niks zei maar hij wist wel waarom hij niks sprak. Zenuwen schoten door zijn lichaam.

Wat als de SterrenClan mij niet accepteerd? Zeker na. Het gehuil van een vos onderbrak zijn gedachtes en hij schoot een angstige blik naar Distelsteel. De cyperse kater liep rustig verder alsof hij niks gehoord had. Ekstervlucht schudde zijn kop, hij had het zich waarschijnlijk verbeeld.

‘Zo, we zijn er bijna.’ Distelsteel zwiepte met zijn staart. ‘Juist.’ Een brok lag in Ekstervluchts keel.

Zometeen zie ik de SterrenClan, en daarmee ook mijn overleden vrienden en familie. Dacht de slanke zwart-witte kater.

‘Kom op.’ Bromde Distelsteel die duidelijk zag dat de nieuwe leider nerveus was. ‘Het valt wel mee.’

De cyperse kater stapte zonder moeite de donkere grot in. Ekstervlucht haalde diep adem, keek nog één keer achterom, en liep zijn medicijnkat achterna. De donkere tunnel die de Clans ‘Moedermond’ noemde strekte zich ver de grot in.

Ekstervlucht moest heel erg letten op zijn ademhaling om niet te hyperventileren. Hij kon Distelsteel horen zuchten. ‘Kom op zeg Ekster, we zijn de SchaduwClan, een beetje duisternis hoort jou niet af te schrikken.’

Ekstervlucht wilde hem het liefst op zijn kop slaan maar hij wist dat de cyperse kater het niet serieus bedoelde. Hopelijk zijn we er bijna

Het moment waarop dat door Ekstervluchts hoofd spookte begon Distelsteel te spreken. ‘We zijn er.’

Een extreem fel licht schoot in Ekstervluchts ogen zodra de medicijnkat een stap opzij had gezet. Het verblinde hem zo erg dat hij niet eens kon zien wat er nou voor hem stond.

Het koste hem minstens een minuut voordat zijn ogen aan het felle licht gewend waren. Toen pas kon hij de grote steen voor hem zien. Zijn adem stokte in zijn keel toen hij zich besefte dat dit betekende dat hij echt leider zou worden.

‘Waar wacht je nog op, bezoek hen, dan kunnen we terug.’ Bromde Distelsteel. De grote cyperse kater zwiepte met zijn staart. Ekstervlucht liet een lange zucht horen en nam plaats voor de Maansteen.

***

Toen de slanke zwarte kater zijn ogen opende stond hij in een groot openveld wat leek op een gigantische versie van Vierboom. Nadat hij een paar keer had geknipperd kwamen de sterren die aan de hemel stonden naar beneden vallen en overal waar een ster het gras raakte verscheen een kat.

Zo was het een korte tijd doorgegaan tot de hemel sterrenloos was. ‘Welkom Ekstervlucht, we hadden je al verwacht.’ Een stem was door zijn oren gedrongen maar geen van de katten voor hem had gesproken.

‘Ben je klaar voor je liedersceremonie?’ De stem probeerde hem duidelijk op de proef te stellen. Ekstervlucht knikte.

De groep katten week uiteen en negen katten kwamen tevoorschijn, Ekstervlucht herkende ze bijna allemaal, op één na.

De onbekende kat stapte naar voren. ‘Mijn naam is Keverster.’ Ze was een sierlijke oranje poes. ‘Toen ik aan de macht stond in de SchaduwClan was er oorlog. Ik handelde verkeerd en inplaats van dat ik mijn Clan redde, heb ik hem bijna verwoest. Ik geef je het leven om je Clan te beschermen door de juiste keuzes te maken,’

De sierlijke poes legde haar smalle snuit op Ekstervluchts voorhoofd en er schoot een gevoel door Ekstervluchts lichaam heen. Het was een mengeling van macht, angst, trots en bezorgdheid die allemaal door elkaar heen gingen.

Toen Keverster terug stapte merkte Ekstervlucht dat hij op zijn poten stond te trillen. Maar hij negeerde het en liet merken dat de volgende kat naar voren mocht komen.

De volgende kat die op hem afstapte was Asdoorn, een grote gespierde donkergrijze kater. En, wat misschien nogwel het belangrijkste detail was, Ekstervluchts vader.

Normaal gesproken zouden er tranen in je ogen gesprongen zijn maar Ekstervlucht keek met een koud oog naar zijn vader. De kat had nauwelijks naar zijn kitten omgekeken, zeggend dat hij te klein was, Ekstervlucht was daarom ook de enige kat geweest die niet had getreurd om zijn vaders dood.

‘Ik weet dat ik je niet-’ Begon de grijze kater met het ritueel voor Ekstervlucht hem onderbrak. ‘Geef me gewoon dat leven en dan kunnen we doorgaan.’ Asdoorn leek gekwetst maar accepteerde het.

‘Hiermee geef ik je het leven voor vrijheid, voor jezelf, en voor je Clan. Geef ze de vrijheid om tegen je in te gaan.’ Bromde hij voordat zijn brede grijze snuit op Ekstervluchts voorhoofd werdt gelegd.

Het gevoel wat nu door Ekstervlucht heen stroomde was veel zwakker dan die van Keverster maar hij negeerde het en wenkte de volgende kat.

Deze keer stond Drassigster voor zijn neus. De vorige SchaduwClanleider zag er weer fit uit en was zeker niet meer de oude sjofele kater van een dag geleden. Er lag een vriendelijke en vriendschappelijke blik

‘Ik geef je een leven van gelijkheid, want ondanks dat je nu leider bent, je bent nog altijd gewoon een kat en zal daarin nooit verder weg van je krijgers staan.’ Miauwde de zwarte cyperse kater plechtig.

Toen Drassigsters snuit op Ekstervluchts kop werd gelegd voelde hij een vertrouwd gevoel. Het voelde alsof hij ‘s avonds met zijn Clan een maaltijd aan het delen was.

Toen Drassigsters leven door hem heen was gevloeid merkte Ekstervlucht dat de katten die hun leven hadden gegeven waren verdwenen. Waar zijn die gebleven? Dacht de zwarte tuxedo kater zich af.

Zodra hij zag wie de volgende kat was smolt zijn hart weg. ‘Krekelkit.’ Ademde hij. ‘Ekstervlucht, jij hebt bijna je leven gegeven om mij te redden. Hierbij geef ik je het leven van broederschap, want jij beschermde mij alsof ik je broer was ondanks dat ik een WindClankitten was, bescherm je Clan, net als mij, alsof het je broers zijn.’ Piepte de sneeuwwitte kitten.

Herinneringen spoelden terug toen Krekelkits leven werdt gegeven. Hoe Ekstervlucht door de rivier probeerde te zwemmen om de WindClanpoes en haar kittens te redden, en hoe hij moest aanzien hoe Krekelkit over de rand van de waterval viel.

Toen de herinneringen weg gevlogen waren zag Ekstervlucht de volgende kat al voor hem staan. Lappenbeek, de eerste kat die hij in een gevecht verloren had. De sierlijke lapjespoes gaf hem een liefdevolle blik.

‘Hiermee geef ik je een leven van vertrouwen. Vertrouw op je instincten tijdens elk gevecht, maakt niet uit of het fysiek of mentaal is.’ Prevelde ze.

Ekstervlucht sloot zijn ogen niet, hij wilde zo lang mogelijk naar de poes waar hij van heeft gehouden kijken. Hij zag hoe haar vacht langzaam vervaagde tot alleen de glinstering van haar ogen in beeld waren.

De volgende kat die voor hem kwam te staan was alweer een kitten. Deze keer was het Kruidkit, de enige kitten die in het tweede nest van zijn moeder zat. Niemand in de SchaduwClan heeft haar echt gekend.

‘Ik geef je het leven van humoristische vrolijkheid. Omdat ik wil dat door jou de hele Clan weer vrolijk wordt.’ Piepte de grijze kitten. Ekstervlucht had het gevoel dat het niet bestond maar hij nam het leven dierbaar aan.

De volgende kat die voor hem stond kon Ekstervlucht veel te goed herkennen. ‘Amberschors.’ Hij probeerde zijn vreugde in te houden en een strak gezicht te houden maar hij zag de lachspieren van Amberschors’ gezicht al samentrekken.

En jawel, het gebeurde wat altijd gebeurd als twee vrienden elkaar aankijken. De twee barsten in lachen uit.

Nadat ze uitgelachen waren, en Amberschors een lachtraan had weggepinkt, begonnen de twee aan de ceremonie. ‘Ekstervlucht, met dit leven geef ik je het zicht om de juiste loyaliteit te zien, als geen ander moet jij kunnen begrijpen dat loyaliteit niet betekend dat je alle bevelen van je leider opvolgt.’

Ekstervlucht nam het leven dankbaar aan maar had de stekende pijn in zijn borst niet verwacht. Toen de pijn was weggeëbd besefte de zwart witte kater dat het bijna voorbij was. En ik moet nu echt afscheid van hem nemen.

Toen zijn vriend was vervaagd kon hij zien wie de volgende kat was. Zijn mentor Regenbui. Regenbui was een imposante pikzwarte kater met warme oranje ogen in de vorm van amandelen. Het woeste uiterlijk van hem had niks te maken over zijn gedrag. Het was één van de vriendelijkste katten in de geschiedenis van SchaduwClan.

‘Met dit leven geef ik je kracht, de innerlijke kracht om tegen anderen op te komen.’ Miauwde Regenbui. Ekstervlucht nam het leven dankbaar aan en hij voelde sterke, kracht door hem heen stromen.

Nadat Regenbui was verdwenen stapte Gembersnuit naar voren. Een glimlach verscheen op Ekstervluchts gezicht. Zijn broer had hem bijna zijn hele leven bij gebleven en heeft drie seizoenen lang geleden onder een ongenzelijke ziekte waar Distelsteel van Drassigster geen einde aan mocht maken met doodsbessen.

‘Met dit leven geef ik je hoop. Vergeet nooit de hoop, ik heb ook nooit de hoop opgegeven.’ Prevelde de grijze kater. Hij legde zijn snuit op Ekstervleugels kop en een extreem licht gevoel kroop door zijn lichaaam..

‘Bedankt.’ Mompelde Ekstervlucht toen Gembersnuit begon te vervagen. Terwijl de volgende en laatste kat naar voren stapte. Dit was Donkerzon, de partner, of nou ja ex-partner, van Asdooorn en Ekstervluchts moeder.

Ekstervlucht stond als aan de grond genagelt voor zijn moeder. Donkerzon was er altijd voor hem geweest maar vlak voor zijn krijgersceremonie was ze dood naast het donderpad gevonden. De hele Clan heeft altijd het vermoeden gehad dat ze was aangereden maar Ekstervlucht wist diep van binnen dat een DonderClankat haar heeft vermoord.

‘Ik geef je een leven van liefde, liefde voor je Clan, liefde voor je naasten, en misschien ooit wel ouderlijk liefde.’ Miauwde de zwarte poes vriendelijk voor ze haar snuit op Ekstervluchts voorhoofd legde.

De extreme pijn die door zijn aderen stroomden had de zwarte kater niet verwacht. Het was zo overweldigend dat hij door zijn knieën zakten. Pas toen de pijn weg was kon hij weer opstaan. Donkerzon stond nog voor hem, samen met de enorme menigte SterrenClankatten.

‘Tot ziens, Eksterster.’ Murmelde Donkerzon. Een fluistering ging door de menigte heen en Eksterster meende zijn naam te horen maar hij wist het niet zieker en sloot zijn ogen.

Toen hij weer wakker werd zag Eksterster Distelsteel al weer bij de ingang van de moedermond staan. ‘Kom, de Clan wacht op ons.’ Bromde de bruine kater.

De terugreis was extreem vermoeiend voor Eksterster en de twee moesten meerdere keren rust houden. Toen ze bij Vierboom hun zoveelste rust hadden zag Eksterster een groep DonderClankatten boven de helling staan.

‘En hier hebben we-’ Een donkergrijze kater had net aan twee leerlingen Vierboom willen laten zien maar had zijn zin afgekapt toen hij de SchaduwClankatten zag. Het was Weerzicht, DonderClans commandant.

‘Ik zie dat de DonderClan nieuwe leerlingen heeft.’ Bromde Distelsteel. Weerzicht zwiepte met zijn staart. ‘Inderdaad, Nachtpoot, Wolpoot en Dagpoot zijn gisteren tot leerlingen benoemd.’ Miauwde Luipaardvlek, de andere kat op de patrouille. ‘Wat doen jullie hier?’ Gromde Weerzicht. ‘Wij zijn net teruggekeerd van de Maansteen.’ Mompelde Eksterster.

‘Drassigster is- gecondoleert.’ Miauwde Luipaardvlek geschrokken. Het nieuws zou dus vanaf nu als een lopend vuurtje door de Clans heen gaan. Net wat ik had gedacht, geweldig. Bromden de gedachtes van Eksterster.

‘Juist, bedankt. Wij moeten er weer vandoor.’ Mompelde Eksterster ongemakkelijk voordat hij en zijn medicijnkat het moeras in liepen.

Doordat het ‘s nachts niet had geregend was een groot deel van het water weggespoeld. Dus konden de twee nu met redelijk droge poten terugkeren. Zometeen spreek ik mijn Clan voor het eerst aan als leider. Ik hoop maar dat de SterrenClan de juiste keuze heeft gemaakt..

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Vergeten Maan!


Loofhart

LoofhartPF.jpg
Ik ben Loofhart44. Ik heb de wiki eigenlijk veel te laat ontdekt. Ik zat in het vierde leerjaar toen ik kennismaakte met deze geweldige reeks. Sinds die dagen ben ik kleine verhaaltjes over Loofhart gaan schrijven. Nu ik op de wiki ben heb ik deze samengenomen in één geheel: Loofsters Verraad. Maar dat was niet genoeg. Hoe hard ik ook van mijn zelfverzonnen MeerClan, BergClan, BloemenClan en ZandClan hield móést ik gewoon een fanfiction schrijven in het oude territorium. Toen bestond Stilte voor de storm. Ik was (ben) nog volop bezig aan het eerste boek toen ik besloot om de weg van de humor in te slaan en een one-shot te creëren. Katurnus en logica bestaat niet meer. Mvg, Loofhart44.

Sterfgeval.png

De geur van dennen en moeras hing in de lucht. Op de achtergrond kwetterde een spreeuw. Een pikzwarte en nogal pluizige kater spitste zijn oren. Hij hoorde het gescharrel van een eekhoorn. Het was midden-nieuwblad en het bos begon te ontdooien van een lange en vooral vermoeiende bladkaal. ‘Ik ruik iets!’ miauwde de kater opgewonden. ‘Goed Zwavelpoot! Maar dan moet het hele bos dat niet weten!’ snauwde een rossige poes. Ze had vreemde zwarte strepen op haar snuit. ‘Al goed, Tijgerneus, al goed…’ bromde de kater en hij volgde het geurspoor. Mentors! dacht hij, Doen niks anders dan zeuren! De kater was in een vreselijk humeur.

Hij zakte in een jachthouding en sloop op zijn prooi af. Een eekhoorn zat rustig op een eikeltje te knabbelen en had niet door dat het niet lang meer te leven had, als het aan Zwavelpoot lag. De zwarte leerling sprong op het diertje af. Maar zijn rug streelde een bevroren varen en de eekhoorn vluchtte weg. Zwavelpoot sprong op in een vruchteloze poging om het beestje in te halen. Maar dat schoot de boom in. Enkel zijn kastanjebruine staart hing uitdagend naar beneden. Zwavelpoot sprong op en probeerde het te pakken. Mislukt! Hij sprong nog eens. En nog eens. En nog eens.

Na een paar keer proberen was de kater uitgeput. ‘Ik kan je nu al vertellen dat je gezakt bent voor deze beoordeling, Zwavelpoot’, miauwde Tijgerneus en Zwavelpoot hoorde de teleurstelling in haar stem. ‘Raafbries en Berkenstaart zullen me vast weer uitlachen.’ Dat was de laatste druppel! ‘O ja?! Zullen zij jouw uitlachen? Ocharme zeg. Ik word zo’n beetje elke dag twintig keer uitgelachen maar oh! Het is zo zielig voor jou!’ ontplofte Zwavelpoot kwaad. Nee, hij was niet kwaad. Hij was rázend. ‘Ik wéét dat jouw broers niet de fijnste zijn, maar je zal er toch mee moeten leven’, suste Tijgerneus hem.

‘Jaja. Ik moet er weer mee leven. Ik heb SterrenClanverdomme niks gedaan! Ik ben gewoon de zondebok! Een koude bladkaal? Zwavelpoot zijn schuld natuurlijk! Àlles is mijn schuld! Dat mijn vader de meest slechte kat van het woud was, tja, Zwavelpoot zijn schuld hè! Zo denken jullie! De hele SchaduwClan is dom!’ schreeuwde Zwavelpoot in een uitbarsting. ‘Nu is alle prooi weg!’ siste Tijgerneus kwaad. ‘Oh nee! Alle prooi is weg! Het zal wel weer die domme, stomme, SterrenClanverdomde Zwavelpoot geweest zijn!’ jammerde de leerling theatraal. ‘Zwavelpoot hou op!’ beval Tijgerneus. Zij was ook kwaad geworden.

‘Met zelfmedelijden bereik je niks! Jij kan, hoor je me, niks doen aan de daden van je verdomde vader! Ik weet niet wáárom Donkernacht slecht was, maar wat ik wél weet is dat hij drie fantastische zonen op de wereld heeft gebracht!’ beet Tijgerneus Zwavelpoot toe. ‘Twee. Je maakte een fout, o grote Tijgerneus! Zwavelpoot is niet fantastisch, hij is dom, de schuld van alles! Hij kan nog niet eens een eekhoorntje vangen dat enkel aandacht heeft voor zijn eikeltje! Hij is gewoon een kitten! Ik denk niet dat hij ooit een krijger zal mogen worden van Esdoornster! Nu ja, zó slim is die poes niet…’ ‘Zwavelpoot stop! Iedere kat heeft recht op zijn eigen mening maar dat jij mijn leider beledigt, dat gaat wel vér over de grens!’

‘Wat? Ik heb toch gelijk, of niet? Zíj was zo dom om Donkernacht commandant te maken, als ík haar was geweest, had ik…, hm, even denken, welke kat is vriendelijk tegen mij? Aha! Niemand!’ schreeuwde Zwavelpoot en hij klauwde grote stukken gras uit de grond. ‘Ík probeer vriendelijk tegen je te zijn. Maar vriendelijkheid vraagt iets terug. En dat is op zijn minst dat jij ook jóúw best doet om vriendelijk te zijn’, miauwde Tijgerneus vriendelijk. ‘Ah! Maar nú raak je het gevoelige punt. Zwavelpoot en vriendelijk in één zin zonder dat “niet” erin voorkomt? Leuk geprobeerd, maar elke kat weet dat dát onmogelijk is!’

‘Zwavelpoot! Zo denk je niet over jezelf!’ riep Tijgerneus geschokt. ‘Maar zo dénk ik ook niet over mezelf. Iedereen anders denkt zo over mij. Dan kan ík er toch niks aan doen, dan zeg ik gewoon wat anderen zeggen’, miauwde Zwavelpoot wijsneuzerig. ‘Nee, je zegt wat je dénkt dat ze zeggen. En in

dit geval is dat niet waar! Ik weet zeker dat Konijnstap trots is op álle drie haar zonen’, siste Tijgerneus kwaad. ‘Nee, nee, nee. Ik had echt wel gedacht dat jij slimmer was, Tijgerneus’, grauwde Zwavelpoot zo zoet mogelijk. ‘Als je het zo goed weet, ga je maar alleen op jacht!’ schreeuwde Tijgerneus en ze draaide zich nonchalant om. ‘Best!’ snauwde Zwavelpoot en hij ging de andere kant op. Betweterig vlooienbrein! zoefde het door zijn gedachten.

‘Als je het zo goed weet!’ imiteerde Zwavelpoot zijn mentor met een piepstemmetje. ‘Je beoordeling is nog bezig!’ klonk het als een fluistering op de achtergrond. Dan zal ik ze eens laten zien dat ik geen domoor ben! dacht Zwavelpoot en hij hupte verder. Al snel rook hij een vleugje muis. Het beestje zat aan een nootje te knabbelen. Zachtjes sloop Zwavelpoot ernaartoe. Het beestje vermoedde niets! Dit kan gewoon niet misgaan! dacht de pluizige leerling. ‘Wat zijn we aan het doen?’ snauwde een maar al te bekende stem. ‘Avondpoot!’ grauwde Zwavelpoot. Dit was zíjn moment, hoe durfde zijn broer dat van hem af te pakken! De muis was natuurlijk gaan lopen. ‘Ik ben aan het jagen. Tenminste, dat was ik, voordat jij kwam’, antwoordde Zwavelpoot en hij spuwde de “jij” minachtend uit.

‘Tss, tss. Leugens, broertje’, lachte Avondpoot hatelijk. ‘Niks leugens!’ schreeuwde Zwavelpoot, bevend van woede. ‘Waar is je andere prooi dan?’ vroeg Avondpoot, zo zoet maar toch zo verraderlijk als een doodsbes. ‘Nog nergens. Die muis die jij net hebt weggejaagd was mijn eerste prooi’, miauwde Zwavelpoot grauwend. ‘Ik heb natuurlijk al veel prooi gevangen. Nachtpoot!’ riep Avondpoot en de derde broer verscheen. Hij was zwart maar had een donkergrijze staart. Avondpoot was donkergrijs met zwarte vlekken. ‘Onze broer is jouw slaaf niet!’ grauwde Zwavelpoot. Hij was razend. ‘O, ik vind het prima hoor’, miauwde Nachtpoot door de veren van een duif door.

‘Hoe kan je!’ bracht Zwavelpoot moeizaam uit. ‘Beledig mijn broer niet, Zwavelpoot’, miauwde Avondpoot grijnzend. ‘Hij is evengoed mijn broer!’ beet Zwavelpoot zijn broer toe voor hij zich naar Nachtpoot omdraaide. ‘Je moet dit echt niet doen’, smeekte hij de kater. ‘Sorry. Maar ik vind het prima zo. Echt, geloof me maar’, antwoordde Nachtpoot schouderophalend. ‘Oké dan’, zuchtte Zwavelpoot en hij keerde zich weer naar Avondpoot. ‘Dat hoeft niet te betekenen dat ik het er een mee ben’, fluisterde hij de gevlekte kater toe. ‘Hoorde jij onze domme broer niet? Hij vindt het leuk om mij te helpen. Dag, Zwavelpoot’, miauwde Avondpoot.

‘Dit is nog niet over!’ siste Zwavelpoot kwaad. Nachtpoot was té goed om Avondpoot zijn slaaf te zijn. ‘Goed. Vecht het uit. Tegen mij’, miauwde Avondpoot, kwaadaardig grijnzend. ‘Oké’, zei Zwavelpoot. Waarom zei ik “oké”? Dit win ik niet! dacht Zwavelpoot in paniek. Hij was absoluut minder goed in vechten dan Avondpoot. Toch zakte hij zich in aanvalshouding. ‘Kom maar op!’ lachte Avondpoot, gemeen grijnzend. ‘Ik klauw die grijns van je stomme snuit!’ schreeuwde Zwavelpoot en hij deed een uitval naar Avondpoots staart. Maar de kater onderschepte hem en Zwavelpoot vloog in de lucht. Ik moet dit winnen!

Hij krabbelde recht en keek Avondpoot kwaad in de ogen. ‘Nu al moe, Zwaveltje van me?’ grijnsde de gevlekte leerling. ‘Nooit!’ schreeuwde Zwavelpoot en hij krapte Avondpoot over zijn flank. ‘Heb je dan niks geleerd?’ snauwde de kater kwaad, bloedend uit de wonde, ‘Clankatten steken hun nagels niet uit niet in oefengevechten!’ Avondpoot liep statig weg, gevolgd door een haastige Nachtpoot. Zwavelpoot veegde een traan weg. Hoe kon zijn broer zó gemeen zijn? Misschien ben ik gewoon beter af als eenling, dacht Zwavelpoot verdrietig. Hij wandelde weg met hangende kop en staart. Plots schoot er een pijnscheut door zijn poot. ‘Auw!’ riep hij en hij tilde zijn poot op. Donkerrood bloed welde op in de wonde.

Hoe kon ik mij pijn doen? vroeg Zwavelpoot zich af en hij speurde de bosgrond af naar iets scherp. Een glimmend, groen ding lag op de grond. Wat is dit? dacht Zwavelpoot en hij besnuffelde het ding. Het stonk naar iets wat hij niet kon benoemen. Naast het ding lagen nog andere stukjes, ook groen

en een tikje doorschijnend. Een wit-rood blad hing aan een gebogen stuk groen ding. Er stond een vijfpuntige figuur op. Naast de stukken lag een geelachtige plas. Het stonk naar de groene, doorschijnende dingen.

Zwavelpoot boog zich nogmaals over de groende dingen. Hij besnuffelde hen voorzichtig. Toen rook hij een vleugje bekende geur… ‘Tweebeen!’ riep hij, maar het was al te laat. Een louche uitziende tweebeen donderde op het pad. Angstig keek Zwavelpoot in zijn ogen. Hij kon zich, op één of andere manier, niet bewegen. De tweebeen stak zijn vieze poten naar hem uit. Zwavelpoot probeerde weg te krabbelen maar de tweebeen hield hem goed gevangen. Angstig miauwend werd Zwavelpoot meegenomen door de tweebeen, onwetend waar hij heen ging.

De tweebeen wandelde een tweebeennest in. Het stonk naar schimmel en verrot hout. Het stond op instorten. De tweebeen zette hem neer op een kapot maar zacht iets. Witte, pluizige veren kwamen uit allerlei gaten piepen. Zwavelpoot zag zijn kans en vluchtte weg. Maar de tweebeen had zijn hol gesloten. Angstig keek Zwavelpoot om zich heen. Er zat een gat in de zijkant, maar te hoog om erbij te kunnen. Zou hij hier ooit weggeraken? Waarschijnlijk niet. Maar tóch zou hij het proberen. Zwavelpoot zag dat er nog één klein gaatje in de zijkant zat, waarschijnlijk groot genoeg voor één van zijn poten. Maar zelfs als dat zou lukken, wat erg onwaarschijnlijk was omdat het gaatje zo’n staartlengte boven de grond was, was boven geraken onmogelijk.

Tussen het gaatje en de grote opening zat nog zo’n twee staartlengtes waar een schijf met groene en rode strepen hing . Verder was er niks. Enkel een paar stokken tegen de muur die naar een gat in het plafond leidden. En een groot houten ding met daarop een paar groene, doorschijnende dingen met ook van die rood-witte bladeren met de vijfpuntige figuur. De tweebeen nam er eentje en stak het uiteinde in zijn mond. Na enkele hartslagen gooide hij het naar buiten.

Wat zijn tweebenen toch rare wezens, dacht Zwavelpoot hoofdschuddend. Toen nam de tweebeen een lang, scherp voorwerp met pluimpje aan de achterkant en gooide het naar de schijf. Het voorwerp bleef in een klein rood bolletje in het midden van de schijf prikken. De tweebeen lachte even en ging toen naar boven. Zwavelpoot zag zijn kans en dacht na. Als mijn klauwen even scherp zijn als dat ding dan red ik dit, zei hij tegen zichzelf. Maar eerst moest hij iets vinden waarmee hij bij het kleine gaatje kon. Een bruin ding lag tegen de muur. Als Zwavelpoot het kon verplaatsen zou hij hier weg kunnen!

Cederkit POV

Cederkit snuffelde aan het nest. Toen de geur van haar zusje ontbrak schoten haar pluizige oortjes de lucht in. ‘Lichtkit?’ piepte ze. Daarna opende ze haar oogjes. Wow! Wat had ze goed geslapen! Ze zag haar moeder, Donkerroos, een donkergrijze poes, en haar vader, Berkenstaart, een lichtbruine kater met witte strepen. ‘Waar is Lichtkit nou naartoe?’ vroeg Cederkit piepend. Donkerroos snorde. ‘Daarginds!’ De donkergrijze poes gebaarde met haar staart naar een lichtgrijs-wit gevlekt figuurtje aan de rand van de kraamkamer. ‘Lichtkit!’ snorde Cederkit en ze snelde naar haar zusje toe. ‘De wereld is stil. Je kan een blaadje van een boom horen vallen.’

‘Jaja, typisch jou weer met je gekke uitspraken!’ snorde Cederkit vrolijk, ‘Maar niet slecht bedoeld hoor! Je klinkt heel slim nu!’ ‘Dat weet ik, zusjelief’, snorde Lichtkit. ‘Moet jij geen medicijnkat worden ofzo? Je bent veel te slim om krijger te worden! Niet dat krijgers niet slim mogen zijn!’ vulde Cederkit er snel aan toe. Gelukkig lachte Lichtkit alleen maar. ‘Nee. Een medicijnkat mag geen partner hebben.’ ‘Ik zal je niet verklikken?’ probeerde Cederkit onwetend. ‘Haha! Je snapt het niet hè?’ miauwde Lichtkit. ‘Tuurlijk niet!’ riep Cederkit boos. Kan ze niet wat duidelijker zijn? ‘Sorry. Ik bedoelde dat…’ zei Lichtkit en ze bloosde.

‘Dat je net zoals Donkerroos en Berkenstaart bent?!’ riep Cederkit opgewonden, deels omdat ze haar zusje nu begreep en deels omdat Lichtkit verliefd was. ‘Ja. Dat bedoel ik inderdaad’, piepte Lichtkit. ‘Ga je me nu uitlachen?’ ‘Tuurlijk niet! Jij bent de beste zus die er bestaat!’ piepte Cederkit geschrokken. Zo moest haar zus niet over zichzelf denken! ‘Maar wie is het?’ ‘Zwavelpoot’, fluisterde Lichtkit in haar oor. ‘Wat?! Super!’ riep Cederkit en ze moest zich inhouden om geen gat in het kraamkamerdak te maken. ‘Ik-ik heb hem een beetje geholpen met zijn beoordeling’, miauwde Lichtkit blozend.

‘Hoe dan?’ vroeg Cederkit nieuwsgierig. ‘Ik heb een beetje prooi voor hem gevangen. Ik bedoel- misschien heb ik dat gedaan’, antwoordde Lichtkit verlegen. ‘Nu al?! Jij bent de meest geniale zus die er bestaat!’ snorde Cederkit en ze wreef haar wang snorrend tegen die van haar zus. ‘Maar hoe?’ ‘Gewoon. Ik deed de beweging die Nachtpoot ons toonde na’, piepte Lichtkit schouderophalend en ze deed de beweging voor. Mijn zus is geweldig! dacht Cederkit en ze probeerde stuntelig haar zus na te doen. ‘Maar waar heb je die prooi dan gelegd?’ ‘Voor de Grote Den bij de kampingang’, antwoordde haar zus en de twee kittens gingen slapen.

De volgende ochtend galmde er een kreet door het kamp. Cederkit schoot wakker. Lichtkit naast haar deed hetzelfde. Rozenkit, Goudsbloemkit en Asterkit en de twee moederkatten ook. Alle zeven gingen ze naar buiten. Op de kampbodem kronkelde een slang. ‘Ga naar binnen. Moederkatten, kittens en oudsten eerst!’ beval Esdoornster en Cederkit ging de kraamkamer weer in. ‘Zwavelpoot!’ riep Lichtkit angstig en ze stoof de open plek op. Cederkit stak haar kopje naar buiten. Toen bevroor haar beeld. De slang had zijn kaken om haar zusje geklemd. En Lichtkit viel met een doffe dreun op de grond. ‘Lichtkit! Nee!’

Zwavelpoot POV

Zwavelpoot duwde het bruine ding naar de plaats waar hij het wilde hebben. Hij ging erop staan en merkte dat het, wat het ook mocht zijn, zijn gewicht maar net kon houden. Hij zette één van zijn achterpoten in het gaatje en klauwde met zijn voorpoten naar de schijf. Hij haakte zijn klauwen vast aan de schijf en trok zich op. Zijn achterpootklauwen zakten nu ook in de schijf. Hij sloeg zijn voorpoten om de randen van het grote gat en trok zich nogmaals op. Toen hoorde hij een barse stem roepen. De tweebeen was teruggekeerd! Lekker voor hem, want ik ben hier weg! dacht Zwavelpoot en hij sprong uit het gat, blijer dan ooit om terug grond onder zijn poten te hebben.

Toen hij over de bosbodem rende, dacht hij aan zijn beoordeling. Hij had nog helemaal niks gevangen! Als die stomme Avondpoot hem nu niet onderbroken had… Nu ja, hij leefde nog, daar moest de SchaduwClan het maar mee doen, geen dode katten. Hij besefte dat hij stilgestaan had en maakte dat hij bij het kamp was. Over enkele vossenlengtes ben ik bij de Grote Den! dacht Zwavelpoot blij. Toen de grote boom in zicht kwam merkte hij op dat er drie stukken prooi onder lagen; een lijster, een spitsmuis en een kikker, en allemaal nog warm!

Vrolijk nam hij de prooi beet en trippelde tevreden het kamp binnen. Maar daar hing een gespannen en trieste sfeer. Verward legde Zwavelpoot zijn prooi neer en ging kijken naar het tafereel. Hij duwde Nachtpoot en Avondpoot aan de kant, maar voor één keer protesteerden de katers niet. Toen zag Zwavelpoot wat er aan de poot was. Lichtkit lag op de grond, met naast zich een luid snikkende en schokkende Cederkit. Donkerroos en Berkenstaart keken met tranen in hun ogen toe. Zwavelpoot had zich vergist. De SchaduwClan had zijn prooi maar een veelbelovende kitten jaagde nu met de SterrenClan.

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Stilte voor de storm!

Lynxsnoet

Gemaakt door Aardbeikit.

Ik ben Lynxsnoet, en ik ben in het echt bijna 10 jaar. Ik schrijf hier aan Kersendauws keuze, dat best veel mensen lezen. Deze oneshot wordt later ook een echt hoofdstuk uit mijn fanfiction. Mijn online vrienden zijn Aardbeikit en Mangopoot, en Sterrenkit en Violetneus vind ik ook aardig. En dat zijn ook iedereen uit Team sterrenlicht, mijn schrijfteam! In het echte leven schrijf ik verhalen, speel ik met mijn katten en hond, en speel ik warrior cats na! Mijn kleine zusje heeft sinds kort ook een account, Leliesteel.

Regenstorm liep heen en weer. Het was nu een maan geleden dat 6 katten waren vertrokken om haar lieve neefje Wolfkit te vinden. En ze waren nog steeds niet terug. Morgenzang,  Wolkenvacht, Vossensnuit ,Adelaarsvlucht, Kersenpoot, Parelkit en Aardbeikit waren vertrokken met als gids Witstreep van de VlammenClan. Maar nu al die katten vertrokken waren, met de beste krijgers, jagers en zelfs de commandant met hun, was de prooi schaars. En dat terwijl ze zelfs zwanger was! Maar dat wisten alleen haar partner Grijsvoet en haar zus Wolkenvacht. Gelukkig zouden ze het niet verklappen. Ze liep de SneeuwClangrot uit. Sinds hun kamp verbrand was bleven ze bij de SneeuwClan, maar Regenstorm zou zo graag naar haar eigen kamp willen! Terwijl ze nadacht liep ze in het SneeuwClankamp door. Ze zag Leeuwenpoot met een slijmerige blik nadenken. "Leeuwenpoot, waarom kijk je me zo raar aan?"vroeg ze. "huh, eh, er is niets!"riep hij uit, geschrokken. Maar Regenstorm kende die blik. Hij was verliefd! "Is het Bloesempoot?" vroeg ze. Leeuwenpoot wist dat onkennen geen zin had. "nee, Kersenpoot"zuchte hij. Regenstorm was blij. Haar zoon was verliefd! Vrolijk liep ze door. Opeens zag ze iets. Een hond?! Wat deed die bij het SneeuwClankamp? Opeens zag Regenstorm iets. Hij had een kat in zijn kaken! Een gewonde, maar nog levende leerling. "laat me los! Wat wil je van me?!"riep het katje. Regenstorm herkende die stem, het was SneeuwClanleerling Kristalpoot! Regenstorm stapte achteruit. Moest ze de hond in haar eentje aanvallen? Of de clan halen? Maar dan kon ze te laat zijn... Ze besloot het in haar eentje te doen. Ze rende op de hond af en ontblootte haar klauwen. De hond jankte van pijn toen Regenstorm haar klauwen in zijn huid plante, en liet Kristalpoot los om Regenstorm te kunnen bijten, en dat lukte hem. Regenstorm krijste en riep om hulp, maar Kristalpoot was al weg.De hond storte zich grommend op Regenstorm, die probeerde te ontsnappen en machteloos in een boom probeerde te klimmen. De hond greep haar staart en Regenstorm miauwde luid. Opeens klom Leeuwenpoot op de hond en viel hem aan. HIj beet hem en druppels bloed droop uit de wond die Leeuwenpoot bij de hond had gemaakt. Opeens begon Regenstorm sneller te ademen. Kristalpoot rende naar Regenstorm toe. "je gaat niet dood, toch?"zei ze bezorgd. Regenstorm schudde haar kop. "nee, ik denk.. ik denk dat mijn kittens elk moment geboren kunnen worden!"zei ze. "wat?'vroegen Kristalpoot en Leeuwenpoot tegelijk. Leeuwenpoot krabde de hond nog een laatste keer en voor Tands aanhanger was dat de druppel. Jankend en grommend rende hij weg. "het spijt me"zei Regenstorm. "het spijt me dat ik niks heb verteld. Maar nu moet ik hier snel weg." Leeuwenpoot en Kristalpoot knikten en hielpen Regenstorm naar het SneeuwClankamp. Ondertussen bleef Tands aanhanger Brutus van een afstandje kijken. "de volgende kat die het kamp verlaat heeft pech..."Regenstorm ging de kraamkamer in. Vlokjeskit en Stuiterkit keken nieuwsgierig naar Regenstorm,Leeuwenpoot en Kristalpoot. "mama, waarom ademt die poes zo snel?"vroeg Stuiterkit. "ik ben bang dat ze doodgaat! Haal Sneeuwster!"riep Vlokjeskit bang. "geen zorgen, kits! Ze gaat volgens mij bevallen! Ik haal Bergster, Sneeuwster en Ijsrivier!"zei Luipaardvlek. Ze trippelde snel naar buiten. Ondertussen zag ze 7 vlekkjes aankomen. Wie zouden dat zijn? vroeg ze zichzelf af. Snel rende ze naar de commandant en de twee leiders. "Sneeuwster! Bergster! Ijsrivier!"riep ze. "wat is er, Luipaardvlek?"vroeg Bergster rustig. "Bergster.."hijde ze." je dochter...ze gaat bevallen!"Snel rende Bergster naar de kraamkamer, met Sneeuwster en Ijsrivier achter zich aan. Regenstorm ademde snel en kreunde. "medicijnkat!"riep Luipaardvlek. "we hebben een medicijnkat nodig!" "hier ben ik!"zei Gaaiveder. "wauw, dat was snel voor een blinde kat..."mompelde Luipaardvlek."huh? Waarom is hier niemand?"hoorde Luipaardvlek van buiten. Ze trippelde naar buiten en schrok. De 6 katten die op reis waren gegaan waren terug, samen met hun gids! "kom snel! Regenstorm is aan het bevallen!"riep ze naar Wolkenvacht en samen met Vossensnuit rende ze naar binnen. Gelukkig voor Gaaiveder en natuurlijk ook voor Regenstorm was er maar weinig bloed. Drie natte kittens piepten en kropen tegen Regenstorm aan. "ach..."was het enige dat Regenstorm kon uitbrengen. Vlokjeskit keek er nieuwsgierig naar. "Willen jullie spelen, kleine natte kittens?" vroeg ze. Luipaardvlek schudde haar hoofd. "sorry Vlokjeskit , maar die kittens kunnen nog niet spelen." 'Ik weet al hoe we ze gaan noemen, Grijsvoet. Wat dacht je van  BlauwKit ,Kerskit en Ochtendkit?' vroeg ze aan haar partner. Grijsvoet knikte. Het ene kitten was blauwgrijs en het andere was rood met een lichter rood buikje en de laatste was spierwit met een geel oog en het andere blauw en 2 zwarte vlekjes op het kopje, waarvan Regenstorm zich afvroeg hoe ze die kleur kon hebben. Wolkenvacht zag er gelukkig uit met haar nieuwe nichtjes..of neefjes! De kittens piepten en waggelden het nest uit. "kerskit! Blauwkit!Ochtendkit!niet doen!" Struikelent trippelden de kittens terug.Aardbeikit keek naar de kittens. wauw, die zijn klein! Aarbeikit wist dat op het moment dat ze het kamp vertrokken, Regenstorm kittens kon krijgen. En nu ze terug zijn, is het in inderdaad gebeurt! Ze is bevallen.Gaaiveder ging samen met Windvleugel, de medicijnkat van de SneeuwClan, de kittens checken of ze gezond waren, en ze waren dat ook.Aardbeikit wandelde naar buiten. Opeens zag ze iets. Of nee... iemand. Meerdere iemanden. Honden. De honden van Tand! En ze renden het ZeeClankamp in! "honden! bescherm het ZeeClankamp!!"riep ze naar binnen. De meeste volgde haar, en daarna volgden Bergster en de andere katten. Terwijl het gevecht lostbarste, 3 clans tegen 10 honden, rende Parelkit naar het hart van het kamp. Het werd bladval, en kou sneed in haar gezicht. Ze zwom door de ijskoude rivier om in het kamp aan te komen. Een kat wou net zeggen dat ze in het gebied bleef om te vechten of naar haar huis ging, tot ze Parelkit herkende. "parelkit! Jij hebt mijn kit Streepjeskit gered! Weet je dat nog?"vroeg de moeder van Streepjeskit, Rivierstroming.Parelkit knkte. "dat weet ik nog. Ik kwam hier om hem te zien!"zei ze. Rivierstromings blik werd verdrietiger. "dat ga ik aan de medicijnkat vragen"zuchte ze. "hij is aangevallen door een bruine labrador.Hopelijk overleefd hij het."ze klonk niet blij. Parelkit schrok. Die hond weer? Die heb ik ook tijdens Wolfkits Reis  gezien! Ze dacht even na. ja, ik noem het Wolfkits Reis. Hertensprong zat bij twee nesten. In een lag een gewonde krijger. In de andere lag.."Streepjeskit?"vroeg Parelkit. Streepjeskit kreunde zachtjes. Aardbeikit kwam ook aangerend. "streepjeskit? Parelkit, is dat Streepjeskit? Wat is er met hem gebeurt?" Zijn moeder antwoorde:"Hij en Lavapels zijn aangevallen door een labrador. Nadat Lavapels hem gered had,waren ze beide gewond. Lavapels ligt hier nu al heel lang, Streepjeskit sinds hij duizelig begon te worden" Geschokt keken de 2 kittens naar de gewonde krijger en de zielige kitten.Windvleugel kwam weer aangerend met papaverzaadjes voor de 2 katten en spinnerag voor hun wonden. De leider kwam ook kijken of het beter ging met de kit en met zijn zoon. Respectvol keken de kittens naar beneden en liepen het kamp uit. "we moeten wraak nemen op die hond!"siste Parelkit. Aardbeikit knikte. Ondertussen kwamen ze Morgenzang tegen. "moet je niet vechten?"vroeg Aardbeikit. Morgenzang schudde haar kop, en rende verder. Toen de kittens de koude rivier doorgezwommen waren, zagen ze dat de VlammenClan nu ook hielp. Er waren nog maar 6 honden over: Tand en zijn aanhangers. Aardbeikit rende naar de honden toe. Ze ontblootte haar scherpe, kleine klauwtjes en haalde uit naar een hond. De hond viel Kersenpoot aan, en Aardbeikit herkende hem. Erg goed zelfs. Zijn naam was Buster en aan het begin van haar reis had deze hond haar en haar zusje erg verwondt. Gelukkig kon Loofpoel van de MaanClan hun redden door de 2 kits kruiden te geven. Nu was Aardbeikit uit voor wraak. Ze krabte de hond op zijn poot en sprong op hem om ook nog eens uit te halen op zijn rug.De hond draaide zijn kop woedend om om de rode kitten te bijten, maar hij kon er niet bij. Tot Aardbeikits schrik zag ze dat de ‘krassen’die ze bij de hond had gemaakt niet meer waren dan papiersneetjes. Ze had dan ook nooit geleerd hoe ze moest vechten, dus niemand kon het haar kwalijk nemen. Voor ze het wist verloor ze haar evenwicht en viel ze van de hond naast Kersenpoot. Gelukkig begonnen de andere katten de hond ook aan te vallen, waardoor Aardbeikit meer dan genoeg tijd had om te ontsnappen. Ze rende naar het ZeeClankamp en zwom door de ijskoude rivier. Ze keek nog een laatste keer om en zag sommige honden wegrennen. Een van de honden was de hond die ze het meeste haat. Blacky had Bloesempoot en Parelkit willen doden, en had Loofpoel gedood. Ze rende het kamp binnen en zag een hond in het kamp, vechtend tegen de medicijnkat en de moeder van Streepjeskit, Rivierstroming. De hond had zich gemunt op Streepjeskit en de gewonde krijger. Opeens sprinte Regenstorm voorbij en storte zich met uitgestoken klauwen op de hond en beet in zijn kuit. De hond probeerde Regenstorm te bijten, maar Regenstorm was te snel en ontweek de hond. Lavapels, de gewonde krijger, probeerde Streepjeskit mee te nemen naar een veillige plek, maar de kitten was helemaal in paniek en wou niet mee. Telkens als Lavapels hem oppakte probeerde de kitten zich los te worstelen. Dat maakte het erg moeilijk hem te vervoeren. Regenstorm  voelde de wond in haar zij van een andere hond nog prikken en wist dat dat haar zwakke punt was. Als er daar nog een hond in bijt, kan dat mijn dood worden. Ze krabde de hond en voelde de pijn door haar staart schieten op het moment dat de hond erin beet. Ook Rivierstroming deed haar best om de hond tegen te houden, maar ze was nog een jonge krijger en het lukte niet echt. En de medicijnkat had vechten niet echt geleerd. Opeens had de hond het niet meer op Regenstorm gemunt en probeerde Rivierstroming te bijten. Gelukkig kon ze dat op tijd verkomen. Regenstorm merkte dat ze erg gewond was, maar ze mocht niet opgeven en de gewonde krijger en kit aan hun lot overlaten. Dat zou al erg genoeg zijn, maar dan brak ze ook nog de Krijgscode. Haar hoofd tolde en ze besloot Streepjeskit te helpen. Ze sprong weg van de hond en pakte Streepjeskit op en sprinte toen weg, met Lavapels en ook de hond op haar hielen. Toen de hond merkte dat er een gewonde krijger, en dus een gemakkelijke prooi naast hem rende beet hij de krijger bijna in zijn nek. Gelukkig had Lavapels geluk bij een ongeluk. Hij struikelde waardoor de hond hem niet doodbeet, maar wel hard in zijn staart. Lavapels krijste het uit van pijn. Toen zette Regenstorm de kitten neer, trok een sprintje en beet de hond op dezelfde plek waar ze hem eerst had gebeten: in zijn kuit. De hond jankte en rende het kamp uit. Regenstorm zuchte opgelucht. Streepjeskit rende naar de katten toe, sniffend omdat hij twee schrammen had opgelopen. Regenstorm had een wond in haar zij, een snee in haar staart en wat schrammen die ze had gekregen door een braamstruik. Maar Lavapels was er het ergst aan toe. De meeste van zijn wonden waren weer open en er lag een stukje van zijn staart af door de hond. De katten moesten weer terug het medicijnhol in, en Regenstorm kreeg wat papaverzaadjes. Toen rende Regenstorm het kamp uit, en ze zag dat de honden weg waren. En de 4 clans, die vrede hadden, stonden er gezellig te kletsen alsof er niets was gebeurd.Gelukkig had een aardige SneeuwClankat die ook zwanger was, zwanger genoeg om niet mee te kunnen vechten, haar aangeboden om op haar 3 kits te passen.Ze trippelde naar de SneeuwClan, dat best dichtbij lag. Ze liep het krijgershol in en bedankte de kat, pakte de drie kittens op en wou net weglopen, toen ze iets hoorde. “jij hebt snel je spullen gepakt!”nieuwsgierig keek Regenstorm om. “spullen”vroeg ze. “hoezo zou ik mijn spullen moeten pakken? Wat zou ik moeten pakken?” “nou...”begon de poes. “Bijvoorbeeld je nest, takjes en blaadjes van je kits, en wat prooi. Wist je dan niet dat we op reis gaan? Dat hebben ze net overlegd.Sinds jullie kamp is afgebrand zit de SneeuwClan nogal vol. Dus besloten we op reis te gaan om een nieuw territorium te vinden!”zei ze vrolijk. “bedankt voor de tip! Ik zal mijn spullen gaan pakken!” zei Regenstorm en ze pakte haar drie kits op. De kittens piepten en omdat ze ze niet allemaal kon houden zette ze Blauwkit en Kerskit op haar rug. Ochtendkit hield ze zelf vast. Ze trippelde naar het SneeuwClankamp en zei tegen haar kittens: “zoeken jullie maar wat uit was je mooi vindt, dan kan je dat meenemen. Uhm.. Ik bedoel iets dat lekker ruikt of fijn voelt, want jullie kunnen nog niets zien”zei Regenstorm glimlachend en ze zette haar kittens neer.Regenstorm liep de kraamkamer binnen en pakte haar nest. Stuiterkit sprong opgewonden en zei: “we gaan verhuizen! We gaan verhuizen!” Regenstorm lachte en pakte haar nest. Toen liep ze naar buiten en ze zag haar drie kittens aanrennen. Blauwkit had een schelp gevonden, Kerskit zacht mos, en Ochtendkit... een nog levende rups. “mooie spullen gevonden! Weten jullie alemaal zeker dat dat is wat jullie willen houden?”de kittens knikten opgewonden. “ook jij, Ochtendkit?”vroeg ze terwijl de naar de rups keek. Ochtendkit knikte harder en voerde haar rups een blad.”Iedereen klaar om te vertrekken?”vroegen Bergster en Sneeuwster.Alle katten miauwden instemmend, ook Regenstorm. “dan gaan we!”miauwde Morgenzang. De 2 clans vertrokken als een gestoorde parade naar de VlammenClan, terwijl ondertussen ook de ZeeClan meekwam en de parade nog vreemder werd. Toen alle clans klaar waren liep iedereen de berg over, precies hetzelfde als bij Wolfkits Reis. Toen ze boven op de berg waren en net weer door wouden lopen bleef Regenstorm staan. “kijk, kits”fluisterde ze en ze ging zitten, recht voor de zonsondergang. En er spookte iets door haar hoofd. Een profetie, daar leek het op. Het einde van een tijdperk, de Zon gaat onder, maar de Ochtend zal het Donker verdrijven.

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Kersendauws keuze!

Moonkitty1

Moonkitty1PF.png
Ik sta bekend als Moon, maar sommigen noemen me hier Momo of Boom. Mijn grote en doodserieuze passie is dieren met hoedjes en bandanas tekenen. Verder ben ik erg bedreven in wildlife fotografie en schrijf ik zo nu en dan wat. Ik ben ergens in 2018 actief geworden op de waca fanfiction wiki en heb hier vreselijk cringe chaosverhalen gepubliceerd die ik je met heel mijn hart en ziel aanraad niet op te zoeken. Kwa semi-serieusheid: Sinds kort ben ik bezig met een reeks genaamd Als een Nieuw Begin en heb in twee jaar een verhaal voltooid: Lichts Lot. ଘ(੭*ˊᵕˋ)੭


Vis op ‘t droge

Illustratie Moon 3000.png
Vis op 't droge cover.jpg
Iedereen was leuke dingen aan het doen, maar ik zat samen met mijn zusjes opgesloten in het oudstenhol. Waarom? Omdat we elke regel verbroken hadden die we maar konden breken? Nee, we waren simpelweg leerlingen. Gestraft bij onze leeftijd, dat waren we.

‘Ah Vispoot, jij wilt vast nog wel een verhaal horen terwijl je mijn vacht schoonlikt?’

Ik proestte toen de geur van rotte vis mijn neusgaten binnendrong. ‘Nee.’

‘Maar ik wel!’ Netelpoot, mijn zusje, glimlachte van oor tot oor. ‘Ik ben dol op verhalen!’

‘Ja, ik ook!’ miauwde Kleinpoot.

Wat had ik toen graag een steen tegen hun koppen gesmeten. Zusjes…

De oude poes straalde van top tot teen. ‘Heb ik jullie al eens het verhaal over Het Halve Maan Monster verteld?’

Ik zuchtte. ‘Vast wel. Hou nu maar gewoon je mond.’  

‘Vispoot, dat is onbeleefd!’ Netelpoot trok haar gezicht samen, vuur brandde in haar ogen. Ik glimlachte. Ik vond haar gezicht altijd het leukste wanneer er een frons op stond. Dan wist je zeker dat je een goede opmerking had gemaakt.

Houtrimpel deed net alsof ze doof was – of misschien was ze dat deels ook wel – en begon te vertellen: ‘Elke halve maan spookt Het Halve Maan Monster door het woud, daarom heet hij ook Het Halve Maan Monster.’

Ik rolde met mijn ogen. ‘Je meent het.’

‘Hij stinkt nog erger dan kraaienvoer en vossenstront gecombineerd en ze zeggen dat zijn roep harder klinkt dan het gebrul van tien monsters.’

Kleinpoot dook in elkaar en begroef haar kop in Netelpoots vacht.

Serieus?

‘Katten zeggen dat je eeuwig geluk zult hebben als je hem weet te verslaan. Maar ieder die hem probeerde te doden, ontsnapte niet met zijn leven.’

Kleinpoot krijste het uit. Met haar onhandige pootjes stapte ze in de muizengal, waarna ze nog harder begon te schreeuwen. Het bruine poesje leek wel een op hol geslagen konijn. Misschien was Het Halve Maan Monster wel helemaal geen moordlustig wezen, maar slechts Kleinpoot die net na het horen van een stom Houtrimpelverhaal krijsend het bos in was gerend.

Netelpoots wenkbrauwen daalden en haar haren schoten overeind. Even dacht ik dat haar woede op mij was gericht. Die poes wilde namelijk standaard mijn hoofd met een steen doorboren als ze de kans kreeg. Maar gek genoeg staarde ze met haar dodende blik naar Houtrimpel. ‘Kijk eens naar wat je mijn zusje hebt aangedaan! Zomaar een horrorverhaal vertellen met zo’n tedere ziel als Kleinpoot in je bijzijn? Niet cool.’

‘Wat zeg je, liefje? Ik versta je niet vanwege mijn oude oren!’ miauwde de oudste overdreven hard.

‘Dat jij en je snurkende buurman het maar lekker zelf uit mogen zoeken!’ Daarna liep ze stampvoetend het hol uit, gevolgd door Kleinpoot.

Houtrimpel richtte haar schele blik op mij. ‘Wat zei ze nou?’

‘Uh, nou ze-’ Ik had haar zo graag de waarheid verteld als ik mijn mentor niet voor de ingang had zien zitten. Hij schudde afkeurend zijn kop. ‘Ze zei dat je schoon bent en het dus voor ons maar eens tijd is om te vertrekken.’

Houtrimpels gezicht betrok. ‘Maar, maar, maar... ik wilde jullie nou nog net het verhaal vertellen over die keer dat ik-‘

Ik stopte mijn staart in Houtrimpels stinkende mond. Nog langer naar haar onzinnige gebrabbel luisteren? Nee, dat ging dus mooi niet gebeuren. ‘Ik heb nogal haast, weet je? Vertel het maar aan Rivierkikker.’

‘Maar die ouwe zak slaapt de hele dag! Jonge katten… altijd moet alles weer vlug, vlug, vlug. Nooit nemen ze een keer tijd voor dingen die er echt toe doen…’

‘Doei, Houtrimpel.’ Ik sloeg mijn staart nog een laatste keer in haar verrimpelde gezicht. Dat verdiende ze zo erg.

Ik liep met opgeheven borst langs mijn mentor. Je kon altijd maar beter doen alsof je je geen hopeloos muisje voelde als zijn afkeurende blik de jouwe kruiste. Want als je dat wel deed, zou hij zeker toeslaan als een hongerige kat.

Zijn blik boorde een gat in mijn ziel, maar verder zei de kater gelukkig niets. Ik wilde bijna een dansje van vreugde doen toen ik zonder problemen het leerlingenhol bereikte. Maar op dat moment wist ik nog niet wat me die avond te wachten zou staan…

---

‘Ik wil eigenlijk helemaal niet slapen,’ miauwde Kleinpoot toen ik net was begonnen weg te doezelen. Ik haalde mijn poten uit naar haar snuit, maar miste volledig. Als gevolg daarvan donderde ik van mijn mosbed af.

Netelpoot grinnikte.

Ik gromde. Waarom had de SterrenClan mij met deze zussen opgescheept? Wat had ik dat stelletje dode katten ooit misdaan om dit te verdienen?

‘Hey, nu we toch allemaal wakker zijn: ik had nog een leuk idee!’ Kleinpoot stak haar staart als een stok de lucht in.

Ik bedekte mijn oren met mijn poten. ‘Nee, alsjeblieft.’

‘Vandaag is het halve maan, toch?’

Ik kneep mijn ogen dicht. Laat haar alsjeblieft niet zeggen wat ik denk dat ze gaat zeggen.

‘Dus wat als we dat monster waar Houtrimpel het over had gaan opzoeken? Zo eng kan die niet zijn, toch? En we zullen eeuwig geluk hebben als we hem verslaan!’

‘Zegt degene die gillend door het hol heen rende.’ Ik snoof. Ik had hier dus zo geen zin in.

‘Pff, dat deed ik alleen maar om Houtrimpel een goed gevoel te geven.’

Ik rolde met mijn ogen. ‘Ja, sowieso. Dat is je ook zeker gelukt…’

Netelpoot beukte me in mijn zij. ‘Doe toch eens leuk, stuk vossenstront! Ik vind het een top idee, Kleinpoot! Zullen we meteen vertrekken?’

Er was geen eens een greintje twijfel in haar stem te bekennen. Ik kon het niet geloven. Hoe kon ze zo snel toestemmen op een totaal belachelijk plan wat ook nog eens tegen de regels was? ‘Ben ik hier dan echt de enige met een brein? Dat stomme monster bestaat sowieso niet eens. Het is vast weer een stom verzinsel van die Houtrimpel.’

Kleinpoot snoof. ‘Je bent vast gewoon bang.’

‘Ja, bangerik, bangerik, bangerik!’

‘Sst, jullie hoeven niet de hele Clan wakker de schreeuwen.’ Ik zuchtte. Die muizenbreinen zouden waarschijnlijk de hele nacht doorkrijsen als ik niet met ze meeging. Ik kon niet veel meer dan het noodlot accepteren. ‘Ugh, ik ga wel mee.’

En dat was de ergste beslissing die ik maar had kunnen nemen.

---

We strompelden tijden door het donkere woud, maar we vonden niks. Natuurlijk niet. Waarom zou er een stinkend monster bij halve maan door het woud lopen? Idioten.

Kleinpoot spitste haar oren. ‘Wacht ik denk dat ik iets hoor!’

‘Toch niet weer een uil?’ zuchtte ik.

Het kleine poesje dook plots in elkaar. Haar haren schoten overeind, zodat ze net een egel leek.

‘Wat nu weer? Een monsterboom? Er is gewoon niks, Kleinpoot. Accepteer-‘ Mijn mond viel wagenwijd open. Ook ik zette een stapje achteruit. Voor ons stond een enorm beest, nog groter dan een das. Zijn vacht, of wat het dan ook was, schitterde in het maanlicht. De stank van kraaienvoer en vossenstront vulde mijn neusgaten.

‘Rennen!’ miauwde ik.

Maar mijn poten leken wel bevroren te zijn. Ik verloor steeds meer en meer controle en niet alleen over mijn lichaam. Mijn gedachten raasden alle kanten op. Monsters bestonden niet, dat hadden we van onze moeder geleerd toen we nog jong waren. Hoe was dit dan toch mogelijk? Dit was toch overduidelijk alleen maar een stom verzinsel van Houtrimpel geweest? Nee. Ik droomde. Het kon niet anders.

‘V-vispoot? Waarom staan we hier eigenlijk nog?’ vroeg Kleinpoot.

Ik schudde mijn kop. Fantasie of niet, ik moest er voor mijn zussen zijn. ‘Snel, achter de struiken!’

De blaadjes kriebelden overal en takjes staken in mijn vacht. Maar het was nu even niet anders. We konden niet riskeren dat monster naar het kamp te lokken. Ik zag mijn zusje haar mond opentrekken, maar ik legde er zo snel als de bliksem mijn staart tegen. ‘Sst.’

Het beest stapte langzaam onze richting in. Mijn hart bonkte tot in de puntjes van mijn oren. Ook die van mijn zusjes waren luid en duidelijk te horen. Ik sloeg beschermd mijn staart om ze heen.

En toen bleef hij staan. Recht voor de struik. In een eng langzaam tempo draaide het monster zich om.

Zweet druppelde van mijn voorhoofd. ‘Het spijt me zo erg. Ik had Houtrimpels verhaal serieuzer moeten nemen, dan hadden we vast niet in deze situatie gezeten.’

Netelpoot snikte. ‘Nee, Vispoot, het is jouw schuld helemaal niet. Wij wilden zo nodig dit monster opsporen. Ik had helemaal niet gedacht dat we hem zouden vinden, want wie gelooft er nou in die stomme verhalen van Houtrimpel? Nee, ik wilde dit puur en alleen doen om jou te irriteren. Ik was zo stom en het spijt me zo verschrikkelijk.’

Waarom verbaasde dit me helemaal niks? Ik had haar waarschijnlijk een paar gemene klappen gegeven als we in het kamp zaten, maar er was nu geen tijd om boos te zijn. Niet nu we binnen de kortste keren onze weg naar de SterrenClan zouden moeten zoeken. ‘Het is al goed.’

Het monster stond nu recht boven ons. Elk moment zou hij een genadeklap kunnen uitdelen.

We sloegen onze poten over elkaars schouders. ‘Ik hou van jullie,’ piepte ik.

‘Ik ook van jou,’ miauwde allebei mijn zussen in koor.

We sloten allemaal onze ogen, wachtend op de dood. Maar die kwam niet. Er kwam helemaal niks, behalve een eeuwigdurende stilte.

Totdat er iemand keihard begon te lachen. En daarna nog iemand. Ik dacht eerst dat het mijn zusjes waren, dat ze me toch beet hadden genomen. dat dit toch allemaal in mijn hoofd had gezeten. Maar dat was niet zo.

Ik opende voorzichtig één oog en ik kon niet geloven wat ik zag. Het vel viel van het monster af en onthulden drie op elkaar gestapelde katten, mijn mentor, Slangensnor, bovenop.

‘Dit meen je niet,’ siste ik. Mijn haren schoten overeind.

‘Haha, je had jullie gezichten moeten zien! Geweldig.’ De kater lachte zo hard dat hij naar beneden donderde.

Mijn wangen werden heet en ik begroef mijn kop in mijn nek. Nog nooit had ik me zo beschaamd gevoeld. Waarschijnlijk hadden ze alles gehoord wat ik daarnet tegen mijn zussen gezegd had. Elk woord. Kon deze dag nog erger?

Ja.

‘Moest dat nou echt?’  bromde Netelpoot.

Konijnrenner, haar mentor, glimlachte. ‘Absoluut. Slangensnor vertelde me hoe jullie vandaag met de oudsten waren omgegaan. Echt niet cool, jongens.’

‘Nadat Slangensnor alles had overhoord, vertelde hij elk detail aan mij,’ begon Kleinpoots mentor, Waterroos. ‘Ik heb tegen Kleinpoot gezegd dat het monster helemaal niet zo eng was als Houtrimpel beschreven had. Hij zou juist makkelijk te verslaan zijn. Maar ze moest voor de zekerheid wel jullie meenemen, voor het geval dat. Ik dacht eerst niet dat het ging werken, maar hier zijn we!’

‘Maar hoe komen jullie dan aan al dat… spul?’ vroeg Kleinpoot.

‘Van de kraaienplaats,’ bromde Konijnrenner. ‘Die stank zijn we waarschijnlijk na een maan nog niet kwijt, maar het was het absoluut waard!’

Een enorme grijns verscheen op Slangensnors snuit. ‘Wat is er Vispoot? Bang dat binnenkort de hele Clan weet dat de stoere, roekeloze Vispoot stiekem een bangerik is?’

Ik haatte hem zo erg. Zo verschrikkelijk erg. Hij ging heel mijn leven verpesten. Wat voor een monster had ik als mentor? Ik wilde huilen, maar dat zou alles nog tien keer erger maken. Ook kon ik niet spreken, bang dat mijn stem mijn onzekerheid zou verraden.

‘Ach, jongen, maak je niet dik. Zo’n monster ben ik nou ook weer niet. Weet je wat? We maken een belofte. Wij vertellen niks over vannacht als jullie voortaan met respect voor de oudste zorgen. Hoe klinkt dat?’

Ik haalde opgelucht adem. Ik hield niet van deze oplossing, maar het was alles beter dan dat morgenvroeg heel het woud hiervan wist.

We knikte alle drie zo hard dat het me verbaasde dat onze hoofden er niet afrolden.

---

Iedereen was leuke dingen aan het doen, maar ik zat samen met mijn zusjes opgesloten in het oudstenhol. Waarom? Omdat we elke regel verbroken hadden die we maar konden breken? Ja. We waren de grootste idioten ooit geweest: oudsten respectloos behandeld, het kamp uitgeslopen midden in de nacht en gepakt door onze mentoren. Gestraft bij onze domme daden, dat waren we.

Maar toch vond ik dit niet zo erg als eerst. Er was niemand meer die zeurde over mijn onbeleefde opmerkingen en geen irritant zusje die krijste wanneer ze een vlooi tegenkwam. Iedereen was stil. Nou ja, behalve Houtrimpel dan.

‘Had ik jullie al eens een keer het verhaal verteld over het Een Dag Na Halve Maan Monster?’

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Moonkitty1's fanfictions!

Morgenpoot

MorgenpootPF.jpg
Hallo daar! Mijn naam is Morgenpoot en ik ben een admin op deze wiki. Ik schrijf al bijna vijf jaar fanfictions. Zo heb ik vijf prequelreeksen op de originele serie geschreven. Deze gaan over de RivierClan in het oude woud, lang voor de vuurprofetie.
Sinds ongeveer een jaartje ben ik bezig met nieuwe fanfictions, genaamd Fabulae Fluminis! Mijn eerste serie is al voltooid: Vervaagde Zielen. Ik probeer mijn nieuwe verhalen de sfeer van de allereerste Warrior Cats boeken mee te geven. Waarschuwing: bij lezers sta ik onder andere bekend om mijn vele plottwisten en cliffhangers…

Moord trigger.png


Het einde van de oorlog

Esdoornklauw probeerde zich wanhopig te manoeuvreren in het smalle gangenstelsel. Benauwdheid beheerste elke spier in haar lichaam. Ze kreeg geen lucht. Esdoornklauw had zich nog nooit zo hulpeloos en verdwaald gevoeld – dit terrein was niet alleen onbekend, maar ook onbegaanbaar.

Ze wist wat er zou gebeuren als ze haar zouden vinden. Ze wist dat ze hier zo snel mogelijk weg moest. En zodra ze het geluid van naderende pootstappen hoorde, wist ze dat het te laat was.

De poes drukte zich tegen de rotswand achter haar aan, verlamd van angst. Ze zag een schaduw over de stenen glijden, één tel voordat een gigantische, bruin gestreepte kater de hoek om kwam. Zijn wijd opengesperde ogen hadden de kleur van manen, waar zijn donzige buik zo wit was als sneeuw. Binnen één krachtige sprong stond hij tegenover haar. Ze kon geen kant meer op. ‘Esdoornklauw’, gromde hij vol haat. ‘Wat doe jij hier?’

‘Haviksdoorn.’ De woorden stokten in Esdoornklauws keel toen ze de gehavende krijger bekeek. Al hadden ze elkaar zelden gesproken, ze wist exact wie hij was. De verhalen over Haviksdoorn maakten een ronde door alle Clans. ‘Het was een vergissing om hier te komen. Ik zal gaan–’

Ze liep weg, maar Haviksdoorn duwde haar terug met een massieve voorpoot. ‘Niet zo snel.’

Hij ging haar vermoorden. Esdoornklauw zou niet de eerste zijn en ook zeker niet de laatste nu haar missie gefaald was. ‘Je kunt een commandant niet zomaar doden’, probeerde ze hem op andere gedachten te brengen. ‘Het zou een levensgevaarlijk conflict veroorzaken.’

‘Dat conflict is er allang.’ Haviksdoorn krulde zijn staart in afgunst. ‘In oorlogstijd is alles geoorloofd, Esdoornklauw. Jij staat voor mij niet boven een willekeurige krijger.’

‘Voor Spreeuwster wel. Hij stuurt onze beste katten achter je aan en je zult nooit meer rust vinden…’

Haviksdoorn spuugde op de grond. ‘Denk je dat ik nu wel rustig kan slapen? Dat ik niet constant over mijn schouder hoef te kijken? Je hebt het mis, in SterrenClans naam. Het maakt niet meer uit wat ik doe. Mijn lot is al bekend en dat weten we allemaal.’ Hij keek neerbuigend op haar neer. ‘Het enige wat ik nog kan veranderen, is het lot van katten zoals jij. Van vijanden.’

‘Ik hoef geen vijand te zijn.’

De bruin gestreepte kater snoof honend en drukte zijn poot tegen haar keel. ‘Jij werd mijn vijand op het moment dat je mijn Clan aanviel.’

‘Ik was toen nog een leerling.’ Esdoornklauw hoorde hoe haar eigen stem trilde van woede. ‘Ik heb nog iets anders dan oorlog gekend. Jij niet. Jij weet niet hoe het is om vrede te hebben. Om niet voortdurend katten te verliezen– nee, stop!’ Haviksdoorns klauwen doorboorde de vacht bij haar keel en een scherpe pijn stak door de sneeën heen. Hoe lang zou het duren voordat hij een vitale ader zou raken? ‘Jij snapt de drijfveer niet die ik heb! Jij zult nooit begrijpen wat vrede is en waarom we ervoor moeten vechten! Dat is waarom ik hier ben! Ik wil Schedelster spreken…’

Haviksdoorn gromde zijn ongeloof, maar plotseling doemde een langwerpig silhouet achter hem op.

‘Ik had je niet verwacht, Esdoornklauw.’ Schedelsters stem was zo koud en levenloos als een bergmeer. ‘Als je me nog steeds wilt spreken, volg me dan.’

***

Schedelster nam zichzelf voor dat hij Haviksdoorn beter in de gaten moest houden. Als hij niet tussenbeide was gekomen, was Esdoornklauw nu niks meer dan een hoopje dode vacht op de grond. Alhoewel Schedelster dat niet heel erg had gevonden, had hij het geprefereerd als Haviksdoorn de moeite had genomen om te overleggen.

Esdoornklauw liep achter hem. Haar pas was onregelmatig, wat liet zien dat ze onzeker was.

Hij giste dat de jonge poes geen bedreiging voor hem vormde. Ze zou hopelijk niet zo muizenstom zijn om hem aan te vallen, want ze was geen partij.

‘Kan ik u vertrouwen?’ vroeg Esdoornklauw toen aarzelend.

Schedelster snoof. Wat een vreselijk domme vraag. ‘Nee’, antwoordde hij bot. ‘Maar je kunt ook terug naar je goede vriend Haviksdoorn, als je dat liever hebt? Ik weet zeker dat hij staat te popelen om de klus af te maken.’ Zijn reactie deed Esdoornklauw zwijgen. Schedelster genoot van de stilte. Hij stapte stevig voorwaarts, op weg naar een plek waar ze rustig met elkaar konden praten. Ergens woelde er ook een gevoel van nieuwsgierigheid. Waar wilde Esdoornklauw het over hebben? Schedelster was er nog niet helemaal uit of hij het dapper of naïef vond dat de commandante zomaar de tunnels in was gewandeld. Hij hoopte maar dat ze er een goede reden voor had.

Hij hield halt bij het uiterste puntje van het territorium, de Druiptunnel. ‘Ga zitten’, gebood hij. Esdoornklauw nam aarzelend plaats op een uitstekende rots, terwijl ze al zijn bewegingen volgde met oplettende, groene ogen. Misschien was ze niet zo’n vleermuisbrein als hij had gedacht.

‘Bedankt’, miauwde de goudbruine poes. ‘Bedankt dat je me hebt gered.’

Schedelster gromde afkeurend. ‘Ik hoop dat je begrijpt dat ik dat vanuit mijn eigen overwegingen deed. Als je geen commandant was, had je nu niet meer geleefd, geloof me.’

‘Haviksdoorn leek dat anders weinig uit te maken.’

‘Haviksdoorn is een stommeling’, kaatste Schedelster terug. ‘Hij deinst nooit terug voor een moord. Zelfs als het onverstandig is.’ Hij sloeg zijn staart over zijn poten, omdat zijn tenen koud aanvoelden. ‘Er is een verschil tussen een nodige en een onnodige dood.’

Esdoornklauw fronste. ‘Dus mijn dood zou onnodig zijn?’

‘Geen idee.’ Schedelster kneep zijn ogen tot spleetjes en zag, tot zijn grote triomf, zijn gesprekspartner ongemakkelijk op en neer bewegen. ‘Je bent pas kort commandant. Ik heb geen idee met wie ik te maken heb. Voor hetzelfde geld ben je een of andere zwakke vachtbal… en dan heb ik graag dat jij ooit aan het hoofd van de WildwaterClan komt te staan.’

‘Dan moet ik je teleurstellen.’ De poes hief haar kin op. ‘Ik ben geen zwakke vachtbal.’

Schedelster grijnsde. ‘We zullen zien.’ Hij zou het nooit toegeven, maar hij mocht die nieuwe commandant wel. Ze had in ieder geval lef. ‘Wat deed je in de tunnels?’

‘Ik kwam onderhandelen.’

‘En weet Spreeuwster daarvan?’ Spreeuwster was een ervaren, slimme leider die zijn commandant nooit in haar eentje op vijandelijk gebied zou laten. Schedelster zag dat Esdoornklauw opgelaten met haar staart zwiepte.

‘Nee’, gaf ze schoorvoetend toe. ‘En dat hoeft hij ook niet te weten.’

Schedelster grinnikte. Ze was werkelijk net een leerling die stomme dingen deed, achter de rug van haar mentor om. ‘Onderhandelen, zei je? Kom maar op.’ Hij verwachtte niet veel van dit gesprek. De Grote Oorlog was al seizoenenlang gaande. Dacht Esdoornklauw echt dat zij een verschil kon maken?

‘Jij bent de laatste leider die ik nog moet overtuigen’, zei de WildwaterClankat serieus. ‘Ochtendster en Kamillester zijn bereid om vrede te sluiten.’

***

Kille winden deden Kraaienkraags vacht overeind rijzen. Gelukkig kwam de wind van rechts – dat was exact de plek waar Vlierpoot zich bevond. Zijn massieve lichaam hield de bries grotendeels tegen en hulde haar in luwte.

Vlierpoots ronde, gele ogen toonden een spoor van bezorgdheid. ‘Wat als het ze niet lukt?’ murmelde hij zacht. ‘Dan is alles voor niks geweest.’

‘Het gaat ze wel lukken.’ Kraaienkraag voelde zich hoopvoller worden toen ze dat hardop zei. ‘Deze oorlog heeft te lang geduurd. Voor iedereen.’ Haar blik gleed naar de vier leiders, die zich gegroepeerd hadden onder de Maansikkel. Ze hadden allemaal hetzelfde doel voor ogen. Voor geen van hen was het goed als de oorlog nog een dag duurde.

De commandanten zaten een eindje verderop van Kraaienkraag. Onder hen was Esdoornklauw, degene die de leiders zo ver had gekregen om met elkaar te praten. De goudbruine poes bekeek het overleg van haar superieuren met halfdicht geknepen ogen.

‘Is Kamillester wel veilig?’ vroeg Vlierpoot angstig. ‘Straks vallen ze haar nog aan!’

‘Dat doen ze niet’, stelde Kraaienkraag haar pleegzoon gerust. Het was schattig om te zien hoe toegewijd de kater was aan zijn Clanleider. Als Vlierpoot net zo loyaal aan al zijn Clangenoten zou blijven, dan kon hij later een geweldige commandant worden, zo bedacht Kraaienkraag zich. ‘Kijk, Schedelster en Ochtendster leggen hun poten op elkaar. Volgens mij zijn ze tot een overeenkomst gekomen.’

Vlierpoot snorde. ‘Dat is goed nieuws, zeg!’

Dat was het zeker. De StuifzandClan en de EchoClan waren degenen die de oorlog hadden gedomineerd. Zij hadden altijd recht tegenover elkaar gestaan, terwijl de KraakClan en de WildwaterClan vaak van kant gewisseld waren – of überhaupt geen kant hadden gekozen.

Spreeuwster, WildwaterClans leider, knikte goedkeurend voordat hij op Esdoornklauw af liep. ‘We hebben het gewoon gedaan’, snorde de kater vol verbazing tegen zijn commandant. ‘Ochtendster mag het bovengrondse EchoClangebied houden en Schedelsters krijgers worden niet berecht. Ze gingen zonder enige twijfel akkoord.’

‘Ik wist het.’ Esdoornklauw glimlachte, een glimlach zo puur als de morgenzon. ‘Niemand kon dat aanbod afslaan.’

‘Je bent geniaal’, bracht Spreeuwster ongelovig uit, voordat hij weg trippelde.

Esdoornklauw bleef achter. ‘Blijf hier’, murmelde Kraaienkraag kort tegen Vlierpoot, voordat ze op de commandante afliep. ‘Esdoornklauw?’ De poes keek verrast op. ‘Ik wil even zeggen dat ik heel erg waardeer wat je hebt gedaan. Je bent een groot voorbeeld voor me.’

‘Dat… dat is geweldig om te horen’, stamelde de goudbruine commandant.

‘Jij hebt ervoor gezorgd dat mijn kit in een veilige wereld zijn krijgersnaam kan krijgen.’ Kraaienkraag voelde opeens de behoefte om alles eruit te gooien – alle dankbaarheid die ze voelde tegenover Esdoornklauw. ‘Zonder jou zou deze oorlog gewoon door zijn gegaan zonder einde. Als ik de kans krijg om commandant te worden, dan wil ik zo worden zoals jij.’

Esdoornklauw knipperde vriendelijk met haar ogen. ‘Iets zegt me dat je niet al te lang op die kans hoeft te wachten. Wat is je naam, jonge kat?’

‘Kraaienkraag.’ Ze zette haar borstvacht trots vooruit. ‘En dat is mijn zoon, Vlierpoot.’

‘Leuk jullie te ontmoeten’, snorde Esdoornklauw welgemeend. Het was bijna onwennig dat deze poes geen opmerking maakte over hoe weinig moeder en zoon op elkaar leken. Kraaienkraag had haar antwoord altijd al klaarliggen. “Ja, het is mijn pleegzoon, maar ik zeg zelf liever zoon.” En dan zouden haar gesprekspartners heel langzaam en nadenkend knikken alsof ze de meest begripvolle en intelligente wezens van het woud waren. Esdoornklauw zweeg er echter over. En die stilte was fijner dan alles wat Kraaienkraag in lange tijd gehoord had.

***

Ochtendster zat naast haar commandant, die afkeurend naar de feestvierende StuifzandClankatten keek. ‘We hadden die vrede nooit moeten sluiten’, siste hij woedend. ‘De EchoClan gaat nu gewoon vrijuit. Schedelster zal nooit gestraft worden, ook al heeft hij zoveel van onze katten doodgemarteld.’

‘De SterrenClan zal over hem oordelen, Vaalbont’, miauwde Ochtendster rustig. ‘Uiteindelijk hebben zij altijd het laatste woord.’

‘De SterrenClan.’ Vaalbont spuugde op de grond. ‘Als het niet aan de EchoClan had gelegen, waren mijn vrienden en familie nu niet bij de SterrenClan!’ Ochtendster kon het niet laten om medelijden te voelen met de lichtgrijze kater. Hij was al haar commandant sinds het begin van de Grote Oorlog en had altijd klaargestaan voor de Clan. Ze had een hele nieuwe kant van hem ontdekt… eentje die de StuifzandClan goed uitkwam in oorlogstijd, maar die in vredestijd vooral angstaanjagend was.

Plotseling schokten Vaalbonts schouders.

Ze keek hem geschokt aan en zag dat hij huilde. Ochtendster had hem dat nog nooit zien doen. Niet toen ze gevangen zaten in de tunnels van de EchoClan – niet toen zijn gezin voor zijn ogen koelbloedig vermoord werd door Schedelmasker.

‘Het is gewoon voorbij’, snikte de kater hees. ‘Het is voorbij. En ik voel geen enkele voldoening daarvoor.’ Hij haalde zijn klauwen door het zand. ‘We waren aan het winnen, Ochtendster! We hadden die hele Clan met de grond gelijk kunnen maken! Onze duinen zouden rood kleuren met hun verraderlijke bloed.’ Hij keek naar haar op, een nieuw soort woede in zijn ogen. ‘Dan pas zou ik voldaan zijn.’

Ochtendster schudde langzaam haar kop. ‘Je moet bloed niet wreken met meer bloed.’

‘Hun bloed is niks waard voor mij.’ Vaalbont keerde haar de rug toe en schreed weg, zijn kop en staart naar beneden hangend.

Ze vroeg zich af of ze zich zorgen moest maken. Het laatste wat ze wilde, was dat Vaalbont zijn persoonlijke vete met Schedelster zou gebruiken om de Clans in een nieuwe Grote Oorlog te storten. Maar hoe kon ze het voorkomen? Boven alles was Vaalbont gewoon een geweldige commandant die onmisbaar was voor de StuifzandClan. Hij zou over de tijd wel wijzer en goedhartiger worden… toch?

Ochtendster had geen flauw idee dat Vaalbont haar dood zou betekenen.

En ze kon al helemaal niet vermoeden dat haar ergste nachtmerrie werkelijkheid zou worden. Vaalster en Schedelster zouden het woud in een nieuwe Grote Oorlog storten. En deze keer zou de EchoClan niet de schuldige zijn.

Nee, deze keer zouden Ochtendsters eigen katten de monsters blijken.

***

Lees hoe het verder gaat in Vervaagde Zielen, mijn allereerste serie over deze vier woudClans!

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Fabulae Fluminis!

Sterrenkit

SterrenkitPF.png
Ik ben Sterrenkit en ik hou van schrijven en tekenen. Ik teken vaker dan ik schrijf, omdat ik het leuker vind. Ik hou erg van katten en dat is hoe ik de boek Warrior Cats heb gevonden. Ik heb echt alle boeken gelezen van Warrior Cats. Ik heb een website, het is een ideen website, maar ik wil niet graag versturen, omdat alles in engels is. Ik knutsel ook graag. Ik hou heel veel van natuur en ben natuurlief.

Sterfgeval.png

Eekhoornstraal heeft het moeilijk. Hij is net krijger geworden en wil zoveel mogelijk zijn Clan helpen, maar het is een moeilijke keuze. Mistzang heeft hem gevraagd om een haar leerling medicijnkat te worden. Ze is namelijk heel ziek haarzelf en overleed bijna. Eekhoornstraal is de enige die ze kan vragen, want toen hij een kit was stak hij altijd zijn neus in de medicijnhol en hielp soms. Dus Eekhoornstraal heeft een hoop geleerd. Het intresseerde hem, maar na een paar minuten vond hij het heel saai.  ‘Twijgstreep, wat moet ik doen?’ vroeg Eekhoornstraal aan zijn broer. ‘Ik wil graag helpen, maar nooit doe ik het werk goed als ik het saai vind.’ ‘Doorzetten, is het woord.’ vertelt Twijgstreep. ‘We hebben je nodig en je bent de enige die we hebben. Je kan ook helpen als medicijnkat.’ ‘Je hebt gelijk, ik vertel het aan Mistzang.’ zuchtte Eekhoornstraal. Hij liep naar de medicijnhol en zag Mistzang daar liggen. ‘En?’ kraakte Mistzang. ‘Ik doe het, Twijgstreep heeft me verteld dat het belangrijk is dat er een medicijnkat is. De Clan heeft me nodig.’ miauwde Eekhoornstraal moedig. ‘Goed, ik ga het vertellen aan…’ Mistzang maakte haar zin niet af. Ze overleed. ‘Mistzang, Nee!’ schreeuwde Eekhoornstraal. Hij zat naast Mistzang, hield haar vast en huilde zo hard dat Hermelijnster binnenkwam. ‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg Hermelijnster. Maar het was niet nodig om te vragen, hij zag het al. ‘Mistzang!’ riep hij. ‘Ach nee, we hebben nu geen medicijnkat meer.’ miauwde Hermelijnster treurig. ‘Nee, ik doe het.’ vertelde Eekhoornstraal. ‘Doe wat?’ vroeg Hermelijnster. ‘Ik word medicijnkat.’

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: De keuzes!

Sterrenval

SterrenvalPF.png
Hallo ik ben Sterrenval. Ik zit minder als een jaar op de wiki. Ik vind het fijn om met computers te werken daarom edit ik regelmatig iets op de wiki. Ik ben ongeveer 3 maanden geleden begonnen met fanfiction te schrijven samen met Bliksempoot, Fanfiction Bliksempoot en Sterrenval / Duisternis Tussen De Sterren.

Sterfgeval.png

‘Daar zit een duif,’ fluisterde Konijnpoot. Zeewiervacht keek op. Konijnpoot had gelijk er zat inderdaad een duif. ‘Vang jij hem maar,’ fluisterde Zeewiervacht terug. Konijnpoot sloop naar de duif. Opeens keek de duif op alsof hij Konijnpoot had gezien. Konijnpoot sprong snel op de duif en doodde hem. ‘Goed gedaan!’ Trots keek Konijnpoot naar zijn mentor met de duif in zijn mond. ‘Kom dan brengen we hem snel naar Witschaduw haar kits die zullen vast wel honger hebben.’

Even later toen ze terugkwamen in het kamp en de duif samen met twee muizend die ze hadden gevangen op de prooistapel hadden gelegd riep Musster de clan bijeen voor een Clanvergadering en zei:’Vandaag gaan we na manen ruzie de Meerclan eindelijk aanvallen!’ ‘Dat werd tijd!’, riep een van de oudste. ‘Rozenstaart zeg jij maar wie er meekomt om de weide terug te veroveren.’ De commandant sprong in de Hoogboom en zei:’Ik, Goudstreep, Regensnuit met zijn leerling Sneeuwpoot, Bloesemsnuit, Zeewiervacht met zijn leerling Konijnpoot en natuurlijk onze medicijnkat Glansstaart.’ Zeewiervacht kon het niet geloven hij ging mee naar een gevecht! Zijn leerling was duidelijk ook opgewonden want hij zat de hele tijd op en neer te springen. ‘Gaan we echt tegen Meerclan katten vechten?’, vroeg Konijnpoot

‘Ja, en we gaan winnen!’

De patrouille liep langs allemaal heuvels om aan de grens met de Meerclan te komen. Bij de grens aangekomen zette iedereen grensmarkering aan. En net op dat moment kwam er een Meerclanpatrouille langs. ‘Wat zijn jullie bezig!’, riep een van de Meerclankatten. Rozenstaart antwoordde:’We nemen de weide terug in.’ De Meerclankrijger gromde en riep:’Lichtpoot haal versterking!’ Toen viel hij Rozenstaart aan en het gevecht begon.

Zeewiervacht sprong op een Meerclan krijger en probeerde in zijn rug te bijten, maar de Meerclankrijger beet toen in zijn poot. Zeewiervacht krijste het uit en krabde op de Meerclan krijger zijn flank en beet in zijn staart. De Meerclan krijger sprong naar achter dus liep Zeewiervacht hem achterna. Opeens struikelde hij in een kuil en viel op de grond. Een andere Meerclan krijger die Zeewiervacht herkende als Amberoog sprong op zijn rug en klauwde aan zijn vacht. Gelukkig sprong Konijnpoot op dat moment op Amberoog en duwde haar van Zeewiervachts rug. Amberoog trok zich terug.’Bedankt’, hijgde Zeewiervacht. Konijnpoot deed zijn mond open om te antwoorden maar plots kwamen er allemaal Meerclan katten uit de struiken. Zeewiervacht keek rond naar zijn Clangenoten. Glansstaart was Goudstreeps wonden aan het verzorgen maar verder was er niemand zwaar gewond. ‘De versterking is gearriveerd’, siste Rozenstaart waarna ze zichzelf op een Meerclan krijger stortte. Zeewiervacht werd plotseling langs opzij gebeukt door een Meerclan leerling. Die versloeg hij makkelijk, maar toen kwam de commandant van de Meerclan Boomschors naar hem toe en riep:’Pak iemand van je eigen lengte!’ Hij sprong op Zeewiervacht en beet in zijn oor. Zeewiervacht schudde hem van zich af. Boomschors kwam op zijn rug terecht dus sprong Zeewiervacht op zijn buik om het met zijn klauwen te bewerken. Toen beukte er weer iemand tegen hem op deze keer was het Rattenstaart een Meerclankrijger.Het werd Zeewiervacht te veel dus trok hij zich terug. Hij keek in het rond om te zien wat er allemaal gebeurde maar zijn blik bleef stil hangen op een plek waar het lichaam van Rozenstaart lag. Hij liep er direct naartoe. Zeewiervacht controleerde snel haar ademhaling en tot zijn opluchting ademde ze nog zwakjes. Hij keek opnieuw in het rond om te zien dat er niks goed ging. Dus deed hij het eerste wat in zijn hoofd opkwam en riep:’Maanclan terugtrekken!’ Zijn clangenoten liepen zo snel mogelijk de heuvels in terwijl Glansstaart Rozenstaart er weer bovenop probeerde te helpen. Op een bepaald moment hield Rozenstaart op met ademen en sleurde Glansstaart en Zeewiervacht haar terug naar het kamp. Terug in het kamp riep Musster alle katten bijeen en zei:’We betreuren de dood van Rozenstaart ze was een goede en rechtvaardige commandant, maar nu zal er een nieuwe commandant benoemd worden...  Zeewiervacht accepteer jij de rol van commandant?’ Er kwamen veel katten rond hem staan om hem te feliciteren.Zeewiervacht kon het niet geloven. Hij commandant. Zeewiervacht had een mengeling van gevoelens aan de ene kant verdriet vanwege de dood van Rozenstaart maar aan de andere kant blijdschap omdat hij later misschien wel leider zou worden. Zeewiervacht liep vastberaden naar voor met het gevoel dat hij alles aan kon en zei:’Ja Musster dat doe ik.’

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Duisternis Tussen De Sterren!

Withart

Gemaakt door Moonkitty1.

Ik ben Withart, en heb twee verhaalreeksen op de wiki. De eerste draait om het personage Withart en haar familie. Het heet dan ook Witharts wereld. Deze reeks speelt zich af gedurende de bestaande reeks, en is dus een AU. Mijn andere reeks heet Spel van Bloed en Liefde, en speelt zich af in het woud lang voordat er sprake was van Vuurster. Ondertussen loopt het laatste boek Bloedende Maan ten einde, terwijl ik ijverig aan de opvolger werk, die ergens in oktober 2021 verschijnt.

Sterfgeval.png

Melkster liet zijn blik over het kamp glijden. Dat verhuld werd met de allereerste goudgele zonnestralen. Het was er nog heerlijk stil, het enige dat Melkster hoorde was het zachte gesnurk van enkele van zijn krijgers.

De crèmekleurige kater snorde stilletjes door alle rust, die in het kamp hing. Het zou nog maar enkele ogenblikken duren voor de drukte van de dag zou beginnen. Hij besloot om naar de Uitkijkrots te gaan.

Het was een van zijn favoriete plekjes van heel het WindClanterritorium. Je had er een prachtig uitzicht over het uitgestrekte landschap.

“Goedemorgen”, mauwde hij, terwijl zijn adem wolkjes vormde in de koude buitenlucht.

“Goedemorgen”, glimlachte Strohart.

De goudkleurige kater had de nachtwacht gehouden op de Uitkijkrots, en staarde zijn leider met kleine ogen aan.

“Hoe was de wacht”, vroeg Melkster.

“Prima. Niets tegengekomen.” Strohart sperde zijn mond open voor te geeuwen. “Ik begin stilaan toch de jaren op mijn teller te voelen”, voegde hij toe.

Melkster krulde zijn mondhoeken om tot een lach. “Ik zie het. Moet ik je tot oudste benoemen?”

“Nee, dat is ook weer niet nodig. Ik blijf nog wel even actief”, grijnsde Strohart.

Melkster genoot van de soms wat plagende gesprekken met zijn commandant. Hij had altijd een sterke band met de kater gehad, ondanks dat het niet zijn leerling was geweest. Hij had de broer van Strohart, Distelhart, opgeleid. Maar omdat zijn eigen broer Geelwind de mentor van Strohart was, trainde het viertal vaak samen.

Hier had Melkster – toen nog een krijger met de naam Melkvacht – al de diplomatieke en ambitieuze persoonlijkheid van Strohart opgemerkt.

Melkster had die karaktertrekken altijd weten te appreciëren. Wanneer zowel Distelhart als Strohart krijger werden, bleef hun hechte band bestaan.

Dus was het niet meer dan normaal om Strohart als zijn commandant te benoemen. En na al die manen was Melkster nog steeds tevreden om zijn keuze.

Melkster fronste, toen hij zag dat Strohart met zijn poten begon te schuifelen. “Wat wil je zeggen, Strohart?”

“Ik”, zuchtte de kater. “Je had ergens wel een punt met mijn leeftijd, en ik wil je graag eens daarover spreken.”

“Dat kan zeker”, miauwde Melkster iets of wat verbluft. Hij wist niet dat zijn uitspraak zoveel had losgemaakt bij zijn commandant.

“Kan ik na het indelen van de patrouilles langskomen”, vroeg de goudbruine kat.

Melkster knikte. “Prima.”

Hij zag hoe Strohart tevreden knikte, terwijl zijn amberkleurige ogen over het grasland gleden.

Stroharts ogen werden gevuld met pretlichtjes toen ze een bepaalde kat spotte. Melkster keek ook in die richting, en zag twee jong katers naast elkaar door de heide slopen. Het waren Hazenvlucht en Tarwepoot, mentor en leerling samen op pad.

“Hij doet het goed als mentor”, zei Melkster.

Strohart snorde trots. “Distelhart vertelde tegen me dat Tarwepoot geen ogenblik kan zwijgen over zijn mentor.”

“Hij is heel goed met jonge katten, en weet hoe je met hun kuren moet omgaan.”

“Net zoals Hazenbloem”, miauwde Strohart quasi geluidloos. Zijn amberkleurige ogen vulden zich met verdriet, de pretlichtjes waren uitgedoofd.

Melkster wiebelde schuldbewust met zijn oren. “Sorry, ik had dit niet ter sprake mogen brengen.”

Strohart knipperde enkele keren met zijn ogen, terwijl hij een zwakke glimlach op zijn snuit toverde. “Maakt niet uit. Het gebeurd wel vaker. Ze moet ook niet doodgezwegen worden.”

Pootstappen achter de twee katers verraadde de komst van Bessenvacht, die Strohart kwam aflossen van de wacht. Nadat Strohart de poes gebriefd had, vertrokken de twee katers. Aan de voet van de rots, gingen ze elks hun eigen weg.

“Tot zo”, miauwde Strohart. Hij wuifde nog met zijn staart, en trok naar de kampingang.

“Tot zo.”

Melkster moest niet lang wachten op zijn commandant. “Zet je maar neer”, glimlachte hij, toen Strohart in de ingang stond.

De goudbruine kater zette zich neer naast Melkster, zijn snorharen dansten zenuwachtig op en neer. Er lag duidelijk iets op zijn lever.

“Je wilde me spreken over iets”, mauwde Melkster om het gesprek op gang te brengen.

Strohart zuchtte. “Ja. Toen je me deze ochtend plaagde over mijn leeftijd, schoot me iets te binnen. Iets waar ik het langer over wilde hebben.”

“Dat klinkt serieus.”

De commandant knikte. “Weet je, Melkster. De tijd begint stilaan zijn grip op mij te hebben. Ik begin grijzer te worden, ouder te worden. Ik kan de jongsten niet meer altijd volgen tijdens de patrouilles. Het wordt tijd om te praten over de volgende commandant.”

“Zo oud ben je ook weer niet. Je bent meer dan twintig manen jonger dan ik”, bracht Melkster er tegenin. “Je kan echt nog wel even mee!”

“Dat mag misschien zo zijn. Maar jij hebt meerdere levens, en ik niet”, zei Strohart kortaf. “Je levens houden je wat jonger dan dat je effectief bent.”

“Oké, je hebt een punt”, mompelde Melkster.

“Dat heb ik wel eens vaker”, snorde Strohart. Hij hief zijn kop wat schuin. “Heb je eigenlijk al een idee voor mijn opvolger.”

“Niet echt”, bekende Melkster.

Hij had er oprecht nog nooit bij stil gestaan dat hij ooit een nieuwe commandant zou aanduiden. Het leek gewoonweg onwezenlijk om ooit een andere kat als rechterpoot te hebben.

“Ik denk dat er wel redelijk wat kandidaten zijn. Konijnloper, Zwaluwstaart, Jaagwind, Vorstklauw, Bessenvacht zijn allemaal prima kandidaten”, vertelde Strohart.

“Zeker geen verkeerde keuzes”, knikte Melkster.

Ineens kreeg Melkster een beeld van een krijger voor zich.

Misschien zou die het niet slecht doen.

“Wat zou je denken van Hazenvlucht”, voegde hij vragend toe.

Even staarde Strohart hem met open mond aan. “Hazenvlucht? Mijn zoon als commandant?”

“Ja.”

“Het gaat misschien wat vreemd klinken, en eigenlijk zou ik het niet als vader mogen zeggen. Maar volgens mij zou hij geen slechte commandant zijn”, zei Strohart. “Mits dat hij voldoende begeleiding kan krijgen Hij gaat dat nodig hebben om tegen de zware figuren te kunnen opbotsen. Als ik een oudste word, kan ik hem ondersteunen. Maar in een ander geval.” De stem van de goudkleurige kater stokte.

“Dan beloof ik tot op de grond van mijn hart dat ik dat op mij zal nemen”, mauwde Melkster.

Strohart schonk hem een glimlach. “Bedankt. Als ik er niet meer ben, is hij zijn laatste ouderfiguur kwijt. Hij moet ergens steun kunnen vinden opdat moment.”

“Ik zal er dan voor hem zijn”, beloofde Melkster.

“Dan zijn we het overeen dat Hazenvlucht mijn opvolger wordt?”

“Dat zijn we”, bevestigde de crèmekleurige leider.

Strohart stond recht, en trippelde naar  de uitgang. Vlak voor de opening bleef hij stilstaan, en keerde hij zich naar Melkster. “Volgens mij, he. Is Hazenvlucht altijd al voorbestemd geweest voor grootse dingen. Ook al beseft hij het niet. Zou je hem alsjeblieft de juiste keuzes laten nemen eenmaal het nodig is?”

Melkster was ettelijke seconden verbluft van Stroharts bekentenis. Had hij een teken gekregen van de SterrenClan? Of had hij een voorgevoel?

“Melkster?”

“Ik zal voor Hazenvlucht zorgen, en hem begeleiden op zijn pad.”

Strohart glimlachte nog kort naar zijn leider voor hij het hol verliet.

                                                       **********************

Melkster zat wezenloos voor zich uit te staren. Het ergste wat er kon gebeuren, was gebeurd.

Strohart, zijn commandant, zijn oude vriend was dood.

Dood, weg, vertrokken naar een andere wereld.

Nooit zouden ze met elkaar spreken in deze wereld, nooit zou Strohart zijn rechterpoot zijn in gevechten en moeilijke beslissingen. Melkster zou hem pas terugzien nadat hij zelf zijn laatste levens verloren was.

Melkster hoorde het gedempte gefluister in het kamp, en voelde de grimmige sfeer dat er hing. De stem van Konijnloper haalde Melkster uit zijn gedachten.

“Ze komen er aan!”

Lijsterpoot had Melkster en de Clan verwittigd dat Strohart dood was. Iedereen was aan het wachten op hun komst.

Melkster stond recht, en zag hoe het lichaam van Strohart gedragen werd door Rookpels terwijl Mierstap en Jaagwind de donkergrijze kater ondersteunde bij het gewicht van het lijk op diens rug. Achter hen strompelde Hazenvlucht, die ondersteund werd door Grasnevel. De lichtbruine kater had een verdoofde blik in zijn ogen, en kon amper op een van zijn poten staan.

Melkster liep er naar toe samen met Kruidvleugel. Bij de aanblik van Stroharts lichaam en de gebroken Hazenvlucht, brak Melksters hart.

Ik ben mijn beste vriend kwijt, maar Hazenvlucht is zijn vader kwijt. Zijn grote voorbeeld, zijn alles.

Melksters gele ogen zagen de angst en verdriet in Hazenvluchts ogen, die donkere wolken vormden. De WindClanleider boog zijn hoofd. “Lijsterpoot heeft het me verteld. Het spijt me.”

Hazenvlucht opende zijn mond, maar er kwam geen geluid uit.

Melkster stapte naar het lichaam van Strohart toe, wiens ogen gesloten waren zodat ze niet meer in de leegte staarden.

De leider boog door zijn poten, en drukte zijn neus in de vacht van Strohart. Melksters neusgaten werden gevuld met de heerlijke geur van rozemarijn, dat gebruikt werd om de geur van dood te verhullen. Het was eigenlijk best ironisch hoe zo’n goed ruikend kruid gebruikt werd tijdens een triestige gebeurtenis.

“Je bent nu terug bij je eeuwige liefde. Het gaat je goed, mijn vriend”, prevelde Melkster zachtjes.

Veel tijd om te rouwen had Melkster niet, hij moest namelijk zijn nieuwe commandant kiezen voor maanhoog. Hij stond opnieuw recht en sprong op de grote steen. In zijn gedachten speelde het gesprek, dat Strohart en hij enkele manen eerder hadden.

Het leek wel of je wist dat dit ging komen. Dat deze dag niet meer zo ver van ons verwijderd was, sprak Melkster in zijn gedachten tegen Strohart. Hopelijk ben je tevreden met mijn keuze.

Alleen kreeg hij in dit gesprek geen antwoord van Strohart. In de plaats daarvan zat zijn Clan te wachten op de bekendmaking van de commandant. Het laatste wat hij kon doen voor Strohart was de juiste keuze maken voor de commandant.

Melkster zocht de kat die hij voor ogen had,  toen hij die gevonden had, begon hij te spreken. “We moeten vandaag onverwachts afscheid nemen van onze commandant Strohart. Hij was een goede vriend van ons allen, die trouw was aan onze Clan zoals niemand anders. Hij liep over van liefde en trots voor zijn drie jongen, Heuvelwind, Sintelroos en Hazenvlucht. Het is bijzonder moeilijk om een nieuwe commandant aan te duiden, maar volgens mij zou Strohart mijn keuze meer dan goedkeuren. Ik spreek deze woorden uit voor het lichaam van Strohart zodat zijn geest het kan horen en mijn keuze kan goedkeuren. Hazenvlucht zal de nieuwe commandant van de WindClan worden.”

Ik beloof op de SterrenClan dat ik Hazenvlucht zal ondersteunen alsof het mijn eigen zoon was. Dat is het laatste wat ik voor jou kan doen, Strohart.

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Witharts fanfictions!


Zonnepoot

Gemaakt door IJsdroom Vogeltje.

Heya, Zon hier!

Kommakoningin, monstertekenaar, verhalen verwaarlozer en een van jullie enige echte beheerders!


Moord trigger.png Slapeloosheid trigger.png Sterfgeval.png


Een avond in het medicijnhol

De halve maan stond hoog aan de lucht en hulde het kamp in onheilspellende schaduwen. Iedere tak leek op een roofdier, klauwen klaar om op het medicijnhol neer te dalen en de arme inwoners te roven en aan stukken te scheuren. Althans, dat was waarom Wezelkit niet had kunnen slapen. Keverneus genoot van het geluid van een zwak briesje die met de bladeren boven zijn hoofd speelde, het was een hele verbetering na het eindeloze gejammer van de arme kit. Hij was die ochtend wakker geworden met buikpijn, niets abnormaals voor een kitten, maar Keverneus had hoe dan ook een oogje op hem gehouden. Het zachte geklaag werd erger, en tegen zonhoog stond Meespoel voor zijn hol met de vraag een oogje op hem te houden.

En heilige SterrenClan- Keverneus vond van zichzelf dat hij een goede dosis geduld had, genoeg voor frustrerende patiënten, genoeg voor hopeloze zoektochten naar kruiden en reizen langs de grensmarkeringen. Het was echter niet genoeg voor de arme Wezelkit.

Hij bleef klagen, piepen, wriemelen. Stilzitten zat er bij hem niet in, al maakte het zijn buikpijn alleen maar erger. De kruiden waren te interessant, maar leken hem niet meer te boeien zodra hij dichtbij kwam. Dan was een mier weer interessanter, of wat verloren nestmos.

Uiteindelijk had de rusteloosheid van het gestreepte katertje hem gedwongen in het kamp te blijven in plaats van mee te reizen naar de maanpoel. De rest zou hem wel begrijpen.

Keverneus wierp een korte blik op Wezelkit, het katertje lag nog steeds uitgeteld in zijn mosnest, poten onder zich uitgespreid als achteloos neergegooide takjes. Zijn flank ging met iedere ademhaling langzaam omhoog, en dan weer omlaag. Het lome ritme liet Keverneus bijna in slaap sukkelen, maar hij dwong zichzelf met een paar scherpe nagels in zijn poot wakker te blijven. Hij zou morgen wel slapen, of de dag daarna-

Een stel pootstappen onderbraken zijn gedachtestroom en Keverneus draaide zich verdwaasd om, langzaam knipperend met zijn ogen. Als hij toch al niet ging slapen kon er nog wel een patiënt bij. Zodra de bontgekleurde poten echter in het maanlicht verschenen slaakte hij een zachte kreun. Rauwe rood-roze littekens krulden iets hogerop rond zijn schouders en flank, en de vrolijke vacht van de kater leek net op de verkeerde plekken speels omhoog te pieken alsof hij al in geen dagen meer had samengetongt of ook maar een poging had gedaan fatsoen erin te brengen.

Alsof een moeilijke patiënt nog niet genoeg was, had de SterrenClan hem nog een tweede gegund.

‘’Iets nodig?’’ Meeuwenkreets blik was een en al onschuld, en zijn ogen schoten naar de opgefrommelde gestalte van zijn neefje in het mosnest.

‘’Een leerling.’’ Mompelde Keverneus zachtjes. Hij had er nog bijna een vloekwoord achteraan gegooid, maar bedacht zich op het laatste moment. Het was ten slotte de nacht van de SterrenClan en ze hadden overal oren en ogen. Het maakte zijn frustratie echter niet minder. Alle andere medicijnkatten leken langzaam hun opvolgers te vinden; Duifsnor had Tulpbries, Klimopstaart had zijn ogen al op een leergierige kitten en zelfs Rotsveder had er bijna een gehad, was het poesje niet op een ongelukkige wijze verongelukt. Hij zuchtte.

De SterrenClan heeft uiteindelijk altijd een oplossing, misschien is het Tulpbries’ lot wel om later na mijn dood over de SchaduwClan te waken.

‘’Gezelschap?’’

Keverneus keek op.

Natuurlijk stond Meeuwenkreet er nog steeds.

Hij gebaarde de andere kater met een wenk van zijn staart om binnen te komen, misschien was een extra paar ogen en oren zo slecht nog niet om de nacht door te komen.

‘’Ik zag je hier nog rondlopen, en dacht: misschien heb je wel hulp nodig. Ik heb- nee- ik had prooi voor je, maar dat is ergens verloren gegaan tussen de verse hoop en hier. Waarschijnlijk mijn buikje, alhoewel het ook een havik kan zijn geweest- ‘’

‘’Er slaapt hier en kitten.’’ Keverneus zwiepte gefrustreerd met zijn staart terwijl Meeuwenkreet alweer adem haalde om door te ratelen.

‘’Dus zachtjes!’’ Siste hij op fluistertoon. Meeuwenkreet leek het te begrijpen, althans, dat hoopte hij.

De stilte die volgde was echter niet veel beter dan de woordengolf.

Meeuwenkreet bleef maar voor zich uit staren. Kop bewegingsloos en staart langzaam zwiepend alsof hij alle blaadjes van de struiken individueel aan het tellen was. Het gestaar begon Keverneus op zijn zenuwen te werken, en na een periode gefrustreerd met zijn klauwen in het zand gekneed te hebben draaide hij zich om naar zijn kruidenvoorraad. Wie weet was er tussen het behandelen van Wezelkit en het verschijnen van Meeuwenkreet wel iets verdort. De paar passen leken meer moeite te kosten dan normaal en de wereld tolde kort toen hij stilstond, donkere randen dreigend aan het einde van zijn zichtveld. Een seconde rust leek echter alles te zijn wat hij nodig had, en kort daarna kon hij zijn inspectieronde beginnen. Er was niks veranderd. Natuurlijk was er niks veranderd. Er waren nog steeds even weinig jeneverbessen als vorige keer, en dezelfde stapel papaverzaden lag verspreid over de grond van waar Wezelkit ze eerder die avond had omgestoten. Strompelend begon hij ze bij elkaar te duwen met zijn poot, maar iets bleef aan de rand van zijn bewustzijn knauwen.

Jeneverbessen…jeneverbessen…

Goed voor kracht?

Misschien kon hij beter wat kruiden nemen om zijn aandacht erbij te houden. Jeneverbessen waren echter te kostbaar, ze hadden meer genezende eigenschappen dan alleen het aansterken van een patiënt, hij had iets anders nodig. Zijn ogen schoten heen en weer tussen de stapeltjes bladeren, wortels en zaden, uiteindelijk landend op een klein stapeltje kruiskruid. Het was altijd een favoriet van zijn mentor geweest, en toen Keverneus nog een leerling was had hij vaak genoeg het effect ervan op katten gezien. Zelf vond hij het echter te sterk en gebruikte het liever alleen als het noodzakelijk was. Gebruik op oudsten was riskant, en jonge moederkatten hadden ze op het moment niet. Voorzichtig nam hij een paar blaadjes in zijn mond en kauwde erop. Het was een van de weinige kruiden die na het drogen zijn smaak verloor, en Keverneus slikte het zonder moeite weg.

‘’Kever?’’ Hij snelde terug naar het zanderige stukje waar Meeuwenkreet en Wezelkit waren, maar er leek niks ernstigs aan de hand te zijn. Meeuwenkreet keek alleen dromerig naar de sterren die tussen de takken door wisten te fonkelen.

‘’Mis je dat niet? Kittens?’’ Keverneus trok een wenkbrauw op, en staarde van Wezelkit naar Meeuwenkreet.

‘’Eerlijk? Nee.’’

‘’Oh-‘’ Meeuwenkreet liet zijn kop hangen en wierp een blik op de kraamkamer. ‘’Die van Meespoel zijn zo lief, ze spinnen zo schattig, en die oogjes-‘’ Keverneus voelde zich bijna schuldig om de vrolijke kater uit zijn droom te trekken.

‘’Vannacht is het Wezelkit.’’ Hij zuchtte gefrustreerd. ‘’Gisteren was het Mispelkit die voor het eerste ochtendlicht al besloot haar maaginhoud naar buiten te gooien. Daarvoor was het wederom Wezelkit met een doorn in zijn pootkussentje, daarvoor Meespoel zelf met koppijn en daarvoor weer Wolfkit met een ‘oh zo pijnlijk oog’. Als je het aan mij vraagt was het alleen maar een korreltje zand, er viel niks te zien.’’

‘’Je adem ruikt naar planten?’’ Meeuwenkreet keek hem verward aan, ‘’Je hoeft geen blaadjes te eten! Als je had het gezegd had ik gewoon nog een muis voor je gepakt. Kom, we halen wat.’’ Voordat Keverneus kon protesteren werd hij meegesleurd de open plek op. Meeuwenkreet trok hard aan zijn nekvel, maar net niet hard genoeg om verwondingen te veroorzaken. Keverneus voelde zich net een kleine kitten meegesleurd door zijn boze moeder nadat hij en Naaldschim weer eens wat uitgespookt hadden. Hoe erg zou hij wel niet voor die arme Rattenvel zijn geweest?

Voordat hij het wist stond hij voor de armoedige avondhoop bestaande uit een miezerige spitsmuis en twee taai uitziende kikkers. Meeuwenkreet keek er twijfelend naar.

‘’Ik kan wat voor je jagen?’’ Er klonk alleen weinig overtuiging uit zijn stem.

‘’Het dieet van een medicijnkat bestaat uit verzopen en bevroren prooi. Dit kan er mee door.’’ Meeuwenkreet snorde zachtjes terwijl Keverneus de kleinste van de twee kikkers oppakte. Blijkbaar was er iets amusant. Kopschuddend liep hij weer terug naar het medicijnhol, de bontgekleurde kater op zijn hielen.

‘’Wat zijn je plannen voor morgen? Uitslapen?’’ Het regelmatige geplof van Meeuwenkreets poten stokte even en de kater rekte zich met een geeuw uit.

‘’Vroeg wakker gemaakt worden door Wezelkit. Misschien later op de dag wat jeneverbessen zoeken, tenzij Wezelkit mij nog nodig heeft, dan stuur ik wel een leerling op pad.’’

‘’Oh-‘’ Meeuwenkreet leek teleurgesteld.

‘’Het leven van een medicijnkat is iets speciaals, je staat dan wel dicht bij de Sterrenclan, maar soms ook tegelijkertijd ver weg van je eigen Clangenoten.’’

‘’Mis je het normale leven niet?’’ Ze liepen samen weer het hol in en het zand werd weer zachter onder hun poten. Keverneus ging zitten en snuffelde wat aan zijn prooi.

‘’Ik heb nooit geweten wat ik mis. Er zijn veel medicijnkatten die pas later in hun leven aan de training beginnen; na een ongeluk, of gewoon pas een latere interesse. Ik wist echter al sinds ik mijn ogen kon openen dat dit was wat ik wilde. Mysterieuze sterrenkatten, je Clan helpen op de zwakste momenten. Ik hing veel rond Rattenvels poten en hij maakte het allemaal minder abstract voor me. Voor mijn vijfde levensmaan wist ik al meer dan de meeste leerlingen in hun halve training en ik wist dat ik niet meer kon stoppen, het zou zonde zijn om al die kennis verloren te laten gaan. Natuurlijk vond Naaldschim het spijtig-‘’ hij zuchtte bij de gedachten aan zijn verloren broer. ‘’De rest van de Clan moedigde me aan om achter mijn droom aan te gaan. Rattenvel was al een oude kater, vroeg of laat zou ook zijn einde komen en de gedachte aan een opvolger was eindelijk een zorg minder van zijn schouders. Ik zag wat Naaldschim had, wat hij bereikte, maar ik wist ook dat geen enkele andere krijger in zijn pootsporen had kunnen treden. Als krijger was ik waarschijnlijk even verloren geweest als een vogel zonder vleugels.’’ Wederom snorde Meeuwenkreet, deze keer harder.

‘’Zijn er geen strenge regels? Je bent zo veel…serieuzer dan een normale kat.’’ Keverneus slikte. Er zat nog veel meer achter het zijn van een medicijnkat dan alleen het helpen van je Clangenoten. Er was ook het gedeelte waar je ze zag gaan. Een voor een zag je ze voor je poten verdwijnen, soms na een lang en gelukkig leven, andere keren veel te vroeg. Je was het centrum van de geesten van je voorvaderen en hiermee ook het centrum van de dood, het verderf, de kleine slechte stukjes. Hij wist alleen niet hoe hij dit het best aan Meeuwenkreet kon vertellen.

‘’Soms moet je-‘’ herinneringen vlogen Keverneus’ kop binnen die hij daar niet wilde hebben. Krijsende kittens, kleine, smekende gezichtjes. ‘’moeilijke beslissingen maken.’’

Hij zag aan Meeuwenkreets ogen dat de kater hem begreep.

Maar hij kon hem niet begrijpen. Het had een geheim moeten blijven, een dodelijke stilte tussen Roetster en Naaldschim en hemzelf. Naaldschim had het al mee naar zijn graf genomen en niks stond Keverneus in de weg om hetzelfde te doen.

Hij twijfelde echter.

Misschien was het wel tijd om de last weer eens met iemand te delen die niet aan het hoofd van de Clan stond.

‘’Ben je bereid te luisteren?’’ Meeuwenkreet knikte, zijn verfomfaaide snorharen streken over elkaar heen totdat ze uiteindelijk tot stilstand kwamen en Keverneus met een verwachtingsvolle blik aangestaard werd. Hij opende zijn mond en sloot hem weer.

Hij was te goed geworden in het houden van geheimen, spreken was moeilijk.

‘’Komt goed, ik wacht wel.’’ De gevlekte kater maakte het zichzelf comfortabel met wat van het mos dat Wezelkit eerder had laten slingeren en ging ontspannen liggen. Keverneus dacht na. Echter hoe langer hij over de woorden nadacht hoe slechter dit idee leek te worden. Geen enkele verwoording leek juist, geen enkel begin leek te passen. Meeuwenkreets fonkelende ogen maakten het echter onmogelijk om helemaal stil te blijven, hij moest toch iets zeggen.

‘’Ik heb katten vermoord.’’

Misschien was Meeuwenkreets tactiek niet voor hem weggelegd, de ogen van de andere kater keken hem verdwaasd aan en hij opende meteen zijn mond.

‘’Je hebt vast alles gedaan wat je kon-‘’

‘’Alsjeblieft, stilte.’’ Smeekte Keverneus.

‘’Lijsterzang. De kittens. Je weet wat er is gebeurd, maar je weet niet wie-‘’ Meeuwenkreets grote, ronde ogen deden zijn stem breken.

‘’Ik wilde- ik dacht, iemand moest het weten.’’ Hij staarde naar Wezelkit. Het katertje was zo zorgeloos, zo kalm. Moge de SterrenClan hem een vredige toekomst gunnen, hij verdiende de rust. Meeuwenkreet stond op en streek met zijn pluizige staart langs Keverneus’ wang. Het gebaar was troostend bedoeld, maar hij voelde alleen maar leegte.

‘’Ik heb geen honger.’’ Hij schoof zijn kikker weg die al die tijd voor zijn poten in het zand had gelegen.

‘’Waarom ga je niet slapen?’’

‘’Wezelkit heeft me nodig.’’

‘’Wezelkit slaapt.’’

Keverneus sloeg gefrustreerd met zijn staart in het zand. Het katertje kon midden in de nacht wakker worden en dan had hij zorg nodig, niet een slapende medicijnkat.

‘’Ik kan wakker blijven als je je daar beter bij voelt?’’ Keverneus wilde het verzoek eerst afwijzen, maar langzamerhand won het toch zijn aandacht. Meeuwenkreet zou het katertje niet verwaarlozen, daarvoor hield hij te veel van hem. Ook zou hij Keverneus wakker maken als er iets aan de hand was, de kater kon niet eens onderscheid maken tussen een varen en een grasspriet. Hij zou met geen poot aan de kruiden durven te komen en de professional erbij halen.

Hij had ook tijd nodig om zijn hoofd weer op orde te krijgen. Morgen was weer een gewone dag met gewone patiënten, en als alles goed was een gewone Keverneus.

Zijn poten vonden instinctief zijn vertrouwde nest en brachten hem ernaartoe. Hij wierp nog een blik over zijn schouder naar Meeuwenkreet, maar de kater leek comfortabel en keek voldaan voor zich uit.

Hij was dan wel een verstrooide kletskous met te veel energie, maar zijn hart zat op de juiste plaats.

Keverneus ging liggen, krulde zijn zwarte poten op en nog voordat zijn kop het mos raakte was hij al ver weg in dromenland.

~

Keverneus strekte slaperig zijn poten uit. Het vroege daglicht sijpelde door zijn ogen en de mussen boven zijn hoofd kwetterden enthousiast. Voordat hij zich echter om kon draaien om van het zonnetje te genieten raakte zijn poten iets zachts.

Een vredig opgekrulde Meeuwenkreet lag diep in slaap te snurken, een bijna identieke kopie van de positie waarin Wezelkit eerder die avond had gelegen. Zo plotseling als de kater naast hem verschenen leek te zijn kwamen ook de herinneringen terug zijn hoofd binnen stromen.

‘’Wezelkit!’’ Met een ongerust kreetje sprong Keverneus nog half in slaap zijn nest uit richting het lichtbruine katertje. Meeuwenkreet zou wakker blijven, hij zou er op letten dat er niks gebeurde. De grote gevlekte gestalte in zijn mosnest toonde wel aan wat het vertrouwen waard was dat hij in de kater had gestoken: nog geen muizenstaartje.

Tot zijn opluchting zat Wezelkit nog waar ze hem achtergelaten hadden, hij knipperde verdwaasd met zijn ogen en probeerde onhandig overeind te komen.

‘’’Tisser?’’ Zijn woorden werden gevolgd door een geeuw. Keverneus’ razende hartslag begon langzaam weer te kalmeren. Hij was oké. Wezelkit was oké.

Maar niet dankzij Meeuwenkreet.

Wezelkit dommelde weer langzaam in terwijl Keverneus weer terugliep naar zijn nest. Meeuwenkreet was al wakker geworden en keek hem geheel onschuldig aan.

‘’Waarom sliep je?’’ Keverneus deed zijn best om zijn stem zakelijk te houden, maar van binnen vloog de frustratie door hem heen.

‘’Wezelkit sliep, hij had me niet nodig.’’ Mauwde Meeuwenkreet kalmpjes.

‘’Maar wat als er wat was gebeurd? Wat als hij iemand nodig had? Wat als-‘’

‘’Kever, stop!’’ Keverneus staarde de kater verbijsterd aan.

‘’Was je anders gaan slapen?’’

‘’Nee-‘’

‘’Ik zou Wezelkit nooit ook maar een haar krenken, en dat weet je best. Hij had me niet nodig, jij wel.’’

Gefrustreerd draaide Keverneus zich om en stormde zijn hol uit, vlak voor hij de ingang naar het kamp bereikte hield hij echter even halt. Hij ging niet als een boze kitten de open plek over rennen, hij was kalm.

Rustig liep hij richting de hoop verse prooi, een ochtendpatrouille was al teruggekeerd en had de stapel aangevuld. Voor een keer gunde Keverneus zichzelf iets warms, en hij sleurde een spitsmuis onder een grote eekhoorn vandaan.

Maar ook met een volle maag bleef er iets diep in hem knagen.

Waarom deed kibbelen met Meeuwenkreet zo veel pijn?

Voor meer van deze schrijver, kijk hier: Schim van de Muis of hier: Verraad van de Vos!

Advertisement